Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9997

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
207270/ HA ZA 06-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, Sprintplan, 50% - 50%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 207270 / HA ZA 06-189

Vonnis van 13 augustus 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. C. Beijer,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 februari 2008,

- de akte van [eiser],

- de akte van Spaarbeleg.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Bij het hiervoor onder 1.1. genoemde tussenvonnis van 13 februari 2008 heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden in het geding te brengen, eventueel met een korte toelichting op die productie, en vervolgens [eiser] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte kort op de akte van Spaarbeleg te reageren.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal, waaronder de informatie uit het zogenaamde ‘welkomstpakket’.

2.3. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 13 februari 2008 reeds verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007 en naar de overweging van het Gerechtshof dat het aan de deelnemers toegezonden ‘welkomstpakket’ met informatie betreffende het SprintPlan pas door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand was gekomen.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

Hierna zal onder het kopje ‘De verdere beoordeling (onderdeel 5. van dit vonnis) allereerst worden vastgesteld over welke informatie [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst beschikte, teneinde te kunnen bepalen wat hij op het moment van het aangaan van de overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan.

2.4. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. [eiser] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier van Spaarbeleg een certificaat ontvangen.

3.2. Het door [eiser] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 2 januari 2001 tot en met 31 december 2005. [eiser] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van EUR 181,51 (NLG 400,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van EUR 10.890,60. [eiser] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

4. Het geschil

4.1. De vordering van [eiser] luidt na eiswijziging als volgt:

(a) te bepalen dat Spaarbeleg jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten/haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien aansprakelijk is voor de hierdoor opgetreden schade;

de in het geding zijnde overeenkomst (contract 073.20.76.242) te ontbinden;

en te bepalen dat Spaarbeleg jegens [eiser] mitsdien aansprakelijk is voor en deswege gehouden is tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden of nog zal lijden uit hoofde van de verplichting voor Spaarbeleg tot ongedaanmaking van de door haar van [eiser] ontvangen prestatie;

(b) dat primair de hiervoor onder (a) bedoelde schade bestaat uit hetgeen door [eiser] tot en met heden aan Spaarbeleg is betaald, dan wel een ander bedrag door uw Rechtbank te Utrecht in goede Justitie nader te bepalen, vermeerderd met alle door Spaarbeleg opgevorderde kosten en renten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het instellen dezer eis tot de dag van algehele voldoening;

c) dat subsidiair de in het geding zijnde overeenkomst (contract 073.20.76.242) tussen [eiser] en Spaarbeleg wordt vernietigd of nietig verklaard wegens dwaling en/of misbruik van omstandigheden, althans dat deze wordt ontbonden, een en ander met de veroordeling van Spaarbeleg tot terugbetaling aan [eiser] van datgene wat Spaarbeleg n.a.v. deze overeenkomst betaald is, te vermeerderen met de wettelijke rente per datum afboeking, tot de dag der algehele voldoening hiervan dan wel;

meer subsidiair de overeenkomst door toepassing van het bepaalde in artikel 3:54 BW te wijzigen, waarbij de gevolgen van de overeenkomst zodanig worden gewijzigd dat [eiser] het ontstane koersverlies niet behoeft te dragen, dan wel o.g.v. artikel 6:248 BW/de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, slechts aansprakelijk kan zijn voor een gedeelte van groot maximaal 20% hiervan, dan wel een ander maximaal percentage door Uw Rechtbank in goede Justitie te bepalen;

dat meer subsidiair de in het geding zijnde overeenkomst (contract 73.20.76.242) tussen [eiser] en Spaarbeleg wordt vernietigd of nietig verklaard wegens in strijd met de Wet op het consumentenkrediet en/of de Wet Identificatie Dienstverlening een, althans dat deze wordt ontbonden, een en ander met de veroordeling van Spaarbeleg tot terugbetaling aan [eiser] van datgene wat Spaarbeleg n.a.v. deze overeenkomst betaald is, te vermeerderen met de wettelijke rente per datum afboeking, tot de dag der algehele voldoening hiervan;

d) Spaarbeleg te veroordelen te betalen een bedrag van € 250,00 te vermeerderen met btw ([eiser] als natuurlijk persoon geen btw kan verrekenen), zijnde de door de [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten ter behartiging van onderhavige procedure, met daarnaast veroordeling van Spaarbeleg in de kosten van deze procedure.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De (verdere) beoordeling

5.1. De rechtbank stelt voorop dat de vordering van [eiser] niet volledig duidelijk is. Gelet op de bewoordingen van de vordering voor en na wijziging eis, en gelet op het feit dat bij de aanduiding van de verschillende onderdelen van de vordering een ondergeschikte en een nevengeschikte aanduiding door elkaar zijn gebruikt, begrijpt de rechtbank de vordering aldus dat [eiser] voor verschillende grondslagen heeft gekozen zonder daarbij een dwingende volgorde op het oog te hebben gehad. De rechtbank zal de vorderingen in een door haar te bepalen volgorde behandelen.

