Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD8735

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-07-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
16/600562-07, 16/604237-07, 16/604070-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee jaar gevangenis en TBS met dwangverpleging. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte verspreid over de periode 1986 tot en met 1991 en in 2005 en 2006 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zes kinderen tussen de vijf en tien jaar oud en een vijftienjarige jongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600562-07, 16/604237-07 (d.d. 15 februari 2008 t.t.z. gevoegd) en 16/604070-08 (d.d. 14 juli 2008 t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 28 juli 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de gevoegde zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Vught, afdeling Nieuw Vosseveld 2 te Vught.

Raadsman: mr. J.A.A. van Buggenum

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 augustus 2007, 26 november 2007, 15 februari 2008, 28 april 2008 en 14 juli 2008.

1. De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlaste gelegd dat:

1. (16/600562-07)

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2005 tot en met 01 september

2006 te Maarn, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in

Nederland, (meermalen) met [slachtoffer A],

geboren op [1998], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

(telkens) bestaande in het ontuchtig

- betasten van de schaamstreek en/of vagina en/of billen van die [slachtoffer A] en/of

- het zoenen van de schaamstreek/vagina van die [slachtoffer A] en/of

- laten betasten door die [slachtoffer A] van zijn, verdachtes, penis;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2005 tot en met 01 september

2006 te Maarn, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in

Nederland, (meermalen) met [slachtoffer B], geboren op [2000], die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

(telkens) bestaande in het ontuchtig

- betasten van de schaamstreek en/of penis van die [slachtoffer B];

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2005 tot en met 01 september

2006 te Maarn, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in

Nederland, (meermalen) met [slachtoffer C], geboren op [1998], die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

(telkens) bestaande in het ontuchtig

- betasten van de schaamstreek en/of vagina en/of billen van die [slachtoffer C] en/of

- laten betasten door die [slachtoffer C] van zijn, verdachtes, penis;

1. Primair (16/604237-07)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari

2006 tot en met 7 juni 2006 te Doetinchem, althans in het arrondissement

Zutphen, met [slachtoffer D], geboren op [1990], die de leeftijd

van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt,

ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben

bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij,

verdachte,

- over het ontblote (boven)been van die [slachtoffer D] gestreeld en/of

- die [slachtoffer D] afgetrokken en/of

- zich door die [slachtoffer D] laten aftrekken en/of

- zich door die [slachtoffer D] aan/bij zijn testikels laten betasten en/of

- zijn vinger(s) in de anus van die [slachtoffer D] gebracht;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari

2006 tot en met 7 juni 2006 te Doetinchem, althans in het arrondissement

Zutphen, met [slachtoffer D], geboren op [1990], die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer

ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- strelen over het (ontblote) (boven)been van die [slachtoffer D] en/of

- aftrekken van die [slachtoffer D] en/of

- zich door die [slachtoffer D] laten aftrekken en/of

- zich door die [slachtoffer D] aan/bij zijn testikels laten betasten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2006 tot en met 7 juni 2006 te

Doetinchem, althans in het arrondissement Zutphen, met [slachtoffer E], geboren op [1995], die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft

gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van het (ontblote) (boven)been

van die [slachtoffer E] (terwijl hij, verdachte, zichzelf aan het aftrekken was);

1. (16/604070-08)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

12 december 1987 tot en met 30 november 1991 te Gendringen, althans in het

arrondissement Zutphen, met [slachtoffer F], geboren op [1980], die

toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer

ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- betasten/wrijven over/aanraken (op en onder de kleding) van de vagina en/of

schaamlippen, althans de schaamstreek van die [slachtoffer F] en/of

- de hand van die [slachtoffer F] op zijn, verdachte's (ontblote) penis leggen en/of

(vervolgens) die [slachtoffer F] zijn (ontblote) penis laten

strelen/betasten/aanraken;

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

21 mei 1986 tot en met 20 mei 1990 te Gendringen, althans in het

arrondissement Zutphen, met [slachtoffer G], geboren op [1980], die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

bestaande in het ontuchtig

- betasten/aanraken/strelen (op de blote huid) van de (boven)benen en/of de

vagina, althans de schaamstreek, van die [slachtoffer G] en/of

- de hand van die [slachtoffer G] op zijn, verdachte's, (ontblote) penis leggen en/of

(vervolgens) die [slachtoffer G] zijn (ontblote) penis laten

strelen/betasten/aanraken en/of

- die [slachtoffer G] op zijn schoot tillen/zetten, waarbij haar billen zijn

geslachtsdeel/kruis raakten;

2. De beoordeling van het bewijs

2.1 Het oordeel van de rechtbank:

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de feiten 1 en 3 genoemd onder parketnummer 16/600562-07 en de feiten 1 en 2 genoemd onder 16/604070-08, wettig en overtuigend bewezen, gelet op het volgende.

De aangifte namens en het studioverhoor van [slachtoffer A] en een geschrift, zijnde een uittreksel uit het geboorteregister ;

De aangifte namens en het studioverhoor van [slactoffer C] en een geschrift, zijnde een uittreksel uit het geboorteregister ;

De aangifte van [slachtoffer F] ;

De aangifte van [slachtoffer G]

De bekennende verklaringen van verdachte afgelegd tijdens de zittingen van 31 augustus 2007 en 14 juli 2008 .

