Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9237

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
235057/ HA ZA 07-1503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvullende werking redelijkheid & billijkheid, regeling recht van overpad doorkruist door mediation koper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 235057 / HA ZA 07-1503

Vonnis van 6 augustus 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. G.J.J.M. Pubben,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. M.C. Franken-Schoemaker.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

In conventie en in reconventie

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 4 maart 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] was eigenaar van het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [kadasternummer] (verder: het perceel). Het naastgelegen perceel [adres 2] is eigendom van de heer en mevrouw [naam] (gezamenlijk verder te noemen: [buren]) en het perceel [adres 3] van de heer en mevrouw [naam] (gezamenlijk verder te noemen: [buren 2]). Op 1 oktober 2004 heeft [buren 2] zijn buren [eiser] en [buren] betrokken in een procedure voor de rechtbank Utrecht. [buren 2] vorderde de aanwijzing van een noodweg hetzij over het perceel van [eiser], hetzij over het perceel van [buren].

2.2. Bij koopovereenkomst van 3 februari 2005 heeft [eiser] het perceel aan [gedaagden] verkocht. Partijen hebben ten aanzien van de lopende procedure afspraken gemaakt die in een “Aanhangsel bij de koopakte (…) d.d. 3 februari 2005” (verder: het Aanhangsel) zijn vastgelegd. In het Aanhangsel is onder meer opgenomen:

“(…)

Partijen komen overeen dat de genoemde procedure bij de rechtbank te Utrecht op naam van en voor risico van de verkoper ([eiser], toevoeging rb.) zal worden voortgezet. De koper ([gedaagden], toevoeging rb.) verklaart onherroepelijk en onvoorwaardelijk dat hij de inhoud van het (eind-)vonnis in de reeds meer genoemde procedure zal respecteren en daaraan uitvoering zal geven als betrof het een tegen de koper zelf uitgesproken vonnis. (…)

Indien de verkoper in de procedure in het gelijk wordt gesteld en de vorderingen in conventie jegens de verkoper worden afgewezen, met als gevolg dat de staat van de onroerende zaak niet zal wijzigen, dan zal de koper aan de verkoper binnen 14 dagen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis een aanvullende koopsom voldoen van EUR 40.000,00 (…).

Indien de verkoper in de procedure in conventie in het ongelijk wordt gesteld doch de vordering in (voorwaardelijke) reconventie geheel dan wel gedeeltelijk wordt toegewezen, dan zal het uit dien hoofde door de wederpartij te betalen bedrag uitsluitend en alleen aan de verkoper toekomen. (…)

In alle gevallen geldt dat de aan de procedures verbonden kosten inclusief een eventuele proceskostenveroordeling voor rekening van de verkoper komen mits de advocaat die in voorkomend geval de procedure voor de koper zal voeren wordt aangewezen door de verkoper. (…)

De intentie van de onderhavige regeling is in ieder geval dat de verkoper van de koper een aanvullende koopsom ontvangt van EUR 40.000,00 indien de thans aanhangig zijnde vorderingen van de wederpartij tegen de verkoper worden afgewezen en bij toewijzing daarvan dat de verkoper hun recht behouden op het verkrijgen van schadevergoeding van de wederpartij ter delging van de schade die verkoper leiden omdat zij uit dien hoofde een lagere koopsom hebben gerealiseerd.”

2.3. Partijen hebben bij het aangaan van de koopovereenkomst de hoogte van de mogelijk verschuldigde aanvullende koopsom gesteld op EUR 25.000,00, in afwijking van het in het Aanhangsel vermelde bedrag.

2.4. Op 1 juli 2005 heeft [eiser] het perceel aan [gedaagden] geleverd.

2.5. Op 16 november 2005 heeft de rechtbank Utrecht bij vonnis in conventie de vordering van [buren 2] tot aanwijzing van een noodweg over het perceel toegewezen en in reconventie bepaald dat er een deskundigenbericht dient te komen ter bepaling van de hoogte van de door [buren 2] aan [eiser] te betalen schadevergoeding.

2.6. De advocaat van [gedaagden] heeft vervolgens, mede namens [eiser], hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 november 2005. Een memorie van grieven is in het hoger beroep (nog) niet genomen.

2.7. Op 24 februari 2006 heeft [buren 2] [gedaagden] in kort geding gedagvaard om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het vonnis van 16 november 2005. Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 21 maart 2006 hebben [gedaagden] en [buren 2] ingestemd met een mediation traject. [buren] is in het mediation traject betrokken. De kort geding procedure heeft als gevolg van de (geslaagde) mediation niet tot een vonnis geleid.

