Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9254

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
233465/ HA ZA 07-1296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opschorting, misbruik van bevoegdheid, wanprestatie, verzuim, terstond nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 233465 / HA ZA 07-1296

Vonnis van 6 augustus 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHUTTERSWEG ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Bussum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOLS PROJECT ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Breukelen,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procureur mr. P.J. Soede.

Eiser in conventie tevens verweerder in reconventie zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden in conventie tevens eiseressen in reconventie zullen gezamenlijk Schuttersweg c.s. worden genoemd. Gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie sub 1 zal Schuttersweg worden genoemd en gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie sub 2 zal Dols worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Schuttersweg was voorheen genaamd BK Bouw Projectontwikkeling B.V. (afgekort BK) en Dols was voorheen genaamd Breukeloever B.V.

2.2. [eiser] is eigenaar van een perceel met daarop een woonhuis en een garage, staande en gelegen aan de [adres]. Achter dit perceel bevindt zich een voormalig bedrijfsterrein welk terrein eigendom was van [eiser] Logistiek B.V.

2.3. De ligging van de garage van [eiser] is dusdanig dat deze alleen te bereiken is via het bedrijfsterrein.

2.4. [eiser] Logistiek B.V. heeft dit terrein in 2004 verkocht aan Schuttersweg. Nadat tussen beide partijen een verschil van mening was ontstaan over de levering van het terrein, is tussen hen (waarbij [eiser] Logistiek B.V. werd aangeduid met “[eiser]”) een vaststellingovereenkomst gesloten waarin onder meer is opgenomen:

Artikel 1.1: De percelen zullen uiterlijk 10 juni 2005 door [eiser] onvoorwaardelijk aan BK worden geleverd (…).

Artikel 3.2: [eiser] zal zich onthouden van al hetgeen de planuitvoering van BK kan (doen) schaden. [eiser] garandeert in dit verband in het bijzonder dat door of namens haar geen bezwaar of beroep zal worden ingesteld tegen door BK voorgenomen bouw- en/of sloopplannen (…).

2.5. Schuttersweg heeft het door [eiser] Logistiek B.V. geleverde terrein op haar beurt verkocht aan Dols.

2.6. Voornoemd bedrijfsterrein wordt ontwikkeld tot woonwijk. Op 17 mei 2006 heeft de gemeente Wijdemeren hiertoe een vergunning verleend aan Dols waartegen [eiser] op 8 juni 2006 een bezwaarschrift heeft ingediend.

2.7. Op 8 augustus 2006 bleek dat de gemeente akkoord ging met het draaien van de garage van [eiser] en het realiseren van een uitrit op de [straat] zodat [eiser] niet meer over het bedrijfsterrein hoeft om zijn garage te bereiken.

2.8. Mr. M.H.C. de Kok (hierna mr. De Kok) heeft namens zijn cliënte(n) Schuttersweg en/of Dols op 15 augustus 2006 positief gereageerd op een van diezelfde datum daterend voorstel van [eiser]. De bereikte overeenstemming kwam in hoofdlijnen op het volgende neer:

- [eiser] trekt zijn ingediende bezwaarschrift in;

- tegenover deze intrekking staat dat Schuttersweg en/of Dols voor eigen rekening de garage en de pergola, beiden inclusief fundering, slopen en afvoeren, de beplanting langs de erfgrens verwijderen en afvoeren, een lantaarnpaal en CAI-kast verplaatsen, een ondergrondse olietank verwijderen en aan [eiser] een bedrag van € 6.000,- betalen binnen 14 dagen na intrekking van het bezwaarschrift.

2.9. [eiser] heeft zijn bezwaarschrift op 15 augustus 2006 ingetrokken.

2.10. Op 1 november 2006 heeft de raadsman van [eiser] een faxbericht verzonden aan mr. De Kok waarin werd medegedeeld dat de afgesproken te verrichten werkzaamheden nog niet waren uitgevoerd.

