Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD7658

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
241224/ HA ZA07-2299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening, onderhandse akte, bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 241224 / HA ZA 07-2299

Vonnis van 16 juli 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.A.P.F. Hoens,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J-M.F. Honders.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 13 februari 2008;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de brief van [gedaagde] met een productie ten behoeve van de comparitie;

- de akte inbreng producties van [gedaagde];

- het proces-verbaal van comparitie van 21 mei 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. In juli 2004 is de echtgenoot van [eiseres] overleden. [eiseres] is na dit overlijden opgevangen door [gedaagde] en zijn vrouw, de zus van de overleden echtgenoot van [eiseres]. Medio januari 2006 hebben [eiseres] en [gedaagde] een relatie gekregen. [eiseres] en [gedaagde] hebben van 2 juni 2006 tot 29 juni 2006 samengewoond.

2.2. Tijdens het samenwonen heeft [eiseres] [gedaagde] de beschikking gegeven over haar bankpasjes bij de Postbank N.V. (hierna: Postbank) en F. van Lanschot Bankiers (hierna: Van Lanschot). Voorts heeft [eiseres] [gedaagde] in kennis gesteld van de bijbehorende pincodes.

2.3. Op 26 juni 2006 is van de Postbankrekening van [eiseres] een bedrag van EUR 11.000,- overgeschreven naar de Rabobankrekening van [gedaagde]. Op 29 juni 2006 heeft [gedaagde] met gebruikmaking van [eiseres]’s pinpas bij Van Lanschot een bedrag van in totaal EUR 2.600,- gepind.

2.4. Op 10 juli 2006 heeft [eiseres] bij de politie Utrecht aangifte gedaan van diefstal van geld door middel van een valse sleutel door [gedaagde], bestaande uit het zonder haar toestemming wegnemen van een bankpasje van Van Lanschot uit haar portemonnee en het met dit pasje opnemen van een bedrag van in totaal EUR 2.600,-. Voorts heeft [eiseres] aangifte gedaan van valsheid in geschrifte door [gedaagde], bestaande uit het door middel van een vervalste handtekening voorzien overschrijvingsbewijs doen overschrijven van een bedrag van EUR 11.000,- van [eiseres]’s rekening bij de Postbank naar [gedaagde]s bankrekening. [gedaagde] is door de politierechter te Utrecht vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

2.5. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 september 2006 heeft [gedaagde] bij de politie Utrecht onder meer verklaard:

“Begin mei 2006 vroeg [eiseres], vlak na de verjaardag van mijn dochter, op 1 mei, om geld.

Ze wilde van mij 29.000 euro lenen om haar huis in Bulgarije verder in te richten. Wij zouden dan samen daar gaan wonen.

Ik had [eiseres] namelijk verteld dat ik met mijn vrouw zoveel geld gespaard had en dat dat thuis in een oude sok lag. (…)

Wij kwamen aan dat geld door ongeveer 600 euro per maand, de laatste tijd, te sparen. We spaarden al een hele tijd. Ik verdien 2800,- euro bruto en mijn vrouw past op onze zes kleinkinderen en dat levert ook geld op.

[eiseres] en ik spraken toen af dat ze van mij dat geld mocht lenen. (…)

Op 12 mei de dag voordat [eiseres] naar Bulgarije ging heb ik haar die 29.000, euro gegeven.

Het waren bankbiljeetn van 50 en van 100 euro. Ik had het geld in een etui gedaan, waar je bijvoorbeeld tandpasta en een tandenborstel indoet als je op vakantie gaat. (…)

Op 28 mei 2006 was [eiseres] weer thuis.

Ik heb toen de volgende dag aan haar gevraagd wanneer het geld terug kwam. Ze hield me toen een beetje af.

Op deze dag (2 juni 2006, toevoeging rechtbank) heb ik ook een kontrakt gemaakt dat [eiseres] mij 29.500,- eduro schuldig was. [eiseres] heeft dat toen ook ondertekend. Ik heb dat kontrakt dus geschreven. (…)

Op 21 juni 2006 hebben we het erover gehad en toen heeft ze kwaad de overschrijvingsmapjes van de postbank en van de van Landschot bank gepakt. Ik zag dat ze die haalde uit de antieke kast. Ze heeft toen kwaad uit elk mapje een overschrijving gepakt en begon toen wilt te schrijven op het overschrijvings bewijs.

