Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9542

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
230032/ HA ZA 07-850
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8433, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst, duurovereenkomst; niets geregeld over beeindiging. Opzegging mogelijk, gehanteerde opzegtermijn redelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 230032 / HA ZA 07-850

Vonnis van 9 juli 2008

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ENECO ENERGIE INFRA UTRECHT N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENBU B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

procureur mr. M.C. Franken-Schoemaker,

advocaat mr. I.E. Nauta te Arnhem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DE RONDE VENEN,

gevestigd te Mijdrecht,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort,

advocaat mr. P.L. Visser te Amsterdam.

Partijen zullen hierna (eiseressen gezamenlijk) Eneco c.s. en de Gemeente genoemd worden. Eiseres sub 1 zal worden aangeduid als ‘Eneco’ en eiseres sub 2 als ‘Enbu’.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 juli 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 november 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eneco, voorheen geheten N.V. Regionale Energie Maatschappij Utrecht (hierna: REMU), rechtsopvolgster onder algemene titel van Gasbedrijf Centraal Nederland N.V. (hierna: GCN), is eigenares en exploitante van diverse gas- en elektriciteitsnetten in Nederland.

2.2. Enbu verricht werkzaamheden met betrekking tot het beheren van netten voor de distributie en het transport van elektriciteit en gas en het (doen) uitvoeren van alle taken die ingevolge de bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet aan een netbeheerder zijn toebedeeld of worden toebedeeld.

2.3. Op 20 december 1989 heeft GCN met de Gemeente een exploitatieovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

‘(…)

Artikel 5

Indien transport-, hoofd- of dienstleidingen van het GCN in de gemeente op verzoek of door toedoen van de gemeente moeten worden verlegd, zijn alle daaraan verbonden kosten voor rekening van de gemeente.’

(…)

Artikel 8

De gemeente verklaart zich als publiekrechtelijk lichaam tezamen met de andere gemeenten, die aandelen houden in het GCN, mede aansprakelijk voor de betaling aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds van de door het GCN krachtens hoofdstuk C en artikel N1 van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet verschuldigde bedragen.

Artikel 9

1. De gemeente heeft ten laste van de GCN aanspraak op winstuitkering, indien de algemene vergadering van aandeelhouders van het GCN met toepassing van artikel 33, lid 5, van de statuten van het GCN daartoe besluit en tot het bedrag, te bepalen door de algemene vergadering van aandeelhouders.

(…)’

2.4. Op 25 mei 1994 heeft REMU met de Gemeente een kabellegregeling gesloten. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

‘ (…)

Artikel 6

6.1.

Indien ten gevolge van werkzaamheden uit te voeren door of vanwege de gemeente werken van REMU moeten worden verplaatst, zullen de kosten aan een zodanig verplaatsing verbonden, met inachtneming van het bepaalde in de volgende legden, voor rekening van de gemeente komen.

6.2.

In afwijking van het gestelde in het vorige lid komen de kosten verbonden aan het verplaatsen van werken van REMU ten gevolge van riolerings- en/of reconstructiewerkzaamheden, uit te voeren door of vanwege de gemeente in het openbaar belang, voor 50% voor rekening van de gemeente en voor 50% voor rekening van REMU.

(…)

Artikel 9

9.1.

Deze regeling wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1994 voor onbepaalde tijd, maar kan in onderling overleg door partijen worden aangepast.

(…)’

2.5. Bij brief van 4 juli 2006 heeft de Gemeente Eneco in kennis gesteld van haar besluit de overeenkomsten genoemd onder 2.3. en 2.4. (hierna tezamen te noemen: de overeenkomsten) per 19 oktober 2006 op te zeggen en in plaats daarvan een publiekrechtelijke verordening te stellen, waarin de voor alle nutsbedrijven geldende voorwaarden worden opgenomen in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen in gemeentegrond. Tevens is in de brief vermeld dat de gemeentelijke planning is dat de verordening wordt vastgesteld tijdens de vergadering van de gemeenteraad van 19 oktober 2006 en dat om die reden per die datum of zoveel later voor het geval de verordening op een later moment wordt vastgesteld, wordt opgezegd.

2.6. Op 18 september 2006 heeft tussen Eneco en de Gemeente overleg plaatsgevonden over de opzegging van de overeenkomsten.