Beschikbare informatie ten tijde van het aangaan van de overeenkomst

5.2. Zoals hiervoor is overwogen, hebben de deelnemers aan het SprintPlan pas na het tot stand komen van de overeenkomsten de beschikking gekregen over de informatie in het zogenaamde ‘welkomstpakket’ en beschikten zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel over mogelijk op voorhand aan hen verstrekte informatie over het Sprintplan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

5.3. Vastgesteld dient te worden over welke informatie [eiser] beschikte ten tijde van het aangaan van de onderhavige SprintPlan-overeenkomst.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 13 februari 2008 overwogen dat niet vast staat dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een brochure heeft ontvangen en dat door Spaarbeleg geen samenvatting van de Algemene Voorwaarden is overgelegd.

In verband daarmee heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om een afschrift van de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de Algemene Voorwaarden in het geding te brengen.

Spaarbeleg heeft hierop bij akte toegelicht dat [eiser] de SprintPlan-overeenkomst heeft afgesloten via een advertentie. Een voorbeeld van een (paginagrote) advertentie die werd gebruikt heeft zij overgelegd (productie 7 bij akte). Zij heeft tevens aangevoerd dat door [eiser] niet is ontkend dat hij een brochure heeft ontvangen.

[eiser] stelt zich bij antwoordakte op het standpunt dat hij vooraf geen brochure heeft ontvangen. Hij betwist niet dat de overeenkomst via een advertentie is afgesloten maar voert aan dat de advertentie die door Spaarbeleg is ingebracht, in zijn herinnering uitgebreider lijkt dan die waarop hij had gereageerd.

De rechtbank ziet in dit laatste niet een voldoende gemotiveerde betwisting ter ontkrachting van de bij akte gestaafde stelling dat de overeenkomst via een soortgelijke advertentie tot stand is gekomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de advertentie waaruit het inschrijfformulier waarvan [eiser] gebruik van heeft gemaakt afkomstig was, dezelfde inhoud had als de door Spaarbeleg overgelegde advertentie. De rechtbank blijft bij haar oordeel dat niet is komen vast te staan dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een brochure heeft ontvangen. Aldus kan worden vastgesteld dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst beschikte over de informatie die was opgenomen in de advertentie. Bij de beoordeling van wat [eiser] op het moment van aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan, zal de rechtbank zich dan ook baseren op de advertentie.

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.4. [eiser] heeft bij akte vermeerdering/wijziging eis gemotiveerd uiteengezet waarom naar zijn mening sprake is van strijd met de Wet op het consumentenkrediet (Wck). De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stellingen. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007 (LJN BB9779) overeenkomstig geoordeeld. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiser], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig of vernietigbaar is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Nietigheid wegens strijd met de WID

5.5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat sprake is van strijd met de Wet identificatie bij dienstverlening (WID), nu Spaarbeleg heeft nagelaten om zijn identiteit voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst vast te stellen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 augustus 2006 (LJN: AY7074), in een procedure aangespannen door eveneens een individuele deelnemer aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg overwogen dat strijd met de identificatieplicht in burgerrechtelijk opzicht geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de verleende dienst heeft en dat ook artikel 3:40 BW deze gevolgen niet oproept. Door [eiser] zijn geen nadere feiten en omstandigheden gesteld die voor de rechtbank aanleiding zouden kunnen vormen om van haar eerdere oordeel af te wijken. De vordering van [eiser] gebaseerd op strijd met de WID wordt dan ook afgewezen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.6. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet, ook in zijn stellingen over de Nadere Regeling en over schuldeisersverzuim, geen aanleiding om nu anders te oordelen. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.7. [eiser] heeft tevens aangevoerd dat de overeenkomst vernietigbaar is omdat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Hij verwijst daarbij naar artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW en stelt dat hij bij het aangaan van de overeenkomst geen enkel idee had waar het eigenlijk allemaal omging en dat als hij dit wel had geweten hij de overeenkomst niet was aangegaan. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij dacht dat het om een koopsomachtige constructie ging, dat hij dacht dat er sprake was van een gegarandeerd eindbedrag en dat hij niet wist dat hij zijn inlegbedrag kwijt kon raken.