Ze heeft er een verschreven en een bij het uitscheuren van het mapje er een door middengescheurd. Ze was heel kwaad. Uiteindelijk heeft ze toen een overschrijvingsbewijs uit het mapje gepakt en dat beschreven. Ze heeft toen een bedrag van 11.000 euro van haar postbank naar mijn rekening [xxx] van de Rabobank overgemaakt. Ze heeft dat dus zelf geschreven en zelf haar handtekening gezet. Daarop heeft ze van de van Landschotbank ook een overschrijving ingevuld en daarmee 18500,- euro van haar rekening aldaar naar mijn rekening van de rabobank ingevuld.

Die hebben we in enveloppen gedaan bij op de post gedaan bij een winkelcentrum bij de Jan van Galenstraat in Utrecht. (…)

Ik wilde dus mijn geld terug.

Kwaad gaf ze me toen de pasjes van haar en kon ik het geld eraf halen. Ik had dus toen al wel 11.000 euro op mijn bankrekening staan.

Op 29 juni heb ik toen het pasje van de van Landschot bank gebruikt. Ik wist daar de pincode van. Ik had die van [eiseres] ongeveer twee weken daarvoor gekregen. Ze zei toen tegen mij dat als er wat gebeurd met mij kun je erover beschikken.

Op 28 juni 2006, gooide [eiseres] de twee bankpassen, Postbank en van Landschotbank, naar mij toe. Ik zei toen tegen [eiseres] dat geld van de postbank heb ik al dus dat pasje hoef ik niet. Ik heb toen wel het pasje van de van Lamdschotbank bij me gehouden.”

2.6. Volgens het proces-verbaal van verhoor van 5 september 2006 heeft [eiseres] bij de politie Utrecht onder meer verklaard:

“Op 13 mei 2006 ben ik per vliegtuig naar Sofia gegaan. Dat was voor het afstuderen van mijn dochter en voor mijn kleinzoon. Ik zou tevens wat dingen aan het huis doen.

Ik heb toen vanuit Nederland 2000,- (tweeduizend) euro kontant meegenomen. Dat was voor daar te leven en dingen voor het huis te doen. Ik heb daarvan gekocht onder andere de keuken en inbouw daarvoor en wel voor 1150,- euro. Het is daar namelijk veel goedkoper dan in Nederland.

Ik heb dus nooit 29.000,- (negenentwintig duizend) euro kontant meegenomen om daar spullen voor het huis te kopen.

Ik kan zoveel geld niet meenemen, in Sofia moet je melden hoeveel geld je bij je hebt. Daar worden namelijk je koffer en handbagage erg goed gecontrolleerd en wordt je ook gefouilleerd. Je moet ook vertellen hoeveel geld je bij je hebt. Als ze meer vinden dan dat je zegt dat je bij je hebt dan wordt dat allemaal afgepakt en ben je dat kwijt en krijg je nooit meer terug.”

2.7. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 7 september 2006 heeft [naam], de echtgenote van [gedaagde], bij de politie Utrecht onder meer verklaard:

“Hij ([gedaagde], toevoeging rechtbank) vertelde mij dat hij aan haar ([eiseres], toevoeging rechtbank) geld had geleend om mee te nemen naar Bulgarije. (…) Zij heeft van [gedaagde] een bedrag van 25.000,- tot 30.000,- euro geleend. [gedaagde] heeft het daar nooit met mij over gehad, maar het was ook mijn geld. Ik hoorde dat dus pas nadat [gedaagde] weer bij mij terug was.

Wij kwamen aan dat geld omdat wij weinig uitgeven aan vakantie e.d. en hebben heel lang erover gedaan dat geld bij elkaar te krijgen.

We bewaarden dat geld contant thuis omdat er wel eens zomaar een groot bedrag van onze rekening was afgehaald. [gedaagde] vertelde dat hij het geld contant aan [eiseres] had gegeven.