2.11. Op 17 november 2006 is wederom een faxbericht verzonden aan mr. De Kok met daarin het verzoek en tevens de sommatie om de afgesproken werkzaamheden vóór 1 december 2006 uit te voeren, bij gebreke waarvan [eiser] zich vrij achtte deze werkzaamheden te laten uitvoeren door derden maar voor rekening van Schuttersweg c.s.

2.12. De afgesproken werkzaamheden waren op 1 december 2006 niet verricht zodat op die dag een faxbericht van de zijde van [eiser] naar mr. De Kok werd gestuurd waarin hem werd medegedeeld dat ervan uitgegaan werd dat Schuttersweg c.s. onvoorwaardelijk instemde met het voor hun rekening laten uitvoeren van de werkzaamheden door derden.

2.13. Bij faxbericht van 5 december 2006 liet Schuttersweg aan mr. De Kok weten dat zij wel voornemens was de werkzaamheden uit te voeren maar dat een afspraak voor overleg hierover op 15 november 2006 niet had kunnen doorgaan omdat het niet was gelukt daarbij tijdig aanwezig te zijn. Er zou een nieuwe afspraak worden gemaakt, maar zover was het niet gekomen. Volgens Schuttersweg zou deze afspraak alsnog worden gemaakt zodra de sanering van het terrein weer zou worden opgestart.

2.14. [eiser] heeft derden ingeschakeld om de afgesproken werkzaamheden uit te voeren ten bedrage van € 2.920,40. [eiser] heeft Schuttersweg c.s. op 26 februari 2007 gesommeerd dit bedrag alsmede de overeengekomen vergoeding voor het intrekken van het bezwaarschrift van € 6.000,- binnen vijf dagen te betalen. De betaling hiervan is uitgebleven.

2.15. [eiser] heeft op 19 maart 2007 nog een nota (voor het verplaatsen van de lichtmast) ten bedrage van € 414,88 ontvangen. Ook dit bedrag werd ondanks een verzoek en sommatie daartoe niet door Schuttersweg c.s. voldaan.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van Schuttersweg c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- tot betaling van EUR 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2006, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- tot betaling van EUR 2.920,40,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2007, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- tot betaling van EUR 414,88, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2007, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- tot betaling van EUR 1.075,76 inzake buitengerechtelijke (incasso)kosten;

- in de kosten van dit geding.

3.2. Schuttersweg c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. Schuttersweg c.s. vordert samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- dat de rechtbank voor recht verklaart dat [eiser] schadeplichtig is ten opzichte van Schuttersweg c.s.;

- veroordeling van [eiser] tot voldoening van alle door Schuttersweg c.s. geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, zulks vanaf 8 juni 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding.

4.2. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1. Gelet op de verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

5.2. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat Schuttersweg c.s. op grond van de tussen partijen bestaande overeenkomst van 15 augustus 2006, zoals beschreven onder 2.8., gehouden is de gevorderde bedragen te voldoen.

Vergoeding intrekken bezwaarschrift ad € 6.000,-.

Allereerst stelt [eiser] dat nu hij het bezwaarschrift op 15 augustus 2006 heeft ingetrokken en de daar tegenoverstaande vergoeding van € 6.000,- niet binnen de overeengekomen 14 dagen en evenmin na sommatie van 26 februari 2007 is voldaan, de vordering tot nakoming daarvan opeisbaar is geworden.

5.3. Ter afwering van de vordering is allereerst aangevoerd dat Schuttersweg geen partij zou zijn bij de onder 2.8. beschreven overeenkomst. Voor zover er sprake is van een aan eiser te betalen bedrag, zal dit gedragen worden door Dols.

5.4. [eiser] betwist de onder 5.3. genoemde stelling. Volgens hem is de overeenkomst van 15 augustus 2006 tussen Schuttersweg c.s. en hem gesloten. Mr. De Kok sprak telkens over “zijn cliënten”, daarbij doelend op zowel Schuttersweg als Dols. Volgens [eiser] valt derhalve niet in te zien waarom Schuttersweg geen partij zou zijn bij voornoemde overeenkomst met hem.