2.8. [gedaagden] heeft tot 30 augustus 2006 [eiser] op de hoogte gehouden van de stand van zaken in het hoger beroep en het mediation traject. Op 15 december 2006 hebben [buren 2], [gedaagden] en [buren] hun geschil beëindigd door het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst. [gedaagden] heeft zonder succes getracht ook met [eiser] tot overeenstemming te komen.

2.9. De advocaat van [eiser] heeft vervolgens het dossier van de hoger beroepsprocedure van de advocaat van [gedaagden] overgenomen en jegens [gedaagden] aanspraak gemaakt op de aanvullende koopsom.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert in conventie samengevat – veroordeling van [gedaagden] tot betaling van EUR 41.158,00, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagden] voert verweer.

3.2. [gedaagden] vordert in reconventie samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van EUR 30.460,00, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het tussen partijen gerezen geschil is de vraag of [eiser] (alsnog) op grond van het Aanhangsel jegens [gedaagden] aanspraak kan maken op de aanvullende koopsom van EUR 25.000,00 (zie 2.2 en 2.3).

4.2. Als meest verstrekkende verweren heeft [gedaagden] aangevoerd dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op een aanvullende koopsom, dan wel zijn recht daarop heeft verwerkt. [gedaagden] voert daartoe aan dat [eiser] tijdens de bespreking van 5 december 2005 uitdrukkelijk heeft berust in het door de rechtbank Utrecht op 16 november 2005 gewezen vonnis. [eiser] was niet langer bereid de lasten te dragen van de hoger beroepsprocedure, zo voert [gedaagden] aan. [eiser] heeft deze stellingen gemotiveerd weersproken.

4.3. Voor afstand van recht is in dit geval noodzakelijk dat [gedaagden] uit de gestelde verklaring van [eiser] redelijkerwijze mocht begrijpen dat [eiser] zijn aanspraak op een aanvullende koopsom prijs zou geven. Van rechtsverwerking zou in dit geval sprake zijn, indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] aanspraak zou maken op de aanvullende koopsom, gelet op zijn – door [gedaagden] gestelde – verklaring van 5 december 2005.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor de stellingen van [gedaagden]. Als [eiser], kennelijk om financiële redenen, niet bereid of in staat zou zijn hoger beroep in te stellen, betekent dit niet zonder meer dat [eiser] van zijn recht op een aanvullende koopsom heeft afgezien. Tussen partijen staat immers vast dat [gedaagden] het hoger beroep heeft ingesteld mede namens [eiser] en [gedaagden] (na 5 december 2005) geregeld contact had met [eiser] over de stand van zaken. Tegen die achtergrond kan hetgeen [gedaagden] heeft gesteld niet zonder meer tot de conclusie leiden dat sprake is van afstand van recht of rechtsverwerking. Deze verweren van [gedaagden] worden derhalve verworpen.

4.4. Dit zo zijnde, komt de vraag aan de orde of [eiser] terecht aanspraak maakt op een aanvullende koopsom. [eiser] beroept zich op de intentie van het Aanhangsel. Hij stelt dat het geschil tussen [buren 2] en [gedaagden] is beëindigd zonder dat een noodweg is aangewezen over het perceel. Als er een noodweg komt op de wijze zoals door [gedaagden] gesteld, heeft [eiser] ook recht op een aanvullende koopsom. Een dergelijke noodweg is volgens [eiser] een te kleine wijziging om te worden beschouwd als wijziging in de staat van de onroerende zaak in de zin van het Aanhangsel, aldus [eiser].

4.5. [gedaagden] voert daartegenover aan dat de rechtbank Utrecht op 16 november 2005 [buren 2] in het gelijk heeft gesteld en [gedaagden] op grond van dit vonnis geen enkel bedrag aan [eiser] verschuldigd is. Ook de situatie die na uitvoering van de vaststellingsovereenkomst ontstaat, geeft [eiser] geen recht op de in het Aanhangsel bedoelde aanvullende koopsom. De staat van de onroerende zaak is immers gewijzigd. Als [eiser] niettemin aanspraak kan maken op een aanvullende koopsom, dienen de door [gedaagden] gemaakte juridische kosten hierop in mindering te worden gebracht, zo voert [gedaagden] aan.

4.6. De rechtbank overweegt in dit kader het volgende. Op grond van het Aanhangsel heeft [eiser] aanspraak op een door [gedaagden] te betalen aanvullende koopsom van EUR 25.000,00 als de vorderingen van [buren 2] op [eiser] worden afgewezen. Als de vorderingen van [buren 2] worden toegewezen (en het perceel dus belast wordt met een noodweg), heeft [eiser] aanspraak op de door [buren 2] te betalen schadevergoeding.

