Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE8713

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-07-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
16-604188-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604188-07

Datum uitspraak: 21 juli 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats].

Raadsman: mr. M.P.H. van Wezel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2008.

De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 14 april 2007 te Hagestein, gemeente Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hooglandseweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

in een bocht naar rechts en/of met een hogere snelheid dan de ter plaatse

toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, een auto in te halen,

waarbij een motorrijder die op het moment naderde uit tegenovergestelde richting (zeer) fors moest afremmen en/of naar rechts moest sturen teneinde

een (frontale) aanrijding/botsing met het door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig te vermijden en/of

waarbij die motorrijder ten val is gekomen in de (gezien zijn rijrichting)

rechter berm,

waardoor die motorrijder, genaamd [aangever 1], zwaar lichamelijk letsel, te weten

een polsfractuur (rechts) en een kneuzing van rug en (linker) bovenbeen, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij, op of omstreeks 14 april 2007, te Hagestein, gemeente Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Hooglandseweg,

in een bocht naar rechts en/of met een hogere snelheid dan de ter plaatse

toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, een auto in heeft gehaald,

waarbij een motorrijder die op het moment naderde uit tegenovergestelde

richting (zeer) fors moest afremmen en/of naar rechts moest sturen teneinde

een (frontale) aanrijding/botsing met het door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig te vermijden,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 14 april 2007 te Hagestein, gemeente Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Hooglandseweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist

of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [aangever 1]) letsel

en/of schade was toegebracht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld, te weten dat:

1.

Primair

hij op 14 april 2007 te Hagestein, gemeente Vianen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hooglandseweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig,

in een bocht naar rechts en met een hogere snelheid dan de ter plaatse

toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, een auto in te halen,

waarbij een motorrijder die op het moment naderde uit tegenovergestelde richting fors moest afremmen en naar rechts moest sturen teneinde

een frontale botsing met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te vermijden en

waarbij die motorrijder ten val is gekomen in de gezien zijn rijrichting rechter berm,

waardoor die motorrijder, genaamd [aangever 1], zwaar lichamelijk letsel, te weten

een polsfractuur (rechts) en een kneuzing van rug en (linker) bovenbeen, werd toegebracht.

2.

hij op of omstreeks 14 april 2007 te Hagestein, gemeente Vianen,

als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Hooglandseweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [aangever 1]) letsel

en schade was toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Het slachtoffer [aangever 1] verklaarde bij de politie dat hij op 14 april 2007 met zijn motorfiets over de Hooglandseweg te Vianen reed, komende uit de richting van Vianen en gaande in de richting van Hagestein. Het slachtoffer verklaarde dat, toen hij met zijn motor de bocht naar links in reed, hij de bocht in keek en een kleine blauwe personenauto in tegenovergestelde richting zag rijden. Toen hij halverwege de bocht naar links was zag hij een roodachtige personenauto achter de kleine blauwe auto rijden. Deze personenauto wisselde abrupt van rijstrook en reed nu op de weghelft van het slachtoffer. Het slachtoffer had het gas van zijn motorfiets losgelaten en had direct zijn motorfiets rechtgetrokken teneinde een aanrijding te voorkomen. Toen zijn motorfiets rechtstond heeft hij hard geremd en naar rechts gestuurd om de roodachtige personenauto te ontwijken. Het slachtoffer verklaarde dat hij tussen het hekwerk en een lichtmast doorreed in de berm en dat hij hierna ten val kwam. Toen hij in de berm van zijn motorfiets viel en op de grond lag kreeg hij de motorfiets op zijn rug. Het slachtoffer verklaarde dat de bestuurder van de roodachtige personenauto die dit ongeval heeft veroorzaakt hierna gewoon is doorgereden.

Blijkens de medische verklaring heeft het slachtoffer door het ongeval een polsfractuur rechts, een kneuzing van zijn rug en een kneuzing van het linkerbovenbeen opgelopen.

Op 2 februari 2008 verklaarde het slachtoffer telefonisch aan de verbalisant dat zijn linkerpols nog niet geheel hersteld was. Het slachtoffer verklaarde dat hij na het ongeval zes weken met zijn pols in het gips had gezeten en hierna fysiotherapie had ondergaan.

In december 2007 kreeg het slachtoffer wederom last van zijn pols en was hij 1 maal in de week weer onder behandeling van een fysiotherapeut. Of zijn linkerpols zou herstellen kon het slachtoffer niet zeggen. De fysiotherapeut verwachtte dat het herstel zeker nog een jaar zou duren.

Blijkens het onderzoek verkeersongeval proces-verbaal had de motorfiets van het slachtoffer lichte schade aan de linkerzijde.

Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie dat hij zag dat in de verte voor hem een rode Opel Astra een blauwe personenauto in haalde. De getuige was de rode Opel Astra tot op ongeveer 50 meter genaderd toen hij zag dat de Opel Astra abrupt van rijbaan wisselde en weer op zijn eigen rijbaan in tegenovergestelde richting reed. De getuige verklaarde dat hij zag dat de bestuurder van de rode Opel Astra over zijn linkerschouder naar achteren keek in de richting vanwaar hij was gekomen. Getuige zag in zijn spiegels dat de personenauto hard door reed in de richting van Vianen. Getuige vermoedde dat de rode Opel Astra met een snelheid van ongeveer 80 a 90 kilometer per uur reed toen hij hem passeerde. Hierna zag getuige op een afstand van ongeveer 30 meter voor hem in de rechterberm een motorfiets en bestuurder liggen. Getuige verklaarde dat hij zeker wist dat de bestuurder van de rode Opel Astra gezien had dat de motorrijder in de berm ten val kwam.