5.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het faxbericht van 5 december 2006, zoals genoemd onder 2.13., valt op te maken dat Schuttersweg zichzelf gehouden acht de met [eiser] afgesproken werkzaamheden te verrichten. Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat Schuttersweg partij is bij de met [eiser] gesloten overeenkomst van 15 augustus 2006. Nu Dols heeft erkend (eveneens) partij te zijn bij voornoemde overeenkomst, gaat de rechtbank er van uit dat de overeenkomst van 15 augustus 2006 is gesloten tussen [eiser] en Schuttersweg c.s. Dit zal dan ook als uitgangspunt worden genomen bij de verdere beoordeling van het geschil. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er tevens van uit dat de verweren niet alleen namens Dols maar mede namens Schuttersweg worden gevoerd.

5.6. Schuttersweg c.s. heeft erkend de door [eiser] gevorderde € 6.000,- aan vergoeding voor het intrekken van het bezwaarschrift verschuldigd te zijn maar beroept zich echter op een opschortingsrecht. Zij acht zich daartoe gerechtigd nu zij een opeisbare vordering tot schadevergoeding heeft op [eiser] welke bij eis in reconventie wordt gevorderd. De schade zal volgens Schuttersweg c.s. hoger uitvallen dan de door haar aan [eiser] verschuldigde € 6.000,- zodat haar een beroep op opschorting toekomt, zulks vooruitlopend op verrekening.

5.7. Alvorens te kunnen beoordelen of het beroep op opschorting gerechtvaardigd is, zal eerst de daarmee samenhangende eis in reconventie door de rechtbank beoordeeld moeten worden.

Eis in reconventie.

5.8. De vordering tot schadevergoeding wordt allereerst gebaseerd op het feit dat [eiser] de verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst (omschreven onder 2.4.) niet is nagekomen door ondanks de gegeven garantie dat niet te doen, toch een bezwaarschrift tegen de verleende vergunning in te dienen. [eiser] dient de schade die hieruit is voortgevloeid te vergoeden, aldus Schuttersweg c.s. Voor zover [eiser] aanvoert dat de vaststellingsovereenkomst door [eiser] Logistiek B.V. is getekend, kan zulks er volgens Schuttersweg c.s. niet toe leiden dat die overeenkomst [eiser] privé niet zou raken. Dat zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid en met hetgeen er in de overeenkomst is opgenomen te weten: “dat zij de gemaakte afspraken op loyale wijze zullen uitvoeren”.

5.9. Daarnaast wordt de vordering tot schadevergoeding gebaseerd op het feit dat [eiser] misbruik van een bevoegdheid heeft gemaakt in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (hierna BW). Volgens Schuttersweg c.s. heeft [eiser] bezwaar ingesteld met geen ander doel dan het schaden van Schuttersweg c.s. en had [eiser] gezien de over en weer bestaande belangen in redelijkheid niet tot uitoefening (lees: tot het instellen van bezwaar) mogen overgaan. De stelling van Schuttersweg c.s. dat [eiser] haar slechts wilde schaden wordt (onder meer) onderbouwd met het feit dat het bezwaar was gebaseerd op een juridisch niet houdbare stelling, namelijk dat sprake zou zijn van een door verjaring verkregen recht van overpad.

5.10. [eiser] betwist tekort te zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de vaststellingsovereenkomst als beschreven onder 2.4. Deze vaststellingsovereenkomst is volgens hem gesloten tussen

[eiser] Logistiek B.V. en Schuttersweg c.s. [eiser] was zelf geen partij bij die overeenkomst en werd daar dan ook niet door belemmerd. Naar zijn mening was hij derhalve gerechtigd een bezwaarschrift in te dienen.