Hij heeft mij een contract laten zien dat in ieder geval door [eiseres] was ondertekend. Of [gedaagde] ook had ondertekend weet ik niet meer. Ook weet ik niet of het een origineel contract of een kopie was. Het bedrag van de lening was rond de 29.000,- euro.

Toen [gedaagde] bij mij terug kwam had hij veel contant geld bij zich. Hij vertelde dat het rond de 13.000,- euro was en dat dit een gedeeltelijke terugbetaling van de lening was van [eiseres]. Hij vertelde dat hij dit met [eiseres] had gepind van haar bankrekening, dus met haar toestemming.”

2.8. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 12 september 2007 heeft [gedaagde] bij de rechter-commissaris mr. R.A.E. van Noort onder meer verklaard:

“Tijdens mijn verklaringen bij de politie heb ik de waarheid verklaard. Ik heb niets anders te verklaren dan de waarheid. Tijdens die verhoren ben ik nooit in de gelegenheid geweest om foto’s te laten zien. Aan de hand van die foto’s kan ik bewijzen wat [eiseres] met het geld dat ik haar heb geleend wilde doen. Ik wil u foto’s laten zien van het huis dat [eiseres] in Bulgarije heeft laten bouwen. U ziet dat het niet zomaar een huis is. Het is erg groot. Met de foto’s wil ik aantonen dat het huis nog niet af was.

De donderdag voor haar vertrek naar Bulgarije belde [eiseres] mij in paniek op. Ze vertelde mij dat er een muur van het huis was omgevallen op het terrein van de buren. Dat moest worden hersteld en daarvoor was geld nodig. Daarnaast vertelde ze me dat de ramen van de woning van haar ouders verrot waren en dat er nieuwe kozijnen in dat huis moesten komen. Ook was haar eigen huis nog niet afbetaald en wilde ze nieuwe spullen kopen om het in te richten. Er moest een keuken in en ook dingen als koelkast en vriezer. Kortom het huis was nog niet af. Zij had mij verteld dat zij deze uitgaven zelf niet kon doen omdat zij niet bij haar geld kon komen in verband met perikelen met belastingen/verzekeringen.”

2.9. Op 17 oktober 2007 heeft [eiseres] onder de Staat der Nederlanden conservatoir beslag doen leggen op het door de politie Utrecht bij [gedaagde] in beslag genomen geldbedrag van EUR 12.400,-.

2.10. Op 8 december 2006 heeft drs. W.P.F. Fagel van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een rapport uitgebracht naar aanleiding van een vergelijkend handschriftonderzoek naar een overschrijvingskaart van Van Lanschot en een kopie van een overschrijvingskaart van de Postbank. Op pagina 5 van dit rapport concludeert Fagel:

“De resultaten van dit onderzoek leiden tot de conclusie dat de invullingen op de overschrijvingskaarten [23/1 en 23/2; respectievelijk de kopie van de overschrijvingskaart van de Postbank en de overschrijvingskaart van Van Lanschot, toevoeging rechtbank] hoogstwaarschijnlijk niet zijn geschreven door [eiseres] zelf en waarschijnlijk niet door [gedaagde].

De resultaten van het onderzoek geven verder geen steun aan de stelling dat de betwiste handtekening op de in origineel beschikbare overschrijvingskaart [23/2] van Van Lanschot Bankiers is gezet door [eiseres] zelf. (Voor de handtekening op de overschrijvingskaart van de Postbank [23/1] kan hierover aan de hand van de beschikbare kopie geen oordeel worden gegeven.)

Over de vraag of de betwiste handtekeningen al dan niet zijn geproduceerd door [gedaagde] kan op grond van de resultaten van het onderzoek geen oordeel worden gegeven.”

2.11. Op 24 april 2008 heeft W. de Jong, forensisch schriftexpert bij Niehoff & De Jong Schriftonderzoek een rapport uitgebracht. Op pagina 3 van dit rapport schrift De Jong:

“Samengevat moet daarom worden vastgesteld, dat een bindende uitspraak ten aanzien van de echtheid van de handtekening – gelet op de beperkingen, die gelden voor het doen van onderzoek aan fotokopieën – niet mag worden verwacht. Er kan echter worden onderzocht, of het schriftmateriaal objectieve indicatoren bevat, die een tendensuitspraak met betrekking tot de echtheid cq. valsheid van de betwiste handtekening mogelijk maken.”

