Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE8910

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
16-601181-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overval op supermarkt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601181-07

Datum uitspraak: 4 maart 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland,

Locatie De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Raadsman: mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 06 oktober 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 6.102,50 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf […], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 6.102,50 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf […], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- op die [aangever 1] is/zijn afgelopen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan/op die [aangever 1] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of gericht en/of (daarbij) tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd "overval, overval, deur open maken, schiet op en goede code gebruiken, geen geintjes anders gaat het alarm af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- tegen/op het hoofd van die [aangever 1] heeft/hebben geslagen en/of die [aangever 1] (met kracht) heeft/hebben geduwd en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd "maak kluis open, biljetten" en/of "pak die rollen, pak die dan", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd "handen omhoog en bij elkaar houden", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens) met tie-rips de armen/handen van die [aangever 1] heeft/hebben vastgebonden;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

De bewezenverklaring

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met twee anderen het plan heeft opgevat een overval op een supermarkt in Utrecht, de […], te plegen. Een van de medeverdachten, wiens moeder bij de betreffende supermarkt werkte, heeft informatie over de gang van zaken bij de supermarkt verschaft en heeft een nepwapen en een bivakmuts ter beschikking gesteld. Samen met de andere medeverdachte heeft de verdachte daadwerkelijk de overval gepleegd. Volgens zijn verklaring heeft de verdachte een honkbalknuppel en een tas (voor het geld) meegenomen. De medeverdachte had het pistool. Tegen het slachtoffer is gezegd dat zij de deur open moest maken. De verdachte heeft vervolgens verklaard dat het slachtoffer met tie-rips is vastgebonden.

Op 19 december 2007 heeft de medeverdachte [medeverdachte 1]bij de politie verklaard dat hij samen met twee anderen het plan had bedacht om de […] te overvallen en dat hij met de verdachte op 6 oktober 2007 de overval ook feitelijk heeft gepleegd. De medeverdachte heeft verklaard dat de andere medeverdachte, wiens moeder bij die […] werkte, informatie heeft verschaft over de gang van zaken bij de betreffende […].

Voorts heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij een balletjespistool en een bivakmuts bij zich had en dat de verdachte een bivakmuts en een honkbalknuppel bij zich had. De medeverdachte [medeverachte 1]heeft verklaard dat zij tegen de medewerkster riepen dat het een overval was dat hij het balletjespistool op de medewerkster van de […] heeft gericht en tegen haar heeft gezegd dat zij de deur open moest maken . Binnen heeft de verdachte tegen de medewerkster gezegd dat ze het alarm moest uitschakelen.

Onderweg naar de kluis heeft de medeverdachte de medewerkster een duw gegeven. De medeverdachte heeft verklaard dat het balletjespistool op zeer korte afstand bij de medewerkster is geweest, dicht tegen haar rug/nek aan. In het kantoor heeft de medewerkster de kluis geopend en de verdachte heeft tegen haar gezegd dat ze biljetten uit de kluis moest halen en in de tas moest doen. Dat deed de medewerkster ook. De medeverdachte pakte vervolgens de twee euro munten uit de kluis. Vervolgens heeft de medeverdachte de handen van de medewerkster geboeid met tie-rips.

Het slachtoffer heeft bij de politie verklaard dat zij op 6 oktober 2007 richting de hoofdingang van de […] liep en twee jongens met bivakmutsen op zag . Zij zag dat een van de jongens een honkbalknuppel in zijn hand had en dat de ander een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast had. Zij zag dat het vuurwapen op haar gericht werd . Zij hoorde vervolgens beide jongens roepen: "overval, overval, deur open maken, schiet op en goede code gebruiken, geen geintjes anders gaat het alarm af". Zij voelde ineens een harde klap achter op haar hoofd. Nadat het slachtoffer de deur had opengemaakt, voelde zij op beide schouders een hand en voelde zij dat zij naar binnen werd geduwd. Daarna werd zij door beide jongens het kantoor in geduwd. Zij zag dat het vuurwapen nog steeds op haar gericht was. Zij hoorde beide jongens tegen haar zeggen: "maak kluis open, biljetten". Het slachtoffer heeft vervolgens de kluis opengemaakt en zij heeft de bakjes met biljetten en muntjes uit de kluis gepakt . De jongen die het vuurwapen vast had gehad pakte een aantal rollen van twee euro munten en deed deze in een sporttas. Het slachtoffer hoorde hierna de jongen die het vuurwapen vast had gehad, zeggen: "handen omhoog en bij elkaar houden", waarna deze jongen tie-rips om de armen/handen van het slachtoffer deed en ze aantrok.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 06 oktober 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan winkelbedrijf […], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en

met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan winkelbedrijf […], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader

- op die [aangever 1] zijn afgelopen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan/op die [aangever 1] hebben getoond en gericht en daarbij tegen die [aangever 1] hebben gezegd "overval, overval, deur open maken, schiet op en goede code gebruiken, geen geintjes anders gaat het alarm af", en

- die [aangever 1] (met kracht) hebben geduwd, en

- tegen die [aangever 1] hebben gezegd "maak kluis open, biljetten", en

- tegen die [aangever 1] hebben gezegd "handen omhoog en bij elkaar houden" en vervolgens met tie-rips de armen/handen van die [aangever 1] hebben vastgebonden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

in eendaadse samenloop gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor het eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde wordt vrijgesproken en ter zake van het tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij, hoofdelijk, wordt toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met twee anderen het plan opgevat een supermarkt te overvallen. Een van de medeverdachten, wiens moeder bij de betreffende supermarkt werkte, heeft informatie over de gang van zaken bij de supermarkt verschaft en heeft tevens een balletjespistool, een bivakmuts en handschoenen aan de verdachte ter beschikking gesteld om te gebruiken bij de overval. De verdachte heeft vervolgens samen met de andere medeverdachte de overval daadwerkelijk gepleegd. Beide verdachten droegen een bivakmuts, de verdachte had een honkbalknuppel bij zich en zijn medeverdachte had het balletjespistool meegenomen. De verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer onder bedreiging met geweld gedwongen geld uit de kluis aan hen te geven en zij hebben zelf ook geld uit de kluis weggenomen. Het slachtoffer is daarna ook met tie-rips vastgebonden. Dit is een ernstig feit, waarbij in het algemeen kan worden gesteld dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lang de psychische gevolgen moeten dragen. Feiten als het onderhavige zorgen bovendien voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

In het voordeel van de verdachte overweegt de rechtbank dat de verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven over de feiten. Tevens wordt rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. In deze laatstbedoelde omstandigheden bekentenis en jeugd- vindt de rechtbank aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat er sprake is van vormverzuimen bij de afname van celmateriaal van de verdachte ten behoeve van DNA-onderzoek, aangezien de schriftelijke toestemming van de verdachte tot het afnemen van celmateriaal alsmede de toestemming van de verdachte tot afname door een opsporingsambtenaar in plaats van een arts of verpleegkundige zich niet in het dossier bevinden. De raadsman heeft bepleit dat dit, gelet op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, moet leiden tot strafvermindering. Nadat de officier van justitie de stukken met betrekking tot het DNA-onderzoek ter terechtzitting heeft overgelegd, welke stukken aan het dossier zijn toegevoegd, heeft de raadsman dit verweer ingetrokken.

De rechtbank overweegt echter dat de toestemming van de verdachte tot het afnemen van celmateriaal door een opsporingsambtenaar in plaats van een arts of verpleegkundige zich niet bij de door de officier van justitie overgelegde stukken bevindt. Nu de afname van celmateriaal van de verdachte door een opsporingsambtenaar is verricht en niet is gebleken dat de verdachte daartoe toestemming heeft gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vormverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval worden volstaan met de constatering van dit vormverzuim.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij de uitkomst van het DNA-onderzoek niet tot het bewijs bezigt en dat de verdachte door het vormverzuim niet in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 546,55 wegens materiële schade en een bedrag van € 2.500,- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.500,- en de materiële schade wordt begroot op € 249,64, te weten € 200,- voor vergoeding van door het delict gemaakte telefoonkosten en € 49,64 voor vergoeding van vervoerskosten.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1.749,64 worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c 36f, 55, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 30 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [woonplaats] ten dele toe tot een bedrag van € 1.749,64 (zegge zeventienhonderdnegenenveertig euro en vierenzestig cent).

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.749,64 (zegge zeventienhonderdnegenenveertig euro en vierenzestig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.M.M.E. Doekes, W. Foppen en P.M.E. Bernini, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2008.