Ten aanzien van de overige feiten.

2.2. Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 16/600562-07.

Verdachtes verklaring dat hij het slachtoffertje op de mond heeft gezoend en hem eens heeft geslagen, acht de officier van justitie, in samenhang met de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten, voldoende om tot een bewezenverklaring van ook dit feit te komen.

Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 16/604237-07.

Ten aanzien van feit 1. De aangevers en getuigen hebben consequent en transparant over dit feit verklaard. Het slachtoffer heeft bij de rechter-commissaris, waar hij als getuige is gehoord, zijn aangifte in grote lijnen herhaald. Het slachtoffer is een jongen die geschetst wordt als oprecht, iemand die moeilijk “nee” kan zeggen en zich schaamt voor wat er is gebeurd.

Ten aanzien van feit 2. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat het slachtoffertje op een avond, toen verdachte in zijn eigen huis op haar paste, dusdanig overstuur was dat ze opgehaald moest worden door haar moeder. Verdachte heeft verklaard het slachtoffertje over haar been gestreeld te hebben en een zoen gegeven te hebben.

De officier van justitie acht de diverse verklaringen, in onderlinge samenhang bezien met de overige feiten, voldoende om ten aanzien van beide feiten tot een bewezenverklaring te komen.

2.3 Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 16/600562-07.

De verdediging acht onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig en heeft vrijspraak bepleit onder aanvoering van de volgende gronden.

Iedereen in de nabije omgeving van verdachte acht het onbestaanbaar dat verdachte geweld zou plegen en al helemaal niet tegen een kind. Dit blijkt ook uit het rapport van psycholoog Scharft daar waar hij op p. 17 het volgende stelt: “De pedofiele handelingen lijken overigens meer een uitvloeisel van behoefte aan affectie en acceptatie, mogelijk met een element van nieuwsgierigheid dan van hevige pedoseksuele gevoelens.” De fantasie van het slachtoffertje, dat slechts 5 jaren oud is, is misschien enigszins met hem op de loop gegaan.

Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 16/604237-07.

De verdediging acht onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig en heeft vrijspraak bepleit onder aanvoering van - onder meer - de volgende gronden.

Ten aanzien van feit 1. Verdachte had in de periode zoals ten laste gelegd onder 1 ernstige pijn aan zijn nek. Het slachtoffer is niet eenduidig over de periode waarin het ten laste gelegde gebeurd zou zijn. Ten tijde van het ten laste gelegde had verdachte nog geen roodstaartpapegaai. Er zijn aantoonbare tegenstrijdigheden in de verklaringen van het slachtoffer.

Ten aanzien van feit 2. Verdachte heeft het slachtoffer genoemd onder 2 over haar been gewreven. Dat is niet strafbaar. De verklaring van het slachtoffer staat tegenover de verklaring van verdachte en meer bewijs is er niet.

2.4 Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het tweede feit onder 16/600562-07.

Aangeefster, de moeder van het slachtoffer [slachtoffer B], heeft verklaard dat [slachtoffer B] naar aanleiding van een gesprek over het studioverhoor van zijn zusje [slachtoffer A] heeft verteld:

- dat verdachte ook aan zijn plasser had gezeten;

- dat verdachte een keer onder de douche zijn tong in de mond van [slachtoffer B] had gedaan en heer en weer ging met zijn tong;

- dat verdachte had gezegd dat als hij het zou vertellen hij dan klappen zou krijgen;

dat hij nee, nee tegen verdachte had gezegd, maar verdachte het toen toch deed en hem een keer een klap op z’n benen en z’n armen had gegeven. Verdachte heeft bij de politie ontkend de penis van [slachtoffer B] te hebben betast. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte op 24 mei 2007 verklaard niet te weten of hij aan de piemel van [slachtoffer B] heeft gezeten. Dit heeft hij herhaald ter zitting van 31 augustus 2007.

Verdachte heeft op 23 mei 2007 bij de politie verklaard dat [slachtoffer B] hem wel eens op de mond heeft gekust en hij, verdachte met [slachtoffer B] heeft gestoeid, maar nooit heeft geslagen uit boosheid. Ter zitting van 31 augustus 2007 heeft hij ook dit herhaald en verklaard dat hij [slachtoffer A] en [slachtoffer B] knuffelde en jongens en meisjes even leuk vindt. Ter zitting van 14 juli 2008 heeft verdachte naar aanleiding van zijn verklaring bij de politie dat hij zich seksueel aangetrokken voelt tot kinderen (waarbij het hem niet uitmaakt of het jongens of meisjes zijn) en daar opgewonden van wordt , andermaal bevestigd dat hij zowel op jongens als meisjes valt. Ten aanzien van het knuffelen van [slachtoffer A] en [slachtoffer B] heeft hun moeder verklaard dat verdachte altijd erg knuffelig was, de kinderen op schoot nam , ze stevig vastpakte en kusjes gaf. Bovendien heeft zij verklaard dat verdachte ’s avonds vroeg naar bed ging om acht of negen uur en dat hij ook ’s middags even naar bed ging. De kinderen gingen dan met hem mee naar boven. Als moeder ze dan terugriep zei verdachte dat hij het prima vond als ze meegingen en op de slaapkamer bleven.