2.7. Bij brief van 25 september 2006 heeft Eneco Netbeheer B.V. de Gemeente onder meer het volgende geschreven:

‘(…)

Uit het gesprek is ons gebleken dat er geen bereidheid bij uw gemeente bestaat tot enige vorm van overleg waarbij de uitkomst van dat overleg tot een herziening of bijstelling van uw standpunt zou kunnen leiden. Een overleg waartoe wij nog steeds bereid zijn. Wij betreuren dit zeer. De door u aangevoerde argumenten kunnen niet kunnen leiden tot een legitieme beëindiging van de bestaande overeenkomsten, mede gelet op de tekst daarvan. Ook de invoering van een verordening heeft geen consequenties voor bestaande contractuele verbintenissen. De opzeggingen van beide overeenkomsten zijn daarmee wat ons betreft niet rechtsgeldig. (…)’

2.8. Op 19 oktober 2006 heeft de raad van de Gemeente de Leidingenverordening De Ronde Venen 2006 (hierna: de verordening) vastgesteld. Dit besluit van de raad is op 25 oktober 2006 gepubliceerd en per die datum in werking getreden. Op 23 oktober 2006 zijn de betrokken ondernemingen schriftelijk geïnformeerd over het besluit van de raad, over de voorgenomen publicatie en over de datum van de inwerkingtreding van de verordening. Aan Eneco is medegedeeld, dat als gevolg hiervan per die datum de overeenkomsten zijn geëindigd.

2.9. Bij brieven van 22 januari 2007 en 19 februari 2007 hebben partijen hun wederzijdse standpunten nogmaals uiteengezet. Overeenstemming werd niet bereikt.

3. Het geschil

3.1. Eneco c.s. vordert primair voor recht te verklaren dat de beëindiging door de Gemeente van de overeenkomsten zonder rechtsgevolgen is gebleven.

Subsidiair vordert zij voor recht te verklaren dat de Gemeente bij het beëindigen van de overeenkomsten geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen en de Gemeente deswege schadeplichtig is en voor recht te verklaren dat de beëindiging van de overeenkomsten eerst rechtsgevolg krijgt op 19 oktober 2011, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, althans de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door Eneco c.s. geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Zowel primair als subsidiair vordert zij de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Eneco c.s. heeft – samengevat – aangevoerd dat de Gemeente door de overeenkomsten op te zeggen heeft gehandeld in strijd met de wet, de overeenkomsten en het verbod van détournement de pouvoir. De door de Gemeente aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen de opzegging niet en evenmin is sprake van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat Eneco, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, ongewijzigde instandhouding van de overeenkomsten niet mocht verwachten.

Vordering Enbu

4.2. De Gemeente heeft allereerst ten verwere aangevoerd dat Enbu in geen enkele contractuele verhouding tot de Gemeente staat en dat het onduidelijk is op grond waarvan Enbu de onderhavige vorderingen jegens de Gemeente meent te kunnen instellen. Hierop is namens Eneco c.s. ter comparitie verklaard dat de vordering van Enbu gebaseerd is op onrechtmatige daad.

4.3. Uit het verhandelde ter comparitie volgt dat van de zijde van Eneco c.s. niet kan worden bevestigd dat er na de opzegging op verzoek van de Gemeente kabels zijn verlegd. Niet is komen vast te staan derhalve dat (enige) schade is geleden, zodat de vordering van Enbu reeds op die grond dient te worden afgewezen. De verklaring ter comparitie dat per 1 juli 2008 de economische eigendom van de netten door Eneco aan Enbu wordt overgedragen, zodat Enbu ook schade lijdt/gaat lijden, maakt het vorenstaande niet anders. Immers ook indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat sprake is van (toekomstige) schade voor Enbu en van onrechtmatig handelen van de Gemeente, dan nog is door Eneco c.s. te weinig gesteld om daaruit te concluderen dat ten tijde van de opzegging jegens Enbu onrechtmatig is gehandeld. De vordering van Enbu zal daarom worden afgewezen. De vordering van Eneco zal hierna worden besproken.

Vaststellingsovereenkomsten?

4.4. Eneco stelt allereerst dat de overeenkomsten vaststellingsovereenkomsten zijn in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die niet, althans niet eenzijdig beëindigd kunnen worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de overeenkomsten discussies voorkomen over de verplichting tot en de omvang van schadevergoeding wegens door of vanwege de Gemeente uitgevoerde reconstructiewerkzaamheden. De aard van vaststellingsovereenkomsten brengt, juist omdat zij zijn aangegaan om discussie te beëindigen of voorkomen, met zich dat het niet mogelijk is om tot eenzijdige beëindiging over te gaan.

4.5. De Gemeente betwist dat de overeenkomsten als vaststellingsovereenkomsten moeten worden gekwalificeerd. In het onderhavige geval hebben partijen als toentertijd publiekrechtelijke entiteiten die nauw aan elkaar verwant waren, beoogd een praktische regeling in het leven te roepen, maar niet beoogd een vaststellingsovereenkomst te sluiten ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen geldt.