Getuige [getuige 2] verklaarde bij de politie dat zij met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur over de Hooglandseweg reed in de richting van Vianen. Op een gegeven moment zag zij in de achteruitkijkspiegel dat er een roodkleurige auto hard aan kwam rijden. Zij keek op haar snelheidsmeter en zag dat zij zelf 50 kilometer per uur reed. Getuige vermoedde dat de rode personenauto met zeker 80 kilometer per uur achter haar reed. Getuige reed op dat moment net voor een flauwe bocht naar rechts en zij zag in haar spiegels dat deze rode personenauto naar links wisselde. Zij zag een motorfiets op de linkerrijstrook in tegenovergestelde richting rijden. De rode personenauto reed op de rijstrook van de motorrijder. De bestuurder van de motorfiets remde en stuurde zijn motorfiets naar zijn rechterkant. De personenauto miste de motorfiets op 1 a 2 meter. De rode personenauto wisselde direct hierop van rijstrook naar rechts en maakte hierna een rare slingering. Getuige zag in de spiegel dat de motorrijder ten val kwam en dat de motorfiets op de bestuurder terecht kwam. Getuige verklaarde dat zij zag dat de bestuurder van de rode personenauto nog over zijn linkerschouder achterom keek in de richting van de gevallen motorrijder. Getuige zag dat de snelheid van de personenauto versnelde en dat deze wegreed in de richting van Vianen. Getuige verklaarde dat hij zich niet kon voorstellen dat de bestuurder niet had gezien dat de motorrijder was gevallen.

Getuige [getuige 3] zat naast bestuurster [getuige 2] en hij verklaarde bij de politie dat hij zag dat een personenauto, Opel Astra, hen met zeer hoge snelheid inhaalde. Getuige verklaarde dat hij nog tegen [getuige 2] (opmerking griffier: [getuige 2]) zei, wat een mafkees. Deze personenauto haalde hen net in voor een bocht naar rechts. Getuige zag dat, toen de personenauto naast hen reed, er vanuit de andere richting een motorfiets aan kwam rijden. Deze motorfiets moest zeer hard remmen om niet frontaal tegen de personenauto aan te rijden. De personenauto miste de motorfiets op een meter of één a twee. Getuige zag dat de motorfiets hierna de linkerberm inreed en viel. De personenauto was weer op de rechterrijstrook gaan rijden en reed gewoon door in de richting van Vianen.

De verdachte verklaarde zowel bij de politie als ter terechtzitting dat hij op 14 april 2007 in zijn auto, een rode Opel Astra, over de Hooglandseweg reed en daar een kleine blauwe auto inhaalde. Bij de politie heeft de verdachte tevens verklaard dat de personenauto die hij inhaalde ongeveer 40 à 50 kilometer per uur reed en dat de maximale snelheid ter plaatse

50 kilometer per uur bedraagt.

Op grond van voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en dat verdachte na het veroorzaken van het ongeval is doorgereden, terwijl hij moest vermoeden dat aan een ander letsel dan wel schade was toegebracht.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 14 april 2007 een verkeersongeval veroorzaakt.

Bestuurders moeten op de weg altijd de nodige voorzichtigheid in acht nemen. Het kan immers in het verkeer om mensenlevens gaan. Verdachte heeft echter te hard gereden en heeft door met een te hoge snelheid in een bocht een andere auto in te halen een zeer groot risico genomen. Verdachte heeft de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, met helaas ernstige gevolgen voor het slachtoffer.

Voorts is verdachte na het veroorzaken van het ongeval doorgereden. Verdachte heeft zich niet bekommerd om het slachtoffer. Ook nadat verdachte door de politie van het ongeval op de hoogte was gebracht heeft hij op geen enkel moment contact met het slachtoffer opgenomen. De rechtbank rekent hem dit aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 april 2008, waaruit blijkt dat de verdachte op 4 mei 2006 is veroordeeld voor het overtreden van de maximumsnelheid.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

- een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis;

- ten aanzien van feit 1: ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden;

- ten aanzien van feit 2: ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, passende sancties zijn.

Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid oordeelt de rechtbank dat met de door de officier van justitie gevorderde duur niet kan worden volstaan. De rechtbank overweegt daartoe ten eerste dat verdachte ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ondanks de door de getuigen afgelegde verklaringen blijft verdachte ontkennen dat het ongeval überhaupt heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting op geen enkele wijze laten zien zich om het slachtoffer te bekommeren.

Ten tweede overweegt de rechtbank dat blijkens het uittreksel uit het documentatieregister verdachte eerder is veroordeeld voor een forse overtreding van de maximumsnelheid.

Ten derde blijkt uit het door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal dat het rijgedrag van verdachte hem eerder enkele keren is opgevallen. Op 26 april 2006 heeft verbalisant verdachte aangesproken over het feit dat hij zag dat verdachte met ‘piepende’ banden, driftend door een onoverzichtelijke bocht in Vianen reed.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij verstandiger is gaan rijden, nadat hij door [verbalisant 1] op zijn rijgedrag was gewezen. Gelet op de door de getuigen afgelegde verklaringen over het rijgedrag van verdachte is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte hier daadwerkelijk van heeft geleerd. Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank derhalve rekening met de vrees voor herhaling van een ernstig verkeersdelict.

Gelet op voornoemde acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor een langere duur, dan door de officier van justitie gevorderd, geïndiceerd.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 60 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 2 (TWEE) MAANDEN.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

-de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 80 UREN, te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 1 bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (ACHTTIEN) maanden.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 2 bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (DRIE) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mrs A.G. Bakker, P. Wagenmakers en J.F. Dekking, bijgestaan door mr. K.F. van Dam als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2008.