Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD7190

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
SBR 08-1100 en SBR 08-1118
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor de bouw van een Aldi-supermarkt en zes appartementen op het perceel Johan van Oldebarneveltlaan 110 te Zeist. Discrepantie tussen op de plankaart aangegeven bebouwingsformule en planvoorschriften. De planvoorschriften in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigt de conclusie dat de op de plankaart aangegeven bebouwingsformule niet geldt voor bedrijfsgebouwen in de bestemming "gemengde wijk". Dit betekent dat het perceel over de volle breedte en diepte bebouwd mag worden. Binnenplanse vrijstelling is niet aan de orde. Het beroep is desondanks gegrond omdat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beschreven hoe en waar de twaalf benodigde parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/1100 en SBR 08/1118

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2008

inzake

[K], eiser I, en

[D], eiser II,

beiden wonende te Zeist,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist,

verweerder.

Inleiding

1.1 De beroepen hebben betrekking op het besluit van verweerder van 28 februari 2008, waarbij de bezwaren van eisers tegen het besluit van 23 augustus 2007 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan Reebun Projecten B.V. (vergunninghouder) bouwvergunning verleend voor de bouw van een Aldi-supermarkt met zes appartementen op het perceel Johan van de Oldebarneveltlaan 110 te Zeist (hierna: het perceel).

1.2 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 mei 2008, waar eiser I in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS-rechtsbijstand te Amsterdam. Eiser II is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N.K.J. Wiggers, werkzaam bij de gemeente Zeist. Namens vergunninghouder zijn mr. R.P.M. de Laat, advocaat te Utrecht, A. Knottnerus, O. Kamerbeek en M. van den Brink, ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld, het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerst lid, onderdeel a.

2.2 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bebouwingsvoorschriften partieel uitbreidingsplan Waterwingebied Zeist" heeft het perceel de bestemming "gemengde wijk", waarbij op de plankaart de nadere aanduiding 300-IV-5 (de bebouwingsformule) is opgenomen.

In artikel 5, zesde lid (gemengde wijk), van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

a. op gronden, bestemd voor gemengd wijk, zulks met inachtneming van het bepaalde in het dertiende lid, mogen uitsluitend worden gebouwd:

1. eensgezinshuizen;

2. meergezinshuizen in ten hoogste drie bouwlagen, waarvan op de begane grond winkels of plaatselijk verzorgende en ambachtelijke bedrijven zijn gevestigd;

b. in afwijking van het bepaalde onder a 1 kan de vestiging van winkels en plaatselijk verzorgende en ambachtelijke bedrijven worden toegelaten;

c. indien de onder a 2 genoemde bebouwing wordt toegepast, mag het bedrijfsgedeelte de bebouwingsstrook aan de niet naar de weg gekeerde zijde over de volle perceelsdiepte overschrijden, mits dit gedeelte met platte daken wordt afgedekt en de toetreding van licht en lucht tot een bestaande of op grond van het plan mogelijk te stichten woon- of werkruimte niet wordt belemmerd;

d. indien de voorgevel van een bedrijfsgebouw of winkel niet over de volle perceelsbreedte wordt opgericht in de op de kaart aangegeven rooilijn, waaronder wordt verstaan de naar de weg toegekeerde grens van de bebouwingsstrook, moet het terrein aan de wegzijde over de volle of de resterende terreinbreedte worden afgesloten door een gemetselde muur van tenminste 1,70 m hoogte. De strook grond gelegen achter de bovenbedoelde muur moet over een diepte van tenminste 5 m onbebouwd blijven;

e. de goothoogte der bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 7 m bedragen;

f. burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor te schrijven dat aan een zijde het perceel over een breedte van 3 m en over de volle diepte onbebouwd moet blijven en vanaf de openbare weg bereikbaar moet zijn.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, sub c, voor de bedrijfsbebouwing.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, betekent in de in het plan aangegeven bebouwingsformules, bevattende de eisen waaraan bij het bouwen moet worden voldaan, het eerste getal de minimum woninginhoud, het tweede getal, in Romeinse cijfers, het grootst aantal aaneen te bouwen woningen en het derde getal de minimumdiepte van de onbebouwde ruimte op eigen erf tot de aangrenzende terreinen aan weerszijden van elk gebouw in meters.

2.