Voorts vermeldt De Jong:

“Er heeft alleen een verificatie plaatsgevonden van de mogelijkheid, dat de handtekening een zodanige congruentie in vorm ten opzichte van de beschikbare vergelijkings-handtekening bezit, dat van een kunstmatige productie (bijv. montage) moet worden uitgegaan.

Dit onderzoek is uitgevoerd met behulp van digitale beeldbewerkingstechnieken (ImageAccess 4.0) en heeft geen aanwijzingen voor een kunstmatige productie opgeleverd.”

In zijn conclusie zegt De Jong:

“Het is niet mogelijk om de vraag te beantwoorden, of de handtekening naast de vermelding “Handtekening: Accoord Verklaring” op een overeenkomst tot geldlening, gedateerd 05.06.2006, al dan niet door mevrouw [eiseres] is vervaardigd, zonder het betwiste document in de originele vorm in het laboratorium op fysische en schriftkundige aspecten te hebben onderzocht.”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert na eisvermindering – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 13.600,-, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten, waaronder de kosten van het beslag, alsmede een dwangsom van EUR 50,- per dag voor het geval [gedaagde] zijn verplichtingen opgelegd bij vonnis niet of slechts deels nakomt.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. In conventie vraagt [gedaagde] de rechtbank ook:

- te verklaren voor recht dat het door de politie Utrecht in beslag genomen bedrag van EUR 12.400,- rechtmatig aan hem toebehoort;

- te oordelen dat het op het door de politie Utrecht in beslag genomen bedrag van EUR 12.400,- gelegde conservatoire beslag zal dienen te worden opgeheven;

- te oordelen dat het door de politie Utrecht in beslag genomen bedrag van EUR 12.400,- aan hem zal worden teruggegeven.

in reconventie

3.3. [gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van [eiseres] tot betaling van EUR 15.900,- , vermeerderd met rente en kosten alsmede te oordelen dat een deskundige zal worden opgedragen onderzoek te doen naar de authenticiteit van de op de schuldverklaring van 2 juni 2006 geplaatste handtekening van [eiseres], in welk verband [gedaagde] de rechtbank verzoekt te oordelen dat [eiseres] de originele schuldverklaring zal overleggen.

3.4. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. In de kern komen de vorderingen van [eiseres] erop neer dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zonder haar toestemming een bedrag van EUR 11.000,- van haar Postbankrekening naar zijn rekening over te schrijven en, eveneens zonder haar toestemming, een bedrag van in totaal EUR 2.600,- van haar rekening bij Van Lanschot te pinnen. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt [eiseres] dat [gedaagde] geen recht heeft op dit bedrag, omdat zij nimmer geld van hem heeft geleend en op haar derhalve geen verplichting rust enig bedrag aan [gedaagde] terug te betalen. In dit verband stelt [eiseres] zich tevens op het standpunt dat zij nimmer een schriftelijke overeenkomst van geldlening heeft getekend. Ter comparitie heeft [eiseres] verklaard dat zij de schuldbekentenis waarop [gedaagde] zich beroept, nooit heeft gezien. Namens [eiseres] is ter comparitie voorts toegelicht dat hiermee bedoeld is dat zij de schuldbekentenis niet op de avond zelf heeft gezien, maar pas bij de politie toen deze haar met de schuldbekentenis confronteerde. Voorts is namens [eiseres] toegelicht dat met deze uitleg niet wordt geïmpliceerd dat de schuldbekentenis op een avond zou zijn getekend, maar dat enkel wordt aangehaakt bij de stellingen van [gedaagde].