4.6. De rechtbank overweegt dat in het algemeen overeenkomsten schriftelijk worden vastgelegd om misverstanden en geschillen over bepaalde onderwerpen te voorkomen. De enkele stelling dat de overeenkomsten zijn aangegaan om discussies over de (omvang van de) schadevergoeding te beëindigen of te voorkomen, maakt dan ook niet dat de overeenkomsten daarmee als vaststellingsovereenkomsten zijn aan te merken. Indien dat anders zou zijn, zouden immers de meeste schriftelijke overeenkomsten als vaststellingsovereenkomst kunnen worden aangemerkt.

4.7. In artikel 7:900 BW is bepaald dat bij een vaststellingsovereenkomst partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan. De bijzonderheid van een vaststellingsovereenkomst is dan ook daarin gelegen dat partijen niet enkel jegens elkaar een verbintenis aangaan maar zich tevens binden aan een vaststelling daarvan. Uit de tekst van de overeenkomsten kan niet zonder meer worden afgeleid dat de overeenkomsten het karakter hebben van een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in voornoemd artikel. Voor de vraag of de overeenkomsten desondanks als vaststellingsovereenkomsten moeten worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de (bepalingen in de) overeenkomsten mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.8. Eneco stelt dat partijen de overeenkomst met de bedoeling van een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan. Zij heeft erop gewezen dat de overeenkomsten zijn gesloten in de periode dat door uitspraken met betrekking tot nadeelcompensatieregelingen van de bestuursrechter duidelijk werd dat gemeenten niet bij vergunningverlening konden vastleggen dat kosten van verlegging sowieso voor rekening van de exploitant waren. Zij stelt dat naar aanleiding van die uitspraken (tussen partijen) discussie ontstond over wie de kosten van verlegging van leidingen moest dragen en dat partijen (vervolgens) de overeenkomsten met de bedoeling van een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan. De rechtbank volgt Eneco niet in dit standpunt. Nog afgezien van het feit dat het niet zonder meer gebruikelijk is dat een vaststellingovereenkomst het karakter van een duurovereenkomst heeft; indien partijen een vaststellingsovereenkomst hadden willen sluiten, had het, gelet op de door Eneco geschetste voorgeschiedenis, juist voor de hand gelegen dat partijen deze bedoeling met name in de overeenkomsten genoemd hadden. Nu Eneco de rechtbank voorts geen, althans geen voldoende onderbouwde, feiten of omstandigheden heeft aangereikt op grond waarvan de overeenkomsten dienen te worden gekwalificeerd als vaststellingsovereenkomsten, wordt het betoog van Eneco op dit punt verworpen.

Duurovereenkomsten; opzegging mogelijk?

4.9. Er is sprake van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd waarin niets is geregeld over de beëindiging. Eneco heeft aangevoerd dat, nu de overeenkomsten zelf niet voorzien in opzegging of ontbinding, de opzegging door de Gemeente zonder rechtsgevolg is gebleven. Zij stelt dat de omstandigheden die door de Gemeente zijn aangevoerd, niet voldoende zwaarwegend zijn om een opzegging van de overeenkomsten te rechtvaardigen. Met verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad van 3 december 1999 (NJ 2000, 120) en de conclusie van Advocaat-Generaal bij de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2001 (LJN: AD3961) betoogt zij dat wettelijke beëindigingsgronden zich niet voordoen nu Eneco haar verplichtingen uit de overeenkomst altijd is nagekomen en geen sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat Eneco naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomsten niet mag verwachten.

4.10. De Gemeente stelt dat bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd geldt dat deze met inachtneming van een redelijke termijn kunnen worden opgezegd en dat dit zal moeten worden beoordeeld aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval.

4.11. De rechtbank overweegt dat duurovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn gesloten en waarin niet in opzegging is voorzien, in beginsel opzegbaar zijn. Bij het ontbreken van een regeling kan opzegging met toepassing van artikel 6:248 BW toelaatbaar zijn; hetzij met toepassing van het eerste lid van artikel 6:248 BW, bij wege van aanvulling van de overeenkomst, hetzij met toepassing van het tweede lid van artikel 6:248 BW, omdat ongewijzigd voortduren van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is (zie ook HR 25 juni 1999, NJ 1999, 602). Het hangt van de aard en de inhoud van de overeenkomst in verband met de concrete omstandigheden van het geval af of en in hoeverre daarbij een opzegtermijn in acht genomen moet worden en of een voldoende (zwaarwichtige) grond en/of schadevergoeding vereist is. Voor de vraag of de overeenkomsten rechtsgeldig zijn opgezegd en zo ja of daarbij een redelijke opzegtermijn in acht is genomen, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