Deze verklaringen van aangeefster en verdachte in onderlinge samenhang bezien met de aangiften in de zaken waarin verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd vormen voor de rechtbank samen met het studioverhoor van [slachtoffer B] het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte ook [slachtoffer B] betast heeft in de schaamstreek / aan de penis zoals [slachtoffer B] ook zelf heeft verklaard.

De rechtbank is het met de raadsman eens dat de verklaring van het slachtoffertje op enkele punten vragen oproept. Zo heeft het slachtoffer het over een kabouterhamertje uit het kabouterbos waarmee verdachte aan zijn penis getrokken zou hebben. Dit onderdeel van de verklaring volgt echter op een moment dat er over een werkmansbroek gesproken is waar in een lus een hamer opgehangen kan worden. De rechtbank acht aannemelijk dat op dit punt fantasie en herinnering in elkaar overlopen, maar is van oordeel dat dit geen afbreuk doet aan de waarde van de verklaring van [slachtoffer B] voor wat betreft het ten laste gelegde handelen van verdachte. De rechtbank stelt in dit verband vast dat er sprake is van een patroon van handelen bij verdachte in de feiten die hij heeft bekend: het knuffelen en op schoot nemen van kinderen met seksuele bedoelingen en uitingen (waaronder het plegen van ontuchtige handelingen), het afzonderen van kinderen op de slaapkamer in gebruik bij verdachte en het daar plegen van ontuchtige handelingen en waar het [slachtoffer A], [slachtoffer B], [slachtoffer C] en de hierna te bespreken slachtoffers [slachtoffer D] en [slachtoffer E] betreft, het bedreigen van de kinderen. De verklaring/aangifte van [slachtoffer B] past in dit patroon. Verdachte heeft bovendien het ten laste gelegde niet ontkend en verklaard zich seksueel aangetrokken te voelen tot zowel jongens als meisjes. Dit zo zijnde acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij [slachtoffer B], anders dan zijn zusje [slachtoffer A] en haar vriendinnetje [slachtoffer C] ongemoeid zou hebben gelaten.

Ten aanzien van het eerste feit onder 16/604237-07.

Het slachtoffer, [slachtoffer D], heeft aangifte gedaan van de seksuele handelingen, zoals die zijn ten laste gelegd. [slachtoffer D] is in die aangifte duidelijk over zijn eigen rol en probeert die niet mooier te maken . [slachtoffer D] is ook consistent in zijn verklaringen. Bij de rechter-commissaris is hij op een overtuigende wijze bij zijn bij de politie afgelegde verklaringen gebleven.

Deze aangifte wordt op essentiële punten ondersteund door de verklaring van de vader van het slachtoffer. Zo wilde het slachtoffer nadat hij twee keer in opdracht van zijn vader bij verdachte was geweest, niet meer naar verdachte toe. Eén van de laatste keren dat het slachtoffer eten naar verdachte had gebracht, kwam het slachtoffer thuis met een kras op zijn gezicht en tranen in zijn ogen. De verklaring van [slachtoffer D] dat verdachte in die periode een roodstaartpapegaai had, wordt ondersteund door de verklaring van de vader van het slachtoffer .

De raadsman heeft verklaard dat het slachtoffer niet eenduidig is in zijn verklaringen voor wat betreft de periode waarin de vermeende seksuele handelingen zich afgespeeld zouden hebben. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de roodstaartpapegaai ten tijde van de vermeende seksuele handelingen niet in de woning aanwezig kan zijn geweest en dat de verklaring van [slachtoffer D] om die reden onbetrouwbaar is. De raadsman onderbouwt dit met de stelling dat in april/mei 2006 grote bedragen gepind zijn die gebruikt zouden zijn voor de aanschaf van de papegaai. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat het slachtoffer meer dan een jaar na dato niet meer precies weet op welke data de door hem beschreven voorvallen hebben plaatsgevonden en dat data door elkaar zijn gehaald. Zowel verdachte als [slachtoffer D] zijn het er echter over eens dat het slachtoffer bij verdachte op bezoek kwam met soep en daarna ook een aantal keren op bezoek is geweest. Uitgaande van het gegeven dat de soep werd gebracht en tijde van de verbouwing van de keuken van verdachte (hetgeen volgens de raadsman is gebeurd tussen 20 en 24 maart 2006) en er volgens [slachtoffer D] en diens vader op enig moment een roodstaartpapegaai in de woning van verdachte aanwezig is geweest (die volgens verdachte in april/mei 2006 is aangeschaft) zijn er voldoende aanknopingspunten dat het ten laste gelegde handelen zich heeft afgespeeld in de ten laste gelegde periode. Deze periode is overigens ook in lijn met de datum die het slachtoffer heeft opgegeven in zijn eerste gesprek met de politie . In die periode zijn er in verband met de diverse feestdagen ook momenten geweest dat [slachtoffer D] vrij zal zijn geweest van school. De door de raadsman van verdachte aangevoerde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden nemen de overtuiging van de rechtbank dat verdachte de tenlaste gelegde handelingen heeft gepleegd niet weg.