Ter onderbouwing van haar standpunt dat [gedaagde] zonder haar toestemming het bedrag van EUR 11.000,- van haar rekening bij de Postbank naar zijn rekening heeft overgeschreven, stelt [eiseres] dat de overschrijvingskaart waarmee dit bedrag is overgeschreven noch door haar is ingevuld noch ondertekend. Hiervoor verwijst zij naar het rapport van het NFI (zie r.o. 2.10). [eiseres] erkent evenwel dat het niet waarschijnlijk is dat de handtekening op de overschrijvingskaart afkomstig is van [gedaagde]. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] bovendien geprobeerd door middel van een valselijk ingevulde en ondertekende overschrijvingskaart een bedrag van EUR 18.500,- van haar rekening bij Van Lanschot naar zijn eigen bankrekening over te schrijven. Ter comparitie heeft [eiseres] aangevoerd dat zij deze transactie stop kon zetten, omdat Van Lanschot telefonisch contact met haar opnam om opheldering over de voorgenomen transactie te vragen.

Met betrekking tot de pintransacties heeft [eiseres] voorts toegelicht dat het de bedoeling was dat het salaris van [gedaagde] op haar rekening bij Van Lanschot zou worden gestort en dat deze rekening een gezamenlijke rekening zou worden. Daarom heeft zij [gedaagde] de beschikking gegeven over haar bankpasje en de bijbehorende pincode. Tijdens de comparitie heeft [eiseres] voorts aangegeven dat zij haar rekening bij Van Lanschot uitsluitend gebruikt voor betaling van haar vaste lasten. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat [eiseres] stelt dat zij [gedaagde] geen toestemming heeft gegeven dit bankpasje te gebruiken voor het opnemen van EUR 2.600,- voor de terugbetaling van de door hem gestelde lening.

[eiseres] heeft nader toegelicht dat zij naar Bulgarije is gereisd in verband met het afstuderen van haar jongste dochter, waarbij zij verwijst naar het proces-verbaal van verhoor van 5 september 2006 (zie r.o. 2.6). Tijdens haar verblijf in Bulgarije heeft zij een keuken gekocht, die in de op haar moeders naam staande woning zal worden ingebouwd. De kosten hiervan bedragen volgens [eiseres] ongeveer EUR 1.500,-. [eiseres] stelt dat zij beschikt over documenten waaruit blijkt dat zij deze keuken heeft gekocht. Volgens [eiseres] had zij, anders dan [gedaagde] stelt, evenmin geld nodig voor de voornoemde woning, omdat deze al in 2004 gereed is gekomen hetgeen door haar aannemer in Bulgarije bevestigd kan worden. [eiseres] heeft voorts toegelicht dat zij genoeg geld heeft in Bulgarije en zij derhalve geen reden had om geld van [gedaagde] te lenen. [eiseres] betwist tot slot dat het de bedoeling was dat [gedaagde] en zij in deze woning zouden gaan samenwonen, zoals [gedaagde] stelt.

4.2. [gedaagde] erkent dat hij een bedrag van EUR 11.000,- op zijn bankrekening heeft ontvangen dat van [eiseres]’s rekening bij de Postbank afkomstig is en tevens dat hij een bedrag van in totaal EUR 2.600,- van [eiseres]’s rekening bij Van Lanschot heeft gepind. Hij betwist echter dat hij zonder [eiseres]’s toestemming de beschikking heeft gekregen over deze gelden. Ter onderbouwing van dit verweer stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat hij op 12 mei 2006, vlak voordat zij naar Bulgarije vertrok, aan [eiseres] een bedrag van EUR 29.000,- heeft geleend. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] hem verteld dat zij dit geld nodig had om het huis in Bulgarije op te knappen en tevens voor het feest van haar dochter, in welk verband hij verwijst naar zijn bij de politie afgelegde verklaring (zie r.o. 2.5). Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [gedaagde] tevens naar de foto’s die hij bij akte in het geding heeft gebracht, welke foto’s volgens hem dateren van mei 2006. Uit deze foto’s blijkt volgens hem dat de woning nog niet gereed was en te zien is dat de woning onder meer geen ramen en sanitair heeft. Hierbij verwijst [gedaagde] tevens naar de door hem afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris (zie r.o. 2.8). [eiseres] had de sleutels van de woning ook nog niet, omdat zij de aannemer nog niet volledig had betaald, aldus [gedaagde]. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] nader toegelicht dat het de bedoeling was dat [eiseres] en hij de woning in Bulgarije zouden betrekken. Volgens [gedaagde] hebben [eiseres] en hij daar bijna dagelijks over gesproken.