4.12. De Gemeente heeft aangevoerd dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten de Gemeente als aandeelhouder van de rechtsvoorgangers van Eneco nauw bij hen betrokken was, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de Gemeente aansprakelijk was voor pensioenafdracht en aanspraak op winstuitkering kon maken. Deze rechtsvoorgangers waren toen publiekrechtelijke nutsbedrijven zonder specifiek winstoogmerk. Als gevolg van de nieuwe wetgeving, onder meer de Electriciteitswet en de Gaswet, heeft een volledige privatisering van gas en elektra plaatsgevonden, waarbij de Gemeente haar aandelen heeft verkocht. Eneco is inmiddels geen publiekrechtelijk nutsbedrijf meer, maar een private onderneming met winstoogmerk. De Gemeente betwist, met verwijzing naar de website van Eneco, dat Eneco zich niet met levering bezighoudt en betoogt dat er bij de levering van nutsvoorzieningen sprake is van bedrijven met een winstoogmerk.

4.13. Volgens Eneco is geen sprake van een kleiner wordende binding respectievelijk van gewijzigde omstandigheden die beëindiging van de overeenkomsten rechtvaardigen. Een juridische band zal altijd blijven bestaan, omdat Eneco kabels in de grond van de Gemeente heeft liggen. Ter comparitie heeft Eneco betoogd dat leveringsbedrijven commercieel mogen opereren en dat de netwerkbeheerder dat niet mag. De liberalisering van de energiemarkt kan volgens Eneco niet worden aangemerkt als gewijzigde omstandigheid die beëindiging van de overeenkomsten rechtvaardigt. De liberalisering betreft immers alleen de levering, terwijl de overeenkomsten betrekking hebben op de infrastructuur/het beheren van de netten. Eneco houdt zich niet bezig met de levering.

4.14. De rechtbank verwerpt dit betoog van Eneco. De situatie op het moment van de opzegging vergeleken met die op het moment waarop de overeenkomsten zijn aangegaan, is er sprake van een wezenlijke verandering in de energiemarkt. Of Eneco zich al dan niet met levering bezighoudt en of de overeenkomsten al dan niet zien op levering, is daarbij niet van belang. De onderlinge verhoudingen tussen partijen zijn immers wezenlijk veranderd; de Gemeente houdt geen aandelen meer in (de rechtsvoorganger van) Eneco en Eneco is thans een private onderneming. Enkel deze veranderingen acht de rechtbank al van voldoende gewicht om een opzegging te rechtvaardigen. Dat de Gemeente in de REMU geen daadwerkelijke aandeelhoudster was, acht de rechtbank onvoldoende om met betrekking tot die overeenkomst anders te oordelen nu die overeenkomst is gesloten met dezelfde achtergrond namelijk dat het ging om twee lichamen met een publiekrechtelijke taak, dat de aandelen van REMU toebehoorden aan publiekrechtelijke lichamen en de REMU geen winstoogmerk had. Die situatie was ten tijde van de opzegging geheel veranderd.

De stelling van Eneco dat zij, gezien de looptijd van de overeenkomsten, er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de overeenkomsten door de Gemeente zouden worden nageleefd, volgt de rechtbank niet. De liberalisering van de markt speelde al enkele jaren voorafgaand aan de opzegging en dit was bij partijen bekend. Ook de vordering gegrond op de stelling dat de Gemeente door de opzegging van de overeenkomsten en de keus voor de verordening misbruik maakt van haar toekomende publieksrechtelijke bevoegdheden, kan niet slagen. Eerder maakt deze keus mogelijk dat de Gemeente partijen op de markt op gelijke wijze benadert en behandelt, wat naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen misbruik oplevert. De vordering op de primaire grondslag wordt derhalve afgewezen.

Opzegtermijn redelijk?

4.15. Voor de vraag of de Gemeente een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

4.16. Eneco stelt dat indien de rechtbank zou oordelen dat de overeenkomsten in dit geval wel opgezegd kunnen worden, dan in ieder geval door de Gemeente geen redelijke opzegtermijn is gehanteerd. Gezien de looptijd van beide overeenkomsten, 12 en 16 jaar, is een opzegtermijn van vier maanden te kort. Doordat de overeenkomsten op een korte termijn zijn opgezegd wordt zij benadeeld. Hoe zij zich op een dermate korte termijn aan de nieuwe situatie zou moeten aanpassen, is niet duidelijk. Daarnaast had de Gemeente in elk geval het initiatief tot overleg moeten nemen.