De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat geweld niet past bij verdachte. Deze stelling wordt weersproken door de verklaring van [slachtoffer C]. Zij heeft verklaard dat verdachte haar in haar vagina had geknepen en dat dat pijn deed . Ook [slachtoffer B] heeft verklaard dat verdachte hem pijn had gedaan. [slachtoffer D] is het derde slachtoffer dat verklaard heeft dat verdachte hem pijn heeft gedaan. De passage van psycholoog Scharft die de raadsman aanhaalde ter ondersteuning van zijn pleidooi (zie hiervoor op pagina 4) dat verdachte niet gewelddadig is, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen indicatie over toegepast geweld en werd bovendien nog gevolgd door de volgende zin: “Onderliggend lijkt echter wel een seksuele component aanwezig te zijn, die door hem (verdachte) op bewust niveau wordt afgeweerd.”

Tenslotte is door verdachte zelf betoogd dat hij niet kan klaarkomen en dat ook om die reden de verklaringen van [slachtoffer D] niet geloofwaardig zijn. Op verzoek van de raadsman van verdachte en de officier van justitie is getracht een onderzoek te laten plaatsvinden naar de door verdachte gestelde onmogelijkheid tot een orgasme te komen, maar de door de rechtbank benaderde deskundigen hebben allen aangegeven dat er geen betrouwbaar onderzoek op dit punt kan worden uitgevoerd.

Verdachte heeft zelf verklaard seksueel opgewonden te raken van kinderen. [slachtoffer C] heeft in het studioverhoor verklaard dat de penis van verdachte dik was en naar de bovenkant wees , hetgeen wijst op een erectie. Verdachte heeft op 23 mei 2007 verklaard dat hij geen erectie kan krijgen . Dat zou zo zijn sinds een jaar of 7, sinds hij in therapie is gegaan. Zijn penis zou echter wel iets dikker worden, maar hij zou geen orgasme krijgen. Dat is echter kennelijk niet hetgeen hij aan zijn vertrouwenspersoon [x] heeft verteld. In diens brief aan de maatschappelijk begeleider van [slachtoffer D] schrijft [x] immers dat verdachte al vanaf zijn twintigste jaar impotent is. Informatie die [x] slechts kan hebben verkregen van verdachte en die niet te rijmen valt met de eigen verklaring van verdachte. De rechtbank acht de stellingen van verdachte op dit punt dan ook minder geloofwaardig dan de verklaring van [slachtoffer D].

Ten aanzien van het tweede feit onder 16/604237-07.

Tegen verdachte is aangifte gedaan van ontucht. Verdachte erkent dat hij het slachtoffertje over haar bovenbenen heeft gestreeld, maar ontkent dat hij naakt haar kamer in is gelopen en zich in haar aanwezigheid heeft bevredigd of heeft getracht zich te bevredigen. Naast de aangifte ligt een verklaring van de vader van het slachtoffertje.

De ouders van het slachtoffertje hadden een feest op het werk van de vader. Verdachte, collega van vader voornoemd, ging niet naar dat feestje op het werk. Vader heeft verklaard dat toen zijn dochtertje bij verdachte logeerde, panisch van angst was geworden en naar huis wilde. Moeder heeft haar toen opgehaald. Daarna wilde zijn dochtertje niet meer naar verdachte toe . [slachtoffer E] heeft op vragen van haar vader of haar met betrekking tot verdachte iets was overkomen, in eerste instantie geen antwoord willen geven omdat ze bang was dat haar ouders ontvoerd zouden worden en zij en haar broer vermoord zouden worden .

In dit studioverhoor heeft ze verklaard dat ze huilde en dat verdachte toen haar kamer binnen is gekomen. Verdachte was naakt en streelde haar over haar bovenbeen en kuste haar op haar voorhoofd. Verdachte zat toen met zijn handen aan zijn penis.

Ook de verklaring van [slachtoffer E] past in het patroon van handelen van verdachte zoals hiervoor ten aanzien van [slachtoffer B] is uiteen gezet.

De rechtbank acht voor de geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer D] en [slachtoffer E] tenslotte doorslaggevend dat verdachte erop heeft aangestuurd dat beide kinderen in zijn woning kwamen als de ouders van [slachtoffer D] en [slachtoffer E] oppas nodig hadden. Aldus heeft hij ook met [slachtoffer D] en [slachtoffer E] bewerkstelligd dat hij hen kon afzonderen van hun ouders.

Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat ook dit feit bewezen verklaard kan worden.

2.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan op de hierna volgende wijze.

