Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9260

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
235237/ HA ZA 07-1528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, sprintplan, 30-70%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 235237 / HA ZA 07-1528

Vonnis van 6 augustus 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

h.o.d.n. Spaarbeleg,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 oktober 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal.

In zijn arrest van 15 november 2007 (in de zaak GeSp, LJN BB7971) heeft het Hof Amsterdam (onder meer) geoordeeld dat -kort gezegd- de SprintPlan-overeenkomsten tot stand zijn gekomen doordat de persoon die het verlangen had zo’n overeenkomst aan te gaan een ingevuld inschrijfformulier aan Spaarbeleg heeft doen toekomen (aan te merken als aanbod tot het aangaan van een SprintPlan-overeenkomst) en doordat Spaarbeleg het in dat formulier uitgesproken verlangen vervolgens heeft gehonoreerd en aan die persoon (de deelnemer) een door haar ondertekend certificaat heeft doen toekomen (aanvaarding van het aanbod). In vervolg hierop heeft het Hof vastgesteld dat het ‘welkomstpakket’ met informatie betreffende het SprintPlan, dat (veelal) door Spaarbeleg gelijktijdig met het certificaat aan de deelnemer is toegezonden, door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand gekomen was. De inhoud van het welkomstpakket dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling van wat de deelnemer op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het Sprintplan. Het Hof heeft dan ook slechts de op voorhand aan de deelnemers verstrekte brochure betreffende het SprintPlan en de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden in dat verband in zijn oordeel betrokken.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

2.3. In de onderhavige zaak is niets gesteld over de samenvatting van de algemene voorwaarden. Daarvan is door Spaarbeleg ook geen exemplaar overgelegd. Uit de verklaring van [eiser] ter comparitie kan echter worden afgeleid dat hij voorafgaand aan het sluiten van de Sprintplan-overeenkomst een brochure heeft ontvangen. Hij heeft immers verklaard dat hij voor het sluiten van de overeenkomst een folder en een inschrijfformulier kreeg thuisgestuurd. De rechtbank gaat er van uit dat de folder die [eiser] stelt te hebben ontvangen de brochure betreft die in deze procedure door Spaarbeleg is overgelegd. Niet gesteld of gebleken is immers dat [eiser] een brochure/folder met een andere inhoud heeft ontvangen. Bij de beoordeling van wat [eiser] op het moment van het aangaan van de Sprintplan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het Sprintplan, zal de rechtbank zich dan ook baseren op de door Spaarbeleg overgelegde brochure.

2.4. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. [eiser] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier van Spaarbeleg een certificaat ontvangen. Voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst heeft [eiser] een brochure/folder ontvangen.

3.2. Het door [eiser] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 3 mei 1999 tot en met 30 april 2004. [eiser] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van EUR 181,82 (NLG 400,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van EUR 10.909,20. [eiser] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

4. Het geschil

4.1. [eiser] vordert - samengevat - Spaarbeleg te veroordelen tot terugbetaling van alle door hem aan Spaarbeleg, althans diens ingeschakelde hulppersonen, betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve data van betaling wegens:

- nietigheid van de overeenkomst op grond van strijd met artikel 9 van de Wck,

- ontbinding van de overeenkomst op grond van schending van de zorgplicht en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverplichting,

- vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling,

- schadevergoeding op grond van misleidende reclame en/of onrechtmatig handelen.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.1. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007 (LJN BB9779) overeenkomstig geoordeeld. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiser], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.2. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De vordering tot ontbinding wordt daarom afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.3. [eiser] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat hij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan. Naar zijn mening kan het gebrek aan door Spaarbeleg verstrekte informatie in redelijkheid niet voor zijn rekening blijven. Primair beroept hij zich op het ontbreken van een voor de rechtshandeling vereiste, op een rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW). Subsidiair stelt hij dat er sprake is van dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW.

Hij heeft aangevoerd dat hij is benaderd door een tussenpersoon die hem heeft gezegd dat hij altijd zijn inleg (met rendement) zou terugkrijgen. Ter comparitie heeft hij toegelicht dat hij op 22 april 2003 een brief van Aegon kreeg waarin stond dat het rendement niet zou worden gehaald en dat hij het risico liep dat hij zijn inleg kwijt zou zijn. Hij heeft verklaard dat hij pas toen besefte dat al zijn geld kon kwijtraken.

5.4. Spaarbeleg heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering tot vernietiging op grond van dwaling is verjaard. De verjaringstermijn is naar haar mening (in elk geval) op 22 april 2003 gaan lopen nu [eiser] blijkens zijn verklaring ter comparitie toen besefte dat hij zijn inleg kwijt zou raken.

5.5. Ingevolge artikel 3:52 aanhef sub c BW verjaart de vordering tot vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling drie jaar nadat de dwaling is ontdekt. Op grond van het bepaalde in artikel 3:317 lid 2 BW kan deze verjaring worden gestuit door een schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:316 BW (onder andere het instellen van de eis).