4.17. De Gemeente stelt met verwijzing naar arresten van de Hoge Raad (HR 21 juli 1991, NJ 1991, 742 en HR 7 december 2001, LJN: AD 3961) dat bij een duurovereenkomst de duur van de bij de opzegging in acht te nemen termijn wordt bepaald door de belangen van partijen en dat er geen regel bestaat dat bij duurovereenkomsten altijd een afbouwperiode in acht moet worden genomen. Volgens de Gemeente heeft de opzegging van de overeenkomsten geen directe gevolgen voor Eneco. De leidingen en kabels liggen na de opzegging nog steeds gratis in de grond van de Gemeente. Het enige verschil is dat de wijze waarop Eneco kosten voor het verleggen van kabels en leidingen als gevolg van reconstructiewerkzaamheden door de Gemeente vergoed kan krijgen. Hierop hoeft Eneco niet te anticiperen of zich anderszins op voor te bereiden, omdat er feitelijk niets verandert.

Indien de rechtbank zou oordelen dat de gehanteerde opzegtermijn geen redelijke zou zijn, verzoekt zij de rechtbank om de gehanteerde opzegtermijn te converteren in de zin van artikel 3:42 BW in een termijn die naar het oordeel van de rechtbank wel redelijk te noemen is.

4.18. Wettelijk is over de opzegtermijn bij duurovereenkomsten als hier aan de orde niets geregeld. Voor een aantal duurovereenkomsten is in de wet wel iets bepaald. Zo is bij de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in artikel 7:672 lid 2 sub d BW bepaald dat indien deze langer dan vijftien jaar heeft geduurd, de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging vier maanden bedraagt. Met betrekking tot een huurovereenkomst van woonruimte is in artikel 7:271 lid 5 sub b BW bepaald dat bij opzegging door de verhuurder de termijn niet korter mag zijn dan drie maanden, voor elk jaar dat de huurder krachtens overeenkomst ononderbroken het gehuurde in gebruik heeft gehad verlengd met één maand tot ten hoogste zes maanden.

4.19. Tegen deze achtergrond en de belangen van de Gemeente bij een opzegging op een korte termijn en de belangen van Eneco bij een opzegging op een lange termijn tegenover elkaar afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de in dit geval gehanteerde termijn van opzegging in het onderhavige geval redelijk is. De rechtbank acht de Gemeente dan ook niet schadeplichtig, nu zij deze opzegtermijn – bij brief van 4 juli 2006 is opgezegd tegen 19 oktober 2006 – heeft aangehouden.

4.20. De rechtbank heeft hierbij de volgende feiten en omstandigheden in acht genomen.

Vast staat dat de kabels en leidingen zonder een betaling daarvoor in de gemeentegrond liggen en dat vanaf het moment van de precario-overeenkomst voor de komende tien jaar geen vergoeding zal worden gevraagd. Ook staat als onvoldoende weersproken vast dat de situatie dat op verzoek van de Gemeente kabels verplaatst moesten worden, zich nog niet heeft voorgedaan. Niet gebleken is dat Eneco door de gehanteerde termijn daadwerkelijk is benadeeld of dat zij zich op de nieuwe situatie niet heeft kunnen voorbereiden; de liberalisering van de markt speelde immers reeds geruime tijd voor de opzegging. De stelling dat Eneco ten gevolge van de opzegging reserveringen zal moeten plegen en dat het administratieve rompslomp meebrengt, acht de rechtbank niet zwaarwegend genoeg om een langere opzegtermijn te rechtvaardigen. Weliswaar strekt de nadeelcompensatieregeling in de verordening niet zo ver als de kostenvergoeding in de overeenkomsten, maar deze omstandigheid rechtvaardigt, gelet op voorgaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank geen langere opzegtermijn dan de gehanteerde periode.

Nu uit de overgelegde correspondentie (genoemd onder 2.7. en 2.9.) volgt dat wel sprake is geweest van enig, hoewel niet vruchtbaar, overleg, gaat de rechtbank aan de stelling dat de Gemeente in elk geval het initiatief tot overleg had moeten nemen voorbij. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen bij de aandelenoverdracht wel de mogelijkheid hebben gehad te overleggen over de instandhouding dan wel opzegging van de overeenkomsten maar dit, al dan niet bewust, hebben nagelaten. Ook de vordering op de subsidiaire grondslag zal derhalve worden afgewezen.

4.21. Eneco c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Eneco c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.155,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2008.