Als het vonnis van de rechtbank Utrecht van 16 november 2005 was uitgevoerd, was het perceel belast met een noodweg. [eiser] had dan geen aanspraak kunnen maken op een aanvullende koopsom jegens [gedaagden], maar zich nog wel tot [buren 2] kunnen wenden voor een schadevergoeding. [eiser] kan dit echter niet, want het vonnis is niet uitgevoerd.

[buren 2], [buren] en [gedaagden] hebben namelijk een vaststellingsovereenkomst gesloten. De ten deze relevante inhoud van de vaststellingsovereenkomst is door [eiser] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist en wordt ten deze als vaststaand beschouwd. Volgens de inhoud van de vaststellingsovereenkomst loopt de noodweg 6 meter over de grond van [gedaagden] en buigt daarna af naar de grond van [buren 2]. [buren 2] heeft deze grond gekregen door grondruil met [buren] en betaalt daarvoor een bedrag aan [buren]. Een deel daarvan, EUR 3.000,00, betaalt [buren] door aan [gedaagden].

De vaststellingsovereenkomst lost het geschil over de noodweg tussen [buren 2], [buren] en [gedaagden] op, rekening houdend met de belangen van deze drie bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst direct betrokken partijen. Bij deze overeenkomst is echter niet kenbaar rekening gehouden met de hiervoor genoemde belangen van [eiser]. De enkele omstandigheid dat dit mogelijk mede te wijten is geweest aan de opstelling van [eiser] maakt dit niet anders.

Daarbij komt dat door de vaststellingsovereenkomst de werking aan het vonnis van 16 november 2005 is komen te ontvallen en dat een succesvolle voortzetting van het hoger beroep door [eiser] illusoir is geworden. [eiser] heeft immers jegens [buren 2] geen belang meer bij vernietiging van het (niet uitgevoerde) vonnis van 16 november 2005.

Direct gevolg van de tussen [buren 2], [buren] en [gedaagden] getroffen regeling is derhalve dat de aanspraken van [eiser] op grond van het Aanhangsel zijn verdampt

Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien zijn voor de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:248 lid 1 BW. Op grond van die bepaling heeft te gelden dat een overeenkomst niet alleen de gevolgen heeft die door partijen zijn overeengekomen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. De rechtbank is gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden van oordeel dat [gedaagden] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een vergoeding aan [eiser] verschuldigd is. Gelet op de uitkomst van de vaststellingsovereenkomst voor [gedaagden] en de vergoeding van EUR 3.000,00 die [gedaagden] via [buren] van [buren 2] heeft ontvangen stelt de rechtbank deze vergoeding vast op EUR 10.000,00. De vordering van [eiser] zal tot dit bedrag worden toegewezen.

4.7. [gedaagden] heeft zich in reconventie nog beroepen op verrekening van de aanvullende koopsom met door hem gemaakte juridische kosten. Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende. Een deel van de door [gedaagden] aangevoerde kosten heeft betrekking op een door Das Rechtsbijstand betaald bedrag. Nu [gedaagden] deze kosten niet zelf heeft gedragen, kan hij daar jegens [eiser] geen vergoeding van vorderen. De rechtbank houdt het ervoor dat de kosten voor het instellen van het hoger beroep zijn begrepen in het door Das Rechtsbijstand betaalde bedrag, nu deze juridische werkzaamheden eerder hebben plaatsgevonden dan het voeren van verweer in kort geding. De overige juridische kosten hebben betrekking op de kort geding procedure en de daarop volgende mediation. De daarmee verband houdende kosten hangen echter veeleer samen met de keuze van [gedaagden] om – in afwijking van de in het Aanhangsel overeengekomen regeling – niet mee te werken aan de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 16 november 2005. De gevolgen van deze keuze kan [gedaagden] niet op [eiser] afwentelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door [gedaagden] gemaakte juridische kosten niet voor verrekening met de aanvullende koopsom in aanmerking komen. De vordering in reconventie is derhalve niet voor toewijzing vatbaar.

4.8. De wettelijke rente over het bedrag van EUR 10.000,00 zal worden toegewezen vanaf 27 maart 2007, nu op dit punt geen verweer is gevoerd.

4.9. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor zijn rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.10. De proceskosten in conventie worden gecompenseerd nu elk van partijen op enig punt in het ongelijk is gesteld; in reconventie zal [gedaagden] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [eiser] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris procureur EUR 289,50 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 289,50

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 27 maart 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 289,50,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008.