Ter onderbouwing van zijn verweer stelt [gedaagde] voorts dat hij zijn schoonzoon, [schoonzoon], een paar dagen voor het vertrek van [eiseres] in kennis heeft gesteld van zijn voornemen het geld aan haar uit te lenen.

Verder stelt [gedaagde] dat [eiseres] na haar terugkeer uit Bulgarije onduidelijk was over wat zij met het geld had gedaan en dat bij hem toen de vrees ontstond dat hij het geld niet terug zou krijgen. Toen heeft hij voor de zekerheid een schuldbekentenis opgesteld die volgens hem door [eiseres] is ondertekend. Deze schuldbekentenis luidt:

“Utrecht 02-06-2006.

Hierbij verklaar ik Mevr: [eiseres] wonende [adres] met identiteitsbewijsnummer NLD [xxx] en paspoort nr [xxx] een geld bedrag totaal € 29.000 geleend te hebben op vrijdag 12 mei 2006 van de [gedaagde] wonende te [woonplaats].

Dit geld bedrag van € 29.000 plus € 500 rente

betaal ik terug voor 02-july 2006

Dit doe ik door een bedrag van € 18.500 plus een bedrag van € 11.000 over te maken op rek nr: [xxx] t.n.v. [gedaagde] wonende te [adres] Dit geld bedrag gebruik ik voor ons toekomstige huis in Bulgarye wat nog afbetaald moet worden en ingericht moet worden.

Handtekening: Accoord Verklaring: (…)

(…)”

Met betrekking tot de overschrijving van EUR 11.000,- betwist [gedaagde] dat hij de overschrijvingskaart valselijk heeft ingevuld, waarbij hij verwijst naar het rapport van De Jong (zie r.o. 2.11). [gedaagde] voert aan dat [eiseres] de overschrijvingskaart (alsmede de overschrijvingskaart voor de betaling van EUR 18.500,-) zelf heeft ingevuld en ondertekend, waarna zij deze kaart gezamenlijk op de bus hebben gedaan.

Met betrekking tot de pintransactie voert [gedaagde] aan dat [eiseres] hem na ondertekening van voornoemd contract de bankpasjes heeft gegeven met de mededeling “Als je me niet vertrouwt, dan heb je hier de pasjes”. Ter comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat [eiseres]’s rekening bij de Postbank de gezamenlijke rekening zou worden en niet de rekening bij Van Lanschot. Deze laatste rekening wordt immers door [eiseres] gebruikt uitsluitend om haar vaste lasten te betalen. Kennelijk bedoelt [gedaagde] hiermee te zeggen dat [eiseres] hem de pas van Van Lanschot heeft gegeven om geld van haar rekening bij Van Lanschot te pinnen, zodat zij aan haar terugbetalingsverplichtingen zou kunnen voldoen.

Voorts heeft [gedaagde] toegelicht dat hij het financieel goed had en hij geen enkele reden had [eiseres] geld afhandig te maken, waarbij [gedaagde] onder meer verwijst naar de verklaring van zijn echtgenote (zie r.o. 2.7).

Namens [gedaagde] is ter comparitie opgemerkt dat hij nimmer de stelling heeft betrokken dat de schuldbekentenis op een avond is getekend. Het verweer van [eiseres], inhoudende dat zij de schuldbekentenis niet ’s avonds maar pas bij de politie heeft gezien, impliceert volgens [gedaagde] dan ook dat wel degelijk op een avond sprake was van de betreffende schuldbekentenis.

4.3. Gelet op hetgeen over en weer is gesteld en ter zitting is verklaard, en mede gelet op het rapport van het NFI waaruit onder meer blijkt dat het niet waarschijnlijk is dat de invulling op de overschrijvingskaart van de Postbank van [gedaagde] afkomstig is (zie r.o. 2.10), zal de rechtbank [eiseres] – zijnde de partij op wie de bewijslast rust ter zake van de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig geld heeft weggenomen – opdragen te bewijzen dat [gedaagde] zonder haar toestemming:

- een bedrag van EUR 11.000,- van haar rekening bij de Postbank op zijn eigen bankrekening heeft doen overschrijven, en

- een bedrag van EUR 2.600,- van haar bankrekening bij Van Lanschot heeft gepind.

