Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9358

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
16-600314-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 maanden waarvan 3 maanden en 17 dagen voorwaardelijk voor poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600314-08

Datum uitspraak: 10 juli 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

wonende te [adres] [woonplaats].

Raadsman: mr. D.C. Vlielander.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

26 juni 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd (waarbij een wijziging tenlastelegging in feit 1 is toegestaan) dat:

1.

zij op of omstreeks 15 maart 2008 te Vianen, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [aangever1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een (groot) mes, althans een steekvoorwerp die [aangever1] meermalen, althans eenmaal, in de rug, althans het lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

zij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 15 maart 2008 te Vianen, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [aangever2] en/of [aangever3] en/of [aangever1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend -(meermalen) in de richting van voornoemde [aangever2] en/of [aangever3]

en/of [aangever1] gekeken en (daarbij) met haar vinger en/of hand een snijdende beweging langs de keel gemaakt en/of (daarbij) voornoemde [aangever2] en/of [aangever3] en/of [aangever1] dreigend de woorden toegevoegd : "ik maak jullie kapot" en/of "jullie gaan er aan", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

Vrijspraak

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit betoogd dat het bestanddeel “na kalm beraad en rustig overleg” niet bewezen kan worden. Hiertoe voert hij aan – onder verwijzing naar de pro justitia rapportage van A. Keegan, psychiater in opleiding en E.A.M. Schouten, psychiater, d.d. 29 mei 2008 dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde aan een depressie en paniekstoornis leed en last had van ontwenningsverschijnselen ten gevolge van het staken van de haar voorgeschreven medicatie, op grond waarvan de rapporteurs ook adviseren om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een geestelijke stoornis op zichzelf de bewezenverklaring van “kalm beraad en rustig overleg” niet in de weg hoeft te staan . Ook een “zieke geest” kan handelen na kalm beraad en rustig overleg. De vraag of is bewezen dat een verdachte met opzet en voorbedachte raad heeft gehandeld, is een geheel andere dan de vraag in welke mate het bewezen feit de verdachte kan worden toegerekend.

Voorts overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verdachte een vooropgezet plan had om [aangever1] te doden. Het feit dat zij voorafgaande aan het steekincident vanuit een auto een snijdende beweging langs haar keel heeft gemaakt in de richting van die [aangever1], is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat bij verdachte dus sprake was van een vooropgezet plan. Uit de diverse getuigenverklaringen lijkt veeleer aannemelijk dat de handelingen van verdachte plaats hebben gevonden in een voortdurende heftige gemoedsbeweging. Verdachte is weliswaar kortstondig in haar woning geweest om het mes te pakken, maar dat verdachte in die woning enig moment van rust of bezinning heeft gehad, gedurende welke zij over de betekenis van haar daden en de gevolgen daarvan heeft nagedacht, is onvoldoende vast komen te staan.

De rechtbank heeft derhalve op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging verkregen dat verdachte zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank spreekt verdachte tevens vrij van de onder 1 tenlastegelegde poging tot doodslag.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zicht weinig tot niets te kunnen herinneren van hetgeen is voorgevallen op 15 maart 2008. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting noch uit het tegen verdachte opgemaakte proces-verbaal valt de opzet tot het plegen van het ten laste gelegde feit door verdachte af te leiden.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er in het onderhavige geval mogelijk sprake is van voorwaardelijk opzet op het beoogde gevolg.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in casu moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Omdat in het onderhavige geval uit de medische informatie onvoldoende duidelijk blijkt waar in de rug van de aangever precies gestoken is en met wat voor een mes er gestoken is, is onvoldoende vast komen te staan dat de aanmerkelijke kans dat het dodelijke gevolg zou intreden aanwezig was.

De bewezenverklaring

Ten aanzien van feit 1 komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling. Uit de aangifte en de medische gegevens blijkt dat aangever op

15 maart 2008 te Vianen in zijn rug gestoken is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich weinig van het voorval kan herinneren, maar wel weet zij zich te herinneren dat zij aangever gestoken zou hebben. De rechtbank is van oordeel dat het steken in de rug maakt dat de kans in ieder geval aanwezig is dat dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge kan hebben.

Ten aanzien van feit 2 komt de rechtbank tevens tot een bewezenverklaring.

Zowel [aangever1], als [aangever2] en [aangever3] verklaren alle drie in hun aangifte dat verdachte op 15 maart 2008 in het arrondissement Utrecht snijdende bewegingen langs haar keel gemaakt heeft. [aangever1] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard: “Ik zag dat [verdachte] snijdende bewegingen langs haar keel maakte”. [aangever2] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard: “Ik zag dat [verdachte] in onze richting keek en met haar vinger een snijdende beweging lang haar keel maakte. Ik vond dat erg bedreigend. Later zag ik dat [verdachte] met haar vinger een snijdende beweging langs haar keel maakte in onze richting”.

En [aangever3] heeft in haar aangifte verklaard: “[verdachte] maakte steeds in onze richting gebaren met haar vinger langs haar keel.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze dat:

1.

zij op 15 maart 2008 te Vianen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een mes, die [aangever1] meermalen in de rug heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

zij op meerdere tijdstippen op 15 maart 2008 in het arrondissement Utrecht, [aangever2] en/of [aangever3] en/of [aangever1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend

-meermalen in de richting van voornoemde [aangever2] en/of [aangever3]

en/of [aangever1] gekeken en daarbij met haar vinger en/of hand een snijdende beweging langs de keel gemaakt;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, door met een auto op de openbare weg een andere auto te achtervolgen, in een situatie gebracht die niet alleen voor haar en de personen in de achtervolgde auto zeer gevaarlijk is, maar die tevens voor andere, onschuldige weggebruikers, als zeer dreigend ervaren kan worden. Tijdens deze achtervolging heeft verdachte de inzittenden van een andere auto ernstig bedreigd. Na deze wilde achtervolging heeft verdachte aangever in de rug gestoken. Deze handeling heeft ook plaatsgevonden op de openbare weg en is zichtbaar geweest voor willekeurige omstanders. Als gevolg van de toegebrachte messteek heeft het slachtoffer letsel opgelopen, te weten een steekwond in de rug. Verdachte heeft door haar handelwijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Door een dergelijk feit worden gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 28 april 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Reclassering Nederland

d.d. 25 juni 2008, opgemaakt door M.M. Schram, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 29 mei 2008 van A. Keegan, psychiater in opleiding, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten door de ontwenningsverschijnselen en de beperkte copingstijl ten gevolge van haar persoonlijkheidsstoornis een verminderde inpulsbeheersing had en dat geadviseerd wordt verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 15 maanden en 17 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt behandeling bij Het Dok of een soortgelijke instelling;

- een werkstraf van 240 uur.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Nu verdachte vrijgesproken wordt van poging tot moord en poging tot doodslag kan naar het oordeel van de rechtbank met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De vordering van de benadeelde partij [aangever1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 88,02 wegens materiële schade en een bedrag van € 790,- wegens immateriële schade.

Een deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 500,- en de materiële schade wordt begroot op € 88,02.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 588,02 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden en 17 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook als dat inhoudt behandeling bij Het Dok of een soortgelijke instelling.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever1], wonende te Vianen, ten dele toe tot een bedrag van € 588,02 (zegge vijfhonderd achtentachtig euro en twee cent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 588,02 (zegge vijfhonderd achtentachtig euro en twee cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs A.J.P. Schotman, N.V.M. Gehlen en M.H.L. Schoenmakers, bijgestaan door mr. P. Groot-Smits als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2008.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.