16/600562-07

1.

hij in de periode van 01 augustus 2005 tot en met 01 september 2006 te Maarn, meermalen met [slachtoffer A], geboren op [1998], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande in het ontuchtig

- betasten van de schaamstreek/vagina en billen van die [slachtoffer A] en/of

- zoenen van de schaamstreek/vagina van die [slachtoffer A] en/of

- laten betasten door die [slachtoffer A] van zijn, verdachtes, penis;

2.

hij in de periode van 01 augustus 2005 tot en met 01 september 2006 te Maarn, met [slachtoffer B] geboren op [2000], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande in het ontuchtig

- betasten van de schaamstreek en/of penis van die [slachtoffer B];

3.

hij in de periode van 01 augustus 2005 tot en met 01 september 2006 te Maarn, meermalen met [slachtoffer C], geboren op [1998], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande in het ontuchtig

- betasten van de schaamstreek/vagina en billen van die [slachtoffer C] en

- laten betasten door die [slachtoffer C] van zijn, verdachtes, penis;

(16/604237-07)

1. Primair

hij op tijdstippen in de periode van 01 februari 2006 tot en met 7 juni 2006 te Doetinchem met [slachtoffer D], geboren op [1990], die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- over het ontblote (boven)been van die [slachtoffer D] gestreeld en/of

- die [slachtoffer D] afgetrokken en/of

- zich door die [slachtoffer D] laten aftrekken en/of

- zich door die [slachtoffer D] aan/bij zijn testikels laten betasten en

- zijn vinger(s) in de anus van die [slachtoffer D] gebracht;

2.

hij in of de periode van 01 februari 2006 tot en met 7 juni 2006 te Doetinchem met [slachtoffer E], geboren op [1995], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van het bovenbeen van die [slachtoffer E] terwijl hij, verdachte, zichzelf aan het aftrekken was;

(16/604070-08)

1.

hij op tijdstippen in de periode van 12 december 1987 tot en met 30 november 1991 te Gendringen met. [slachtoffer F], geboren op [1980], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- betasten/wrijven over en aanraken - op en onder de kleding - van de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer F] en/of

- de hand van die [slachtoffer F] op zijn, verdachte's ontblote penis leggen en/of

die [slachtoffer F] zijn ontblote penis laten strelen/betasten/aanraken;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 21 mei 1986 tot en met 20 mei 1990 te Gendringen met [slachtoffer G], geboren op [1980], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- betasten/aanraken/strelen op de blote huid van de bovenbenen en de

vagina, althans de schaamstreek, van die [slachtoffer G] en/of

- de hand van die [slachtoffer G] op zijn, verdachte's ontblote penis leggen en/of

vervolgens die [slachtoffer G] zijn ontblote penis laten strelen/betasten/aanraken en/of

- die [slachtoffer G] op zijn schoot tillen/zetten, waarbij haar billen zijn

geslachtsdeel/kruis raakten;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van 16/600562-07, onder 1, 2 en 3, 16/604070-08 onder 1 en 2 en 16/604237-07 onder 2, telkens:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van 16/604237-07 onder 1 primair.

met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet de leeftijd van 16 jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

4. De strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft zich een beeld trachten te vormen van de persoonlijkheid van de verdachte op grond van de volgende stukken.

- een rapport d.d. 24 juli 2007 en een rapport d.d. 31 januari 2008, beiden van psychiater drs. M.L.I.M. van Thiel alsmede de verklaringen die van Thiel ter zittingen van 31 augustus 2007 en 15 februari 2008. De psychiater komt tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Verdachte kan verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Op grond van de aard en ernst van de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van verdachte en de kans op recidive is een intensieve behandeling noodzakelijk, die delictpreventie centraal stelt en ernstig rekening houdt met zijn vermijdende persoonlijkheidstrekken.

In het geval dat bewezen wordt geacht wat betrokkene heeft bekend, biedt een ambulante behandeling te weinig garanties om in de toekomst recidivegevaar te voorkomen, een intensieve klinische behandeling is dan aan de orde.

Indien alle feiten bewezen worden geacht is er onvoldoende vertrouwensbasis om een behandeling te kunnen uitvoeren in het kader van een TBS met voorwaarden en dan wordt geadviseerd een TBS met dwangverpleging op te leggen.

- een rapport d.d. 26 januari 2008 van drs. H. Scharft, psycholoog.

Deze psycholoog volgt in grote lijnen de conclusie van de psychiater.

Daarom volgt de rechtbank de conclusie van deskundige van Thiel en Scharft dat dit feitencomplex weliswaar aan verdachte kan worden toegerekend maar dan wel in verminderde mate.

De verdachte is dus strafbaar.

5. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de jaren 1986 tot en met 1991 en 2005 en 2006 met in totaal zes kinderen in de leeftijd van 5 tot 10 jaar oud ontuchtige handelingen gepleegd. Verdachte heeft deze handelingen meermalen gepleegd. Voorts heeft hij ontuchtige handelingen gepleegd met een vijftien jarige jongen waarbij hij zijn vinger in de anus heeft gebracht van die jongen. Hij heeft deze handelingen gepleegd met kinderen uit zijn kennissenkring en met zijn nichtjes.