4.4. Ten aanzien van de conventionele eisen van [gedaagde] overweegt de rechtbank als volgt. Deze zijn niet bij wege van verweer, maar als zelfstandige vorderingen ingesteld. Nu deze vorderingen niet in conventie kunnen worden ingesteld, zullen zij worden afgewezen.

4.5. Met betrekking tot [gedaagde]s eis tot teruggave aan hem van het door de politie Utrecht in beslag genomen bedrag van EUR 12.400,- overweegt de rechtbank bovendien dat teruggave van dit bedrag niet in [eiseres]’s macht ligt. [eiseres] zal derhalve nimmer aan deze vordering, indien deze voor toewijzing vatbaar zou zijn, kunnen voldoen, zodat deze vordering ook hierom zal worden afgewezen.

in reconventie

4.6. De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van de vraag of de reconventionele vorderingen van [gedaagde] voor toewijzing in aanmerking komen, niet slechts afhankelijk is van het door [eiseres] te leveren bewijs in conventie (zie r.o. 4.3). Voor deze beantwoording is eveneens nodig dat vast komt te staan dat [gedaagde] een bedrag van EUR 29.000,- aan [eiseres] heeft uitgeleend.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat de schuldbekentenis waarop [gedaagde] zich beroept (zie r.o. 4.2) ingevolge artikel 159 lid 2 Rv. geen dwingend bewijs tussen [gedaagde] en [eiseres] oplevert van [gedaagde]s stelling dat hij voornoemd bedrag aan [eiseres] heeft uitgeleend, omdat [eiseres] de echtheid betwist van de handtekening die op deze schuldbekentenis is aangebracht.

4.8. Gelet hierop en gelet op hetgeen over en weer is gesteld en ter zitting is verklaard, zal de rechtbank [gedaagde] – zijnde de partij op wie de bewijslast rust – opdragen te bewijzen dat hij aan [eiseres] een bedrag van EUR 29.000,- heeft uitgeleend.

4.9. Ter comparitie heeft [gedaagde] nader toegelicht dat zijn verzoek, inhoudende dat de rechtbank oordeelt dat [eiseres] de originele schuldbekentenis zal overleggen, gezien moet worden als een verzoek ingevolge artikel 22 Rv. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [eiseres] over de originele schuldbekentenis beschikt.

in conventie en reconventie

4.10. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.11. Het komt de rechtbank om proceseconomische redenen raadzaam voor dat de getuigenverhoren zodanig worden ingericht dat hetgeen in het getuigenverhoor in conventie wordt verklaard tevens wordt gebruikt voor het tegenverhoor in reconventie en dat hetgeen in het verhoor in reconventie wordt verklaard tevens wordt gebruikt voor het tegenverhoor in conventie. De rechtbank geeft partijen ter overweging mee hierover met elkaar in overleg te treden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. draagt [eiseres] op te bewijzen hetgeen is weergegeven onder r.o. 4.3,

5.2. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.E. Heinemann in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op maandag 3 november 2008 van 9.00 uur tot 17.00 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank – ter attentie van de secretaresse van de rechters (mevrouw H. Alberts, kamer A.2.16) – om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de vier maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van mevrouw H. Alberts voornoemd – en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.7. draagt [gedaagde] op te bewijzen hetgeen is weergegeven onder r.o. ?4.8,

5.8. bepaalt dat, indien [gedaagde] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.E. Heinemann in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op maandag 3 november 2008 van 9.00 uur tot 17.00 uur,

5.9. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank – ter attentie van de secretaresse de rechters (mevrouw H. Alberts, kamer A.2.16) – om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de vier maanden volgend op genoemde datum,

5.10. bepaalt dat [gedaagde], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van mevrouw H. Alberts voornoemd – en aan de wederpartij moet opgeven,

5.11. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.12. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2008.

w.g. griffier w.g. rechter