Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9320

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
16-600050-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

60 uur werkstraf voor mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600050-07

Datum uitspraak: 12 juni 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren [geboortedatum]1979 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende [woonadres], [woonplaats].

Raadsman: mr. R.P.G. van der Weide.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 mei 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Woudenberg, althans in het arrondissement Utrecht, aan [aangever1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een blauw oog en/of een hersenschudding en/of een of meer losse tand(en)), heeft toegebracht, door voornoemde [aangever1] opzettelijk vijf, althans een of meer maal opzettelijk in/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft gestompt en/of geslagen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Woudenberg, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Woudenberg, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever1], meermalen althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [aangever1] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Woudenberg, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in diens been gestoken/gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Woudenberg, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever2], met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de/het been/benen heeft gestoken en/of gesneden, waardoor voornoemde [aangever2] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair, subsidiair en 2 is ten laste gelegd.

Voor wat betreft het ten laste gelegde feit onder 1 primair en subsidiair hebben zowel de raadsman als de officier van justitie vrijspraak bepleit en gevorderd. De rechtbank komt ook tot een vrijspraak nu niet is komen vast te staan dat verdachte aangeefster [aangever1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, danwel gepoogd heeft dit toe te brengen. Wel acht de rechtbank, gelijk aan de vordering van de officier van justitie, maar in tegenstelling tot de bepleite vrijspraak van de raadsman, feit 1 meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen. De bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair wordt onder het kopje ‘bewezenverklaring’ verder uitgewerkt.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren. De raadsman heeft een integrale vrijspraak bepleit voor feit 2.

De rechtbank komt ook tot een integrale vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk wat er precies voor de grillroom gebeurd is. Niet duidelijk is geworden of de snee in het been van aangever [aangever2] in de deuropening van de grillroom ontstaan is of voor de grillroom op straat. Uit de verklaring van aangever [aangever2] blijken onvoldoende aanknopingspunten dat de snee opzettelijk is veroorzaakt door verdachte. Uit zijn verklaring, afgelegd bij de politie, volgt immers dat hij zelf trappend op verdachte is afgestormd. Dat verdachte zelf actief een voorwerp in handen heeft genomen om aangever [aangever2] te verwonden, volgt daaruit niet.

De rechtbank hecht in dit verband geen waarde aan de nadere toelichting die [aangever2] daarop heeft gegeven aan de rechter-commissaris, omdat deze verklaring geen basis vindt in de eerdere verklaring afgelegd bij de politie, maar daarmee juist in strijd is.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat uit de door verdachte zelf afgelegde verklaring volgt dat hij met een voorwerp op het been van [aangever2] heeft geslagen. Deze verklaring van verdachte is echter moeilijk te rijmen met de snee in het been van [aangever2] en de diverse getuigenverklaringen hieromtrent.

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging verkregen dat verdachte de onder 1 primair, subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De raadsman heeft betoogd dat er slechts twee vaststaande feiten uit alle verschillende verklaringen opgemaakt kunnen worden. Het eerste vaststaande feit is dat er geslagen is en het tweede vaste gegeven is dat aangeefster [aangever1] letsel heeft. Verder is het een wirwar aan verklaringen. De raadsman vindt dat er geen bewijs is voor het door zijn cliënt opzettelijk toebrengen van enig letsel. Zijn cliënt heeft niet willens en wetens mevrouw [aangever1] geslagen. Omdat de opzet ontbreekt, pleit de raadsman voor integrale vrijspraak van feit 1.

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen vindt de rechtbank in de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, de aangifte van mevrouw [aangever1], de verklaringen van [getuige1] en [getuige2].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 20 mei 2006 te Woudenberg in de bar [M.] is geweest. Toen hij weg wilde gaan, moest hij via een smalle steeg naar de straat. In de steeg stonden wat mensen die woorden met elkaar hadden. Verdachte heeft gevraagd of hij er langs mocht. Daar is de vechtpartij ontstaan. Verdachte voelde klappen op zijn lichaam en heeft om zich heen geslagen. Hierbij heeft hij waarschijnlijk aangeefster [aangever1] geraakt.

Aangeefster [aangever1] heeft bij de politie verklaard dat zij buiten bij [M.] in een steeg stonden. [getuige2] en [getuige1] kregen woorden met elkaar. Zij zag een man in haar richting lopen. Ze zag en voelde dat deze man haar met gebalde vuist vijfmaal met kracht tegen de linkerzijde van haar gezicht sloeg. Zij voelde hevige pijn. Zij is later die dag naar het ziekenhuis geweest alwaar een blauw oog, een hersenschudding en een aantal losse tanden in haar gebit geconstateerd werden.

Getuige [getuige1] heeft bij de politie verklaard dat hij met [getuige2] buiten bij [M.] een woordenwisseling kreeg. Daarna zag hij een jongen naar buiten komen. Deze jongen zei wat en sloeg vervolgens [aangever1] meerdere malen op de linkerzijde van haar gezicht.

Getuige [getuige2] heeft bij de politie verklaard dat zij en [getuige1] buiten bij [M.] ruzie kregen. Daarna zag zij dat een jongen zich omdraaide in de richting van [aangever1] en met kracht drie tot vijf maal met zijn vuist op het linkeroog van [aangever1] sloeg.

Vast staat dat er buiten bij [M.] tussen de aanwezigen ruzie, althans een woordenwisseling heeft plaatsgevonden. Daarna is verdachte naar buiten gekomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op dat moment wel geslagen heeft, maar dit niet zonder aanleiding gedaan heeft. Uit de verschillende verklaringen valt echter niet op te maken wat deze aanleiding precies geweest is.

Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat aangeefster op de rug van verdachte is gesprongen of dat zij verdachte een duw in de rug heeft gegeven, dan nog is niet aannemelijk geworden dat het geweld dat verdachte gebruikt heeft past binnen de grenzen van een door de eventuele aanval van aangeefster geboden verdediging. Verdachte moet, gezien het letsel, zeer gericht en met kracht geslagen hebben. Hierdoor heeft verdachte het conflict doen escaleren naar een hoger geweldsniveau.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

meer subsidiair

hij op 20 mei 2006 te Woudenberg, opzettelijk mishandelend [aangever1], meermalen tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [aangever1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Hetgeen onder 1 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aangeefster verwond, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.

Verdachte heeft hiermee de lichamelijke integriteit van aangeefster geschonden.

Bovendien wordt door dergelijk handelen op de openbare weg ernstig inbreuk gemaakt op de gevoelens van veiligheid in de maatschappij.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 27 mei 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder wegens geweldsdelicten is veroordeeld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 primair, subsidiair en feit 2 primair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest, geheel voorwaardelijk;

- een werkstraf van 120 uur.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf als na te melden passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [aangever1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 90,- wegens materiële schade en een bedrag van € 750,- wegens immateriële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 250,-.

De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van

30 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever1], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 250,- (zegge tweehonderdvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 250,- (zegge tweehonderdvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs A. Wassing, D.C.P.M. Straver en Y.A.T. Kruijer, bijgestaan door P. Groot-Smits als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2008.

Mr. Y.A.T. Kruijer, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.