Hij heeft zich laten leiden door zijn eigen seksuele drang en geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat met name jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten ernstige psychologische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

Als gevolg van verdachtes handelen, heeft een aantal van de gezinnen hulp gezocht en zijn zij in therapie gegaan.

Ook hieruit volgt dat het handelen van verdachte een grote weerslag heeft op het psychisch welbevinden van de kinderen en de gezinnen waar zij deel van uitmaken.

Verdachte heeft een historie van seksueel misbruik. Verdachte is in 1999 veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen jegens kinderen. Niet lang nadat de zaak in Maarn aan het licht was gekomen was verdachte alweer bezig met contact zoeken met kinderen. Verdachte had zich via msn voorgedaan als een jongen van 17 jaar en met kinderen afgesproken in de MacDonalds. In die MacDonalds heeft verdachte vervolgens onder tafel foto’s genomen van die kinderen. Voorts heeft verdachte bekend naast de nu hem ten laste gelegde feiten ook ontucht gepleegd te hebben met een ander nichtje van hem die toen ongeveer 8 jaar oud was.

Al deze zaken tezamen genomen, scheppen een beeld van een verdachte die al jaren bezig is met het misbruiken van kinderen. Verdachte is daarin berekenend. Zo verklaarde één van zijn nichtjes dat ze bij hem op schoot moest komen en dat hij dan de stoel aanschoof bij de tafel, zodat niemand kon zien wat hij deed. Het andere nichtjes verklaart ook op schoot te moeten zitten en dan duwde verdachte het meisje met haar billen tegen zijn penis aan. Uit het studioverhoor van [slachtoffer E] blijkt dat verdachte dit ook bij haar gedaan heeft.

Het nemen van foto’s onder tafel, het zich inwerken in families, vertrouwen winnen en zich dan vergrijpen aan de kinderen wijst op geniepig en calculerend gedrag van verdachte.

In dit verband is van belang dat verdachte in dit onderzoek diverse keren onderzocht is door psychologen en een psychiater. Uit deze rapporten komt een beeld naar voren van een verdachte die pedofiel, manipulatief en theatraal is en ontwijkend gedrag toont. Dat verdachte manipulatief en theatraal is, wordt bevestigd door de verklaringen van getuigen afgelegd in de strafzaak met parketnummer 16/604070-08. De rechtbank ziet hiervoor ook aanknopingspunten in de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd. Zo wordt veel aandacht gevraagd voor de moeilijke jeugd die verdachte heeft gehad en de slechte medische conditie van verdachte en wordt een verbalisant op enig moment daarover zelfs in vertrouwen genomen . Dat verdachte ontwijkend gedrag toont, blijkt niet alleen uit de falende behandeling bij De Tender, maar ook uit de behandelingen ter terechtzitting. Als de aan verdachte gestelde vragen voor hem te confronterend werden, deed hij alsof hij de vragen niet begreep, terwijl overigens op goed niveau een gesprek met verdachte te voeren was. Ook het requisitoir van de officier van justitie werd door verdachte goed gevolgd. Ook in de politieverklaringen komt dit ontwijkend gedrag naar voren. Zo heeft verdachte in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij bij De Tender in behandeling was wegens depressiviteit .

Geconfronteerd met de chatgewoontes , heeft verdachte zich in eerste instantie op de vlakte gehouden en toen hem duidelijk werd dat de politie beschikte over gegevens betreffende de niet ten laste gelegde Haarlemse zaak reageerde verdachte met de mededeling “kut”.

Hieruit blijkt dat verdachte berekenend is. Dat volgt overigens ook uit het feit dat verdachte, op het moment dat de vader van [slachtoffer D] en [slachtoffer E] aangeeft dat de kinderen niet meer naar hem toe willen, ongevraagd met een verklaring daarvoor komt. Hij vertelde dat hij [slachtoffer E] streng had aangepakt, omdat er een virus op zijn computer was gekomen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 juni 2008, waaruit blijkt dat de verdachte in 1999 al een keer eerder is veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen

- twee maatregelrapporten van de reclassering. In het rapport van november 2007 stelt de reclassering dat zij betwijfelen dat of de termijn die bij een TBS met voorwaarden gemaximeerd is op vier jaren voldoende is om verdachte op een verantwoorde en veilige manier terug te plaatsen in de maatschappij.

- de rapporten van Van Thiel en Scharft voornoemd.

Drs. M.L.M. van Thiel psychiater heeft in zijn rapportage van 24 juli 2007 en in soortgelijke zin in zijn aanvullend rapport van 31 januari 2008 geconcludeerd -zakelijk weergegeven- dat

betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, in de zin van pedofilie en in de zin van een lichte neurocognitieve stoornis. Voorts is hij lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van zwakbegaafdheid en een gemengde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, afhankelijke en theatrale kenmerken.

De pedofilie berust op een infantiele psychoseksuele ontwikkeling en kan niet los worden gezien van zijn persoonlijkheidsstoornis waarbij het richten van zijn seksuele drang op volwassenen vooralsnog geblokkeerd is. Voorts heeft hij op grond van zijn zwakbegaafdheid onvoldoende vermogen zijn neiging om zijn seksuele drang te richten op minderjarige kinderen te beheersen.