5.11. [eiser] stelt dat zijn reden voor het indienen van het bezwaar was dat zijn garage niet stond ingetekend in de bijlage van de vergunning en er geen rekening werd gehouden met een vrije bereikbaarheid van zijn garage terwijl dit wel door Schuttersweg was toegezegd danwel op grond van een door verjaring verkregen recht van overpad hem toe zou komen. [eiser] is dan ook van mening dat hij derhalve een rechtens te respecteren belang had bij het indienen van het bezwaarschrift dat alleen betrekking had op de ontsluiting van zijn garage en niet was gericht tegen de bouwplannen als zodanig.

5.12. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens Schuttersweg c.s. had [eiser] geen bezwaarschrift tegen de verleende vergunning mogen indienen waarbij zij zich baseert op de inhoud van een vaststellingsovereenkomst zoals beschreven onder 2.4. waarin wordt gegarandeerd dit niet te doen. Deze vaststellingsovereenkomst is echter gesloten tussen [eiser] Logistiek B.V. en Schuttersweg c.s. Alhoewel [eiser] deze overeenkomst namens [eiser] Logistiek B.V. heeft ondertekend, betekent dit nog niet dat hij zich daaraan eveneens in persoon heeft verbonden. De rechtbank is het dan ook met [eiser] eens dat hij geen partij was bij voornoemde vaststellingsovereenkomst en derhalve in zijn privé hoedanigheid bevoegd was een bezwaarschrift in te dienen.

5.13. Voorts is de rechtbank van oordeel dat Schuttersweg c.s. de stelling dat de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst namens [eiser] Logistiek B.V. door [eiser], hem niet persoonlijk zou raken in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, niet heeft onderbouwd of op enigerlei wijze nader heeft toegelicht. Schuttersweg c.s. is in deze in haar stelplicht tekortgeschoten zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat. Ook de stelling dat hiermee strijd ontstaat met hetgeen er in de overeenkomst over “op loyale wijze uitvoeren” is opgenomen, wordt verworpen nu de inhoud van deze overeenkomst niet op [eiser] in persoon van toepassing is.

5.14. Volgens Schuttersweg c.s. heeft [eiser] misbruik gemaakt van een bevoegdheid door een bezwaarschrift in te stellen met geen ander doel dan het schaden van Schuttersweg c.s. Hiervan is sprake als [eiser] zonder enig eigen of redelijk belang handelde. Nu [eiser] heeft gesteld het bezwaarschrift (onder meer) te hebben ingediend omdat aan de toezegging van Schuttersweg de garage te ontsluiten geen gehoor werd gegeven en dit door Schuttersweg c.s. niet is betwist, leidt de rechtbank hieruit af dat [eiser] uit (in elk geval een) eigen belang heeft gehandeld. De stelling dat [eiser] heeft gehandeld met geen ander doel dan het schaden van Schuttersweg c.s. wordt dan ook verworpen.

5.15. De rechtbank is voorts van oordeel dat Schuttersweg c.s. haar stelling dat [eiser] gezien de over en weer bestaande belangen in redelijkheid niet tot uitoefening (lees: tot het instellen van bezwaar) had mogen overgaan, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Zij heeft dan ook niet aan haar stelplicht voldaan zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.

5.16. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] misbruik van een bevoegdheid heeft gemaakt.

5.17. Nu hetgeen er aan de gevorderde vergoeding tot schadevergoeding ten grondslag is gelegd niet kan slagen, zal de eis in reconventie worden afgewezen.

Beoordeling vergoeding intrekken bezwaarschrift ad € 6.000,- in conventie.

5.18. Het voorgaande brengt met zich dat Schuttersweg c.s. geen opeisbare vordering heeft op [eiser] en derhalve ook geen bevoegdheid heeft de nakoming van haar verbintenis op te schorten. Het verweer tot opschorting wordt dan ook verworpen zodat de vordering tot betaling van € 6.000,-, als vergoeding voor het intrekken van het bezwaarschrift, zal worden toegewezen.

Facturen van door derden uitgevoerde werkzaamheden.

