Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE8340

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
210653/ HA ZA 06-920.
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadebereking, vervolg op vonnis van 19 december 2007, LJN: BC0868.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 210653 / HA ZA 06-920

Vonnis van 20 augustus 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J. van Ravenhorst,

tegen

1. de naamloze vennootschap

DSB BANK N.V.,

gevestigd te Wognum,

gedaagde,

procureur mr. J.J.W. Remme,

2. de naamloze vennootschap

RIBANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. P.A. de Koningh.

Partijen zullen hierna [eiseres] en DSB en Ribank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2007

- de akte van [eiseres]

- de antwoordakte van DSB

- de beslissing van de rolrechter dat het recht van Ribank om een antwoordakte te nemen is komen te vervallen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Ten aanzien van DSB

2.1. In het tussenvonnis van 19 december 2007 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over:

- de omvang van de betaalde en te betalen rentetermijnen in het kader van de aandelenlease-overeenkomst vanaf 1 februari 2006 tot het moment van het verstrijken van de looptijd van de overeenkomst dan wel de eventuele rechtsgeldige voortijdige beëindiging daarvan,

- de omvang van het terzake van de aandelenlease-overeenkomst genoten en eventueel nog te genieten belastingvoordeel,

- de (verwachte) omvang van de restschuld in het kader van de aandelenlease-overeenkomst op het moment van het verstrijken van de looptijd van de overeenkomst dan wel de eventuele rechtsgeldige voortijdige beëindiging daarvan, alsmede het terzake geldende moment van eventueel verzuim.

Omvang rentetermijnen

2.2. [eiseres] heeft in haar akte aangegeven dat de aandelenlease-overeenkomst geëindigd is op de beoogde einddatum van 1 februari 2006, zodat zij 60 rentetermijnen ad EUR 45,37 heeft voldaan, derhalve in totaal EUR 2.722,20. Zij brengt op dit bedrag de op dat moment bestaande achterstand in de betalingen ad EUR 724,53 in mindering.

Dit laatste is volgens DSB niet juist, aangezien in het bedrag van deze achterstand ook rente is opgenomen over niet betaalde rentetermijnen. DSB komt op een hoger bedrag aan betaalde rentetermijnen uit dan [eiseres] (EUR 2.039,62 in plaats van EUR 1.997,67). De berekening van DSB komt de rechtbank niet onjuist voor, zodat de rechtbank zal uitgaan van het bedrag van EUR 2.039,62 aan betaalde rentetermijnen.

Omvang belastingvoordeel

2.3. Beide partijen gaan er in hun aktes vanuit dat [eiseres] geen belasting-voordeel heeft genoten, zodat het verzoek van DSB om het belastingvoordeel in de schadeberekening te verdisconteren wordt afgewezen.

Omvang restschuld en verzuim

2.4. [eiseres] gaat in haar akte uit van een bedrag aan restschuld van

EUR 2.327,16, zijnde het bedrag dat op het door [eiseres] overgelegde rekeningafschrift van 6 februari 2006 als “nieuw saldo” is vermeld.

2.5. Volgens DSB is de effectenportefeuille van [eiseres] verkocht voor een bedrag van EUR 2.912,79, zodat de restschuld EUR 1.625,-- bedraagt.

2.6. De rechtbank overweegt dat de onderhavige restschuld moet worden berekend door het verschil te nemen tussen de ter leen verstrekte geldsom die in aandelen is belegd,

EUR 4.538,00, en de verkoopopbrengst van de betreffende aandelen. [eiseres] is uitgegaan van de omvang van het resterende saldo van de rekening die betrekking heeft op de aandelenlease-overeenkomst, maar in dit saldo zijn tevens andere verschuldigde bedragen dan de kredietsom opgenomen. De rechtbank zal bij haar berekening van de restschuld uitgaan van de kredietsom van EUR 4.538,00.

2.7. DSB stelt dat de verkoopopbrengst van de aandelen EUR 2.912,79 heeft bedragen, maar zij onderbouwt dit op geen enkele wijze. In het licht van het rekeningafschrift dat door [eiseres] is overgelegd, moet aan de juistheid van dit bedrag ook worden getwijfeld. Immers, blijkens dit rekeningafschrift is het saldo van de betreffende rekening op 6 februari 2006, derhalve na het einde van de looptijd van de aandelenlease-overeenkomst, verminderd met een bedrag van EUR 2.809,86. In het afschrift zelf is hiervoor geen verklaring te vinden, zodat aangenomen moet worden dat dit te maken heeft een vermindering van het saldo door DSB in verband met de verkoop van de aandelen. De rechtbank zal dan ook bij de berekening van de verkoopopbrengst uitgaan van een bedrag van EUR 2.809,86.

2.8. Het voorgaande leidt tot een restschuld ten bedrage van EUR 1.728,14 (EUR 4.538,00 - EUR 2.809,86).

2.9. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het moment van verzuim. De rechtbank zal uitgaan van de datum van het rekeningafschrift (6 februari 2006), nu daaruit blijkt dat op dat moment de omvang van de restschuld vaststond, en [eiseres] gehouden was vanaf dat moment de restschuld aan te zuiveren.

Conclusie

2.10. De rechtbank zal in het licht van de inhoud van het tussenvonnis van 19 december 2007 een geldsom toewijzen van:

betaalde rentetermijnen EUR 2.039,62

restschuld EUR 1.728,14

==========

subtotaal: EUR 3.767,76

minus: eigen schuld 20%: - EUR 752,55

==========

Totaal: EUR 3.014,21

2.11. De wettelijke rente over (80% van) de betaalde rentetermijnen zal worden toegewezen met ingang van de dag waarop deze bedragen door [eiseres] zijn voldaan. De wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag aan restschuld (80% van de totale restschuld, derhalve EUR 1.382,51) zal worden toegewezen vanaf 6 februari 2006.

2.12. De gevraagde verklaring voor recht dat DSB onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door schending van de op haar rustende zorgplicht bij het aangaan van de aandelenleaseovereenkomst zal eveneens worden toegewezen.

2.13. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

Ten aanzien van Ribank

2.14. In het tussenvonnis is reeds op de vorderingen die [eiseres] tegen Ribank heeft ingesteld, beslist in die zin dat deze zullen worden afgewezen, alsmede dat [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de door Ribank gemaakte proceskosten ad EUR 1.203,00 zal worden veroordeeld. Nu ten aanzien van DSB een eindvonnis kan worden gewezen, zal deze beslissing thans in het dictum worden opgenomen. De kostenveroordeling zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3. De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van DSB

3.1. verklaart voor recht dat DSB onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door schending van de op haar rustende zorgplicht bij het aangaan van de aandelenlease-overeenkomst,

3.2. veroordeelt DSB om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 3.014,21 (drieduizendveertien euro en éénentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over (80% van) de onderliggende rentetermijnen vanaf de data van betaling daarvan, en over het toegewezen bedrag aan restschuld (EUR 1.382,51) vanaf 6 februari 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.3. verklaart onderdeel 3.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. compenseert de kosten van de procedure tussen [eiseres] en DSB, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

ten aanzien van Ribank

3.6. wijst de vorderingen af,

3.7. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Ribank tot op heden begroot op EUR 1.203,00,

3.8. verklaart onderdeel 3.7 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2008.