Zijn conclusie is dat betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

Van belang voor de kans op recidive zijn zijn zwakbegaafdheid en voorts zijn sterke neiging tot vermijden, zowel in de omgang met volwassenen, als ook in een behandeling, waarbij hij confrontatie met zijn delictgedrag zoveel mogelijk tracht te omzeilen.

Tevens dienen hierbij in ogenschouw genomen te worden zijn sociale activiteiten, waarbij hij in aanraking komt met kinderen.

Op grond van zijn infantiele psychoseksuele ontwikkeling en zijn geneigdheid om intiemer contact met volwassenen te vermijden zal betrokkene er eerder toekomen om plaatsen of gelegenheden te zoeken waarbij hij met kinderen in contact kan komen.

Rapporteur concludeert - zakelijk weergegeven - dat betrokkene een intensieve behandeling nodig heeft die delictpreventietraining centraal stelt en ernstig rekening houdt met zijn vermijdende persoonlijkheidstrekken.

Rapporteur geeft aan - zakelijk weergegeven - dat, indien de nieuwe feiten waarover in oktober 2007 aangifte is gedaan bewezen worden verklaard gesteld kan worden dat er een toename te bespeuren valt in de ernst van zijn delictgedrag (gebruik van geweld en bedreiging). Bovendien kan dan gesteld worden dat doordat betrokkene deze bewezen verklaarde nieuwe feiten is blijven ontkennen, er niet meer ofwel in veel mindere mate gesproken kan worden van een betrouwbare bereidheid om aan een behandeling mee te werken.

Rapporteur geeft de rechtbank in overweging een TBS met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

H. Scharft, psycholoog te Leek, heeft in zijn rapportage van 26 januari 2008 -zakelijk weergegeven- als volgt geconcludeerd.

Betrokkene is op grond van minderwaardigheidsgevoelens geneigd om eerder met kinderen, dan met volwassenen vriendschapsbanden aan te gaan. In dergelijke vriendschappen kunnen gevoelens van affectie en behoefte aan waardering ontstaan, die vervolgens in sommige gevallen een seksuele lading hebben gekregen. Hij weert deze seksuele lading af en benoemt het als rustig worden. Desondanks heeft hij meerdere malen seksueel getinte handelingen gepleegd met kinderen. Betrokkene beseft tengevolge van zijn beperkte intellectuele vermogens onvoldoende de ernst van de door hem gepleegde gedragingen. Daarnaast onderkent hij hierdoor risicosituaties niet. Tengevolge van de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met een neiging tot het ontwikkelen van pedofiele gevoelens, had hij eveneens niet de volledige controle over zijn gedrag. Geadviseerd wordt daarom om betrokkene het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

In geval de rechtbank het tenlastegelegde volledig bewezen acht, betekent dat ten eerste dat betrokkene met meer slachtoffers (vijf in plaats van twee) is gerecidiveerd, dat hij tot ernstigere seksueel grensoverschrijdende handelingen is gekomen en dat hij hierbij ook geweld gebruikt heeft. In een dergelijke situatie kan men het recidivegevaar als hoger inschatten dan wanneer hij alleen datgene gedaan heeft wat hij bekend heeft. Daar komt dan nog bij dat – mocht al het tenlastegelegde bewezen worden geacht – hij tegenover de politie, zijn vrienden binnen de kerkgemeenschap en tegenover diverse pro justitia rapporteurs hierover langdurig en vasthoudend heeft gelogen, niet alleen over de hoeveelheid slachtoffers, maar ook over het gebruik van geweld en is er onvoldoende vertrouwensbasis om een behandeling te kunnen uitvoeren binnen het kader van een TBS met voorwaarden.

Gezien het feit dat betrokkene ondanks een eerdere behandeling gerecidiveerd is, is een intensievere behandeling nodig binnen het kader van een terbeschikkingstelling. Rapporteur adviseert om over te gaan tot een TBS met verpleging.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft voor alle feiten zoals door haar bewezen geacht, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en de maatregel tbs met dwangverpleging.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat een TBS met voorwaarden op dit moment een te zware maatregel is, omdat verdachte goed opgevangen kan worden in zijn omgeving.

De rechtbank acht, gelet op de hiervoor genoemde rapporten die over verdachte zijn gemaakt, opvang in de omgeving niet aan de orde.

De rechtbank stelt voorop dat de maatregel van tbs slechts kan worden gelast als aan de in art 37a WvSr genoemde voorwaarden is voldaan.

Een van die voorwaarden is dat er over verdachte twee adviezen van gedragsdeskundigen moeten zijn uitgebracht, waaronder een advies van een psychiater. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Ten aanzien van de overige voorwaarden van art. 37a WvSr overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat voor de bewezen verklaarde feiten geldt dat deze behoren tot één der in lid 1 sub 1 van art. 37a WvSr genoemde misdrijven waarvoor in beginsel tbs kan worden opgelegd.