5.19. Naast bovengenoemde heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat nu de afgesproken werkzaamheden, zoals onder 2.8. genoemd, niet door Schuttersweg c.s. zijn uitgevoerd, ook al was daarvoor een uiterlijke datum van 1 december 2006 gesteld, de werkzaamheden door derden maar voor rekening van Schuttersweg c.s. mochten worden uitgevoerd. De kosten die derden daarvoor in rekening hebben gebracht bedragen € 2.920,40 en € 414,88. Nu deze bedragen ondanks sommatie daartoe niet door Schuttersweg c.s. zijn voldaan, is volgens [eiser] de vordering tot nakoming daarvan opeisbaar geworden.

[eiser] heeft ter comparitie verklaard twee keer een afspraak te hebben gehad met Schuttersweg om de afgesproken werkzaamheden te laten verrichten. [eiser] was beide keren ter plekke aanwezig maar van de zijde van Schuttersweg verscheen niemand.

5.20. Schuttersweg c.s. acht zich niet gehouden voornoemde bedragen te moeten betalen. Zij heeft primair daarvoor aangevoerd dat zij wel degelijk heeft gereageerd op de mededeling dat de afgesproken werkzaamheden voor 1 december 2006 dienden te worden uitgevoerd bij gebreke waarvan [eiser] deze werkzaamheden door derden zou laten uitvoeren voor rekening van Schuttersweg c.s. Zij heeft namelijk aangegeven dat het [eiser] geenszins vrij stond om die werkzaamheden op kosten van gedaagden uit te voeren nu zij bereid en in staat was om deze werkzaamheden zelf uit te voeren. Volgens Schuttersweg c.s. heeft zij echter geen gelegenheid daartoe gekregen van [eiser]. Zij heeft een aantal keer getracht met [eiser] een afspraak te maken maar [eiser] kwam echter niet opdagen, waarbij ter onderbouwing daarvan wordt verwezen naar productie 8 bij inleidende dagvaarding. Schuttersweg c.s. betwist uitdrukkelijk dat zij in verzuim is geraakt ten aanzien van het uitvoeren van de werkzaamheden zodat het [eiser] niet vrij stond die werkzaamheden door derden te laten uitvoeren. Om deze reden kan Schuttersweg c.s. niet tot betaling worden gehouden.

5.21. Schuttersweg c.s. stelt zich subsidiair op het standpunt dat de gevorderde bedragen niet worden onderbouwd zodat de vordering om die reden moet worden afgewezen. Meer subsidiair wordt door Schuttersweg c.s. aangevoerd dat de gevorderde bedragen moeten worden gematigd nu zij, indien zij in de gelegenheid zou zijn gesteld, de mogelijkheid had gehad de werkzaamheden in eigen beheer uit voeren en aldus aanzienlijk goedkoper uit zou zijn geweest.

5.22. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is op 15 augustus 2006 afgesproken dat Schuttersweg c.s. de werkzaamheden zou uitvoeren. Er is echter geen tijd voor nakoming daarvan bepaald zodat op grond van artikel 6:38 BW terstond nakoming kon worden gevorderd. In november 2006 waren de werkzaamheden nog niet verricht waarop

[eiser] op 17 november 2006 een faxbericht heeft verzonden met daarin de sommatie om deze werkzaamheden vóór 1 december 2006 uit te voeren, bij gebreke waarvan [eiser] zich vrij achtte deze werkzaamheden te laten uitvoeren door derden maar voor rekening van Schuttersweg c.s. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met dit faxbericht Schuttersweg c.s. in gebreke heeft gesteld en haar een redelijke termijn tot nakoming heeft gegeven. [eiser] was gerechtigd dit te doen omdat Schuttersweg c.s. reeds voldoende tijd, die hij redelijkerwijs voor het verrichten van de werkzaamheden nodig zou hebben, was gegund. Nu nakoming binnen de gestelde termijn van 1 december 2006 is uitgebleven, is Schuttersweg c.s. op die datum in verzuim geraakt. Het verweer van Schuttersweg c.s. niet in verzuim te zijn geraakt, wordt derhalve verworpen. [eiser] was derhalve gerechtigd de afgesproken werkzaamheden door derden maar voor rekening van Schuttersweg c.s. te laten uitvoeren.