In het onderhavige geval is Spaarbeleg op 20 maart 2007 door de raadsman van [eiser] schriftelijk aangemaand. De dagvaarding is binnen de termijn van zes maanden na 20 maart 2007 (op 6 augustus 2007) uitgebracht. Nu [eiser] heeft verklaard dat hij op 22 april 2003 besefte dat hij al zijn geld kon kwijtraken, is de verjaringstermijn van drie jaar (in elk geval) op 22 april 2003 aangevangen. Niet gesteld of gebleken dat al eerder dan 20 maart 2007 schriftelijk is aangemaand als bedoeld in artikel 3:317 lid 2 BW. Dit betekent dat met de schriftelijke aanmaning van 20 maart 2007 – bijna vier jaar na het ontdekken van de (gestelde) dwaling – geen sprake is van een rechtsgeldige stuiting van de verjaring. Het verweer dat de vordering tot vernietiging op grond van dwaling is verjaard, slaagt dan ook. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op dwaling.

5.6. De vordering gegrond op het ontbreken van een op rechtsgevolg gerichte wil (3:33 BW) zal worden afgewezen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat Spaarbeleg in de gegeven omstandigheden de ondertekening van het inschrijfformulier niet heeft mocht opvatten als een verklaring met de strekking dat [eiser] een overeenkomst met haar aan wilde gaan.

Misleidende reclame

5.7. [eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op misleidende reclame niet concreet onderbouwd. Ook uit de overige stellingen van [eiser] met betrekking tot zijn vordering gebaseerd op dwaling, kan niet worden afgeleid dat de door Spaarbeleg verstrekte informatie misleidend was in de zin van artikel 6:194 BW.

5.8. De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, recent nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. [eiser] had dan ook bij oplettende bestudering van de aan hem voor of bij het sluiten van de overeenkomst verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen wat het SprintPlan inhield en dat het niet een spaarproduct betrof. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) reeds uitgebreid gemotiveerd dat naar haar oordeel de door Spaarbeleg verstrekte informatie betreffende het SprintPlan niet misleidend is in de zin van artikel 6:194 BW. Misschien wekte de informatie van Spaarbeleg wel verwarring, maar deze is niet misleidend. Ook het Hof Amsterdam heeft op 15 november 2007 (LJN 7971) geoordeeld dat Spaarbeleg niet onrechtmatig heeft gehandeld door het openbaar maken of laten maken van misleidende mededelingen over het SprintPlan voor het aangaan daarvan. Nu [eiser] in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.9. In navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze Algemene Voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst. Uitgegaan dient te worden van de informatie die [eiser] heeft ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming ervan, te weten de brochure als overgelegd door Spaarbeleg. In de brochure is vermeld dat Spaarbeleg direct een groot bedrag voorschiet en dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts wordt aangegeven dat het bedrag in het Aegon Garantiefonds wordt belegd en dat de deelnemer alleen risico loopt over de rentebetalingen (en over 10% van het voorgeschoten bedrag). De looptijd is vijf jaar en nadien wordt de waarde van de belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag. Tot slot is vermeld dat bij tussentijdse beëindiging de waarde van het SprintPlan hoger of lager kan zijn dan de garantiewaarde.

5.10. [eiser] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer in het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] en naar zijn beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiser] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiser].

5.11. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.12. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico’s geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.13. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen (sparen voor het bouwen van een eigen huis). Hij heeft tevens verklaard dat hij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als hem duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico’s verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

schade

5.14. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geleende geld zelf, of aan een ander doel te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

eigen schuld

5.15. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren.

5.16. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.17. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.18. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.19. Ten aanzien van [eiser] zijn de volgende omstandigheden van belang.

[eiser] is geboren op 24 juni 1979 en was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst negentien jaar oud. Hij heeft verklaard dat hij toen thuis woonde en net een baan had bij een wegenbouwbedrijf waar hij werkte als machinist. Hij had een opleiding afgerond op MBO/LTS niveau en zijn bruto-inkomen was NLG 3.500,-- (EUR 1.588,23) per maand. Verder had hij een bedrag van NLG 10.000,-- (EUR 4.537,80) gespaard. Hij heeft voorts gesteld dat hij geen beleggingservaring heeft.

5.20. Gelet op de jonge leeftijd van [eiser], zijn gemiddelde opleiding, nog maar korte werkervaring en het feit dat de overeenkomst is aangegaan na bemiddeling van een tussenpersoon en het vertrouwen dat [eiser] (blijkbaar) in hem had – daargelaten wat er van de juistheid van de stellingen van [eiser] over de uitlatingen van de tussenpersoon zij –, ziet de rechtbank aanleiding om (iets) ten voordele van [eiser] af te wijken van het hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schaalverdeling, in die zin dat 30% van de schade voor rekening van [eiser] wordt gelaten. Daarbij is meegewogen dat de inkomenspositie van [eiser] ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst redelijk was, hij thuiswonend was, dat hij door de slechte afloop van de overeenkomst wel veel geld heeft verloren maar thans niet ernstig financieel gedupeerd is. Dit betekent dat 70% van de schade voor rekening van Spaarbeleg komt, derhalve EUR 7.636,44 (70% van EUR 10.909,20).

5.21. Anders dan Spaarbeleg stelt, is voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds 70 % van de maandelijks door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

5.22. Spaarbeleg zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.239,31

5.23. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 7.636,44 (zevenduizend zeshonderdzesendertig duizend euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over 70% van de maandelijks door [eiser] aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.239,31,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008.

w.g. griffier w.g. rechter