5.8. De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, recent nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. De rechtbank nam de tekst van de Algemene Voorwaarden hierbij als uitgangspunt. Echter, in navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze Algemene Voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst. Uitgegaan dient te worden van de informatie die [eiser] heeft ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming ervan, te weten de informatie in de advertentie, waarvan Spaarbeleg bij akte na tussenvonnis een afschrift in het geding heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel van [eiser] bij oplettende bestudering van de informatie in de advertentie had kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van [eiser] participaties zou kopen in het GarantieFonds. In de advertentie is immers vermeld dat Spaarbeleg direct een groot bedrag voorschiet en dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts wordt aangegeven dat het bedrag in het Spaarbeleg GarantieFonds wordt belegd en dat de deelnemer risico loopt over de rentebetalingen. De looptijd is vijf jaar en nadien wordt de waarde van de belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag. Tot slot is vermeld dat bij tussentijdse beëindiging de garantie op het voorgeschoten bedrag komt te vervallen. Daarnaast kon uit de in de advertentie opgenomen rekenvoorbeelden worden opgemaakt welk rendement bij de daar voorgestelde koersstijgingen zou worden behaald. Dat koersstijgingen ook lager zouden kunnen uitvallen en dat ook koersdalingen zouden kunnen optreden is inherent aan het feit dat bij het SprintPlan, zoals uit de beschikbare informatie blijkt, een beleggingsproduct betrof en wordt als algemeen bekend verondersteld. Uit deze informatie heeft [eiser] kunnen afleiden dat het risico bestond dat de inleg verloren ging en dat de inleg niet gegarandeerd werd terugbetaald. Voor zover [eiser] dat niet al had begrepen, had dit voor hem in ieder geval aanleiding moeten zijn nadere informatie in te winnen.

Van [eiser] mocht worden verwacht dat hij dit informatiemateriaal heeft gelezen. Als hij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Misbruik van omstandigheden

5.9. Om aan te kunnen nemen dat sprake is van misbruik van omstandigheden is onder andere vereist dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat [eiser] door de door haar gestelde onervarenheid tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen. Van een dergelijke kenbaarheid is de rechtbank evenwel niet gebleken. De overeenkomst is tot stand gekomen kennelijk zonder dat er enig inhoudelijk contact tussen partijen heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft volstaan met het inzenden van een inschrijfformulier en Spaarbeleg met het toezenden van het welkomstpakket. Nu niet gesteld kan worden dat alleen onervaren consumenten zullen worden bewogen tot het afsluiten van een SprintPlan op de wijze zoals in dit geval is geschied, kan niet worden geconcludeerd dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat zijn onervarenheid [eiser] bewoog tot het inzenden van het inschrijfformulier en dat dit Spaarbeleg van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt derhalve. Het beroep van [eiser] op wijziging van de overeenkomst met toepassing van artikel 3:54 BW kan daarom onbesproken blijven.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.10. [eiser] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer in het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] en naar zijn beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiser] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiser].

5.11. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.12. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer enkele denkstappen te maken om de risico’s geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.13. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen. Hij heeft tevens verklaard dat hij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als hem duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico’s verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

schade

5.14. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geld zelf, of aan een ander doel, te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

eigen schuld

5.15. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren. Voorgaande geldt eveneens voor de informatie die [eiser] ter beschikking had voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, weergegeven onder r.o. 5.3.

5.16. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten, wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.17. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.18. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.19. Ten aanzien van [eiser] zijn de volgende omstandigheden van belang. [eiser] is geboren op 22 maart 1954 en was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan 46 jaar oud. Ter comparitie heeft hij met betrekking tot zijn specifieke omstandigheden het volgende verklaard. Ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst was hij in het kader van een reorganisatie weg bij zijn toenmalige werkgever. Hij had in verband met die arbeidsverhouding nog personeelsaandelen en hij had drie maanden salaris gekregen. Hij heeft daarvan producten van Dexia gekocht en het SprintPlan van Spaarbeleg. Vervolgens is hij gestart met zijn nieuwe bedrijf, de vooruitzichten waren redelijk. Ten tijde van de comparitie was dat anders. Hij heeft verklaard dat hij nog net zijn hoofd boven water kon houden en bijvoorbeeld in 2005 ongeveer 2000 uur gewerkt heeft. Hij heeft tevens verklaard geen ervaren belegger te zijn, maar wel te weten wat beleggen inhoudt. Uit de door hem overgelegde producties (productie 2 voorafgaand aan de comparitie) blijkt voorts dat hij in 1997 een eigen BV is begonnen en zich bij het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst had voorgenomen om de maandelijkse bedragen vanuit de BV te betalen.

5.20. Het opleidings- en inkomensniveau van [eiser] is niet volledig duidelijk geworden, maar gezien zijn leeftijd, werkervaring en ondernemerschap moet hij geacht worden de nodige levenservaring te hebben opgedaan. Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank een verdeling van de schade waarbij 50% voor rekening van [eiser] blijft, redelijk. Dit betekent dat een bedrag van EUR 5.445,30 (50% van EUR 10.890,60) van de schade voor rekening van Spaarbeleg komt.

Aan het beroep van [eiser] op artikel 6:248 lid 2 BW zal de rechtbank voorbijgaan, nu hij daarvoor onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is het uitgangspunt voor schadeverdeling in dit geval onverkort te hanteren.

Voor het overige

5.21. De overige stellingen in de dagvaarding, voor zover aan de vordering ten grondslag gelegd, zullen als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd.

5.22. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

5.23. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 244,00

- salaris procureur 1.130,00 (2,5 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.458,87

5.24. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 5.445,30, vermeerderd met 50% van de daarover vanaf de dag van dagvaarding (16 januari 2006) tot de dag van volledige betaling verschuldigde wettelijke rente,

6.2. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.458,87,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2008.