5.23. Schuttersweg c.s. heeft tevens aangevoerd geen gelegenheid te hebben gekregen de werkzaamheden te verrichten. Zij stelt een aantal keer getracht te hebben met [eiser] een afspraak te maken maar volgens haar kwam [eiser] dan niet opdagen.

[eiser] heeft dit betwist en beweert juist het tegenovergestelde. Voor zover door Schuttersweg c.s. een beroep wordt gedaan op schuldeisersverzuim aan de zijde van [eiser], is de rechtbank het volgende van oordeel. Schuttersweg c.s. heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar productie 8 bij inleidende dagvaarding. Hieruit blijkt echter niet dat [eiser] verstek heeft laten gaan maar dat het de heer [naam] van BK (Schuttersweg) was die het niet was gelukt om op 15 november 2006 aanwezig te zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat Schuttersweg c.s. haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl dit gelet op de op haar rustende stelplicht, de gemotiveerde betwisting van [eiser] op dit punt en de inhoud van voormelde productie wel van haar had mogen worden verwacht. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank de stelling van Schuttersweg c.s. dat zij geen gelegenheid heeft gekregen de werkzaamheden te verrichten passeert.

5.24. Schuttersweg c.s. heeft subsidiair als verweer aangevoerd dat de gevorderde bedragen niet zijn onderbouwd, maar nu zij echter de hoogte van deze bedragen niet heeft betwist, zal de rechtbank deze bedragen als vaststaand aannemen. Aan dit verweer wordt derhalve voorbij gegaan.

5.25. Volgens Schuttersweg c.s. is er reden tot matiging van de gevorderde bedragen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat indien zij de mogelijkheid had gehad de werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren, zij aanzienlijk goedkoper uit zou zijn geweest. Omdat uit het voorgaande is komen vast te staan dat Schuttersweg c.s. tot 1 december 2006 de mogelijkheid heeft gehad om de werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren maar deze kans heeft laten liggen, is de rechtbank van oordeel dat het meer subsidiaire gevoerde verweer reeds daarom niet kan slagen.

5.26. Nu de verweren van Schuttersweg c.s. niet kunnen slagen, zal de vordering tot betaling van zowel € 2.920,40 als € 414,88 worden toegewezen.

5.27. Al het voorgaande brengt met zich dat de vordering tot betaling van een bedrag van in totaal € 9.335,28 (€6.000,- + € 2.920,40 + € 414,88) zal worden toegewezen.

Wettelijke rente.

5.28. [eiser] heeft eveneens gevorderd de aan hem te betalen bedragen van € 6.000,-, € 2.920,40 en € 414,88 te vermeerderen met de wettelijke rente met als respectievelijke ingangsdata 15 augustus 2006, 1 januari 2007 en 19 maart 2007, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde rente over de hoofdsommen slechts kan worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding (zijnde 27 juni 2007) omdat niet is gesteld waarom de rente vanaf de gevorderde specifieke ingangsdata verschuldigd is.

Buitengerechtelijke (incasso-)kosten.

5.29. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal -mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II- worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

5.30. Schuttersweg c.s. zal als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 300,00

- salaris procureur 768,00 ( 2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.152,31

5.31. Schuttersweg c.s. zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris procureur EUR 226,00 (1,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 226,00

5.32. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1. veroordeelt Schuttersweg c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 9.335,28 (negenduizenddriehonderdvijfendertig euro en achtentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het bedrag van EUR 9.335,28 vanaf 27 juni 2007 tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt Schuttersweg c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.152,31,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.5. wijst de vorderingen af,

6.6. veroordeelt Schuttersweg c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 226,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008.