Voorts neemt de rechtbank op basis van de informatie van de deskundigen Scharft en Van Thiel aan dat verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis.

Op basis van de voorgaande overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat voor de bewezen verklaarde feiten de maatregel van tbs kan worden opgelegd.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en of daarbij al dan niet dwangverpleging moet worden gelast.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van recidiverisico. De rechtbank leidt dit af uit de hiervoor weergegeven rapporten van drs. Van Thiel, psychiater, en drs. H. Scharft, psycholoog.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag op welke wijze recidive is te voorkomen.

De al eerder genoemde deskundigen schatten het recidive gevaar zonder behandeling als hoog in.

De bewezenverklaarde feiten betreffen ernstige delict waarbij de veiligheid van kinderen in groot gevaar is geweest. Gelet op de conclusies van de deskundigen vreest de rechtbank dat verdachte onder invloed van zijn stoornis opnieuw slachtoffers zal maken met ernstige gevolgen.

Wanneer verdachte zonder behandeling vrij wordt gelaten dient derhalve gevreesd te worden voor de algemene veiligheid van personen. Daarom is behandeling van verdachte noodzakelijk.

De rechtbank stelt vast dat het verdachte ontbreekt aan voldoende ziekte-inzicht. Hoewel verdachte heeft aangegeven dat hij wil mee werken aan een verplicht reclasseringscontact of een TBS met voorwaarden heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat deze kaders voldoende waarborg bieden om verdachte voldoende te begeleiden en te behoeden voor recidive.

Uit de hiervoor genoemde rapportages blijkt dat TBS met dwangverpleging is geïndiceerd.

De rechtbank is van oordeel, gelet op alle omstandigheden en met inachtneming van de hiervoor genoemde rapportages, dat met een minder intensieve behandeling dan TBS met dwangverpleging niet kan worden volstaan.

Ter bescherming van de algemene veiligheid van personen ziet de rechtbank derhalve geen andere mogelijkheid dan dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel van tbs met dwangverpleging.

Naast tbs met dwangverpleging dient nog een gevangenisstraf te worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat, naast de tbs-maatregel voor de bewezen verklaarde feiten, nog een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar op zijn plaats is. De rechtbank neemt daarbij met name in aanmerking dat de slachtoffers die verdachte heeft gemaakt nog dagelijks de ernstige gevolgen ondervinden, hetgeen blijkt uit de vorderingen van de benadeelde partijen en de verklaringen van de nichtjes van verdachte die ook een slachtoffer zijn van verdachte.

Beslag:

Van de in beslag genomen computer zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie dit voorwerp in beslag is genomen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het bij parketnummer 16/600562-07 onder 3 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 450,- wegens immateriële schade. Ter zitting van 15 februari 2008 heeft de vertegenwoordiger van de benadeelde partij de vordering - gelet op de psychische schade die [slachtoffer C] nog tot op de dag van vandaag lijdt - verhoogd naar een bedrag van € 3.500,-.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bij parketnummer 16/600562-07 onder 3 bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.000,-.

De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen.

De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard, omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat die zich leent voor verdere behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het bij parketnummer 16/600562-07 onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 4000,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bij parketnummer 16/600562-07 onder 1 bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.000,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard, omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat die zich leent voor verdere behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het bij parketnummer 16/600562-07 onder 3 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 3.500,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bij parketnummer 16/600562-07 onder 1 bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 5.00,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard, omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat die zich leent voor verdere behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer D]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het bij parketnummer 16/604237-07 onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 2.500,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bij parketnummer 16/604237-07 onder 1 bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 2.000,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard, omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat die zich leent voor verdere behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer E]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het bij parketnummer 16/604237-07 onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 750,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bij parketnummer 16/604237-07 onder 2 bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 500,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard, omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat die zich leent voor verdere behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37, 37a, 37b, 57, 63, 245, 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor onder 2.5 vermeld heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder 2.5 als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde onder 2.5 strafbaar is en dat dit de hierboven onder 3 vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 2 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Gelast de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen computer aan verdachte.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 1.000,- (zegge duizend euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 1.000,- (zegge duizend euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer E], wonende te Dieren, ten dele toe tot een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer D], wonende te Dieren, ten dele toe tot een bedrag van € 2000,- (zegge tweeduizend euro).

Veroordeelt de verdachte om deze bedragen telkens tegen kwijting aan deze benadeelde partijen te betalen.

Verwijst de veroordeelde telkens in de kosten door de benadeelde partijen tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen voor wat betreft het overige gedeelte van de vorderingen en dat zij dat deel van hun vordering slechts kunnen aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen:

[slachtoffer C], te betalen € 1.000,- (zegge duizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

[slachtoffer B], € 500,- (zegge vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

[slachtoffer A], € 1.000,- (zegge duizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

[slachtoffer E] € 500,- (zegge vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

en [slachtoffer D] te betalen € 2.000,- (zegge tweeduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partijen te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partijen is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs W. Foppen, D.C.P.M. Straver, A.J.P. Schotman, bijgestaan door mr. L.M. Janssens-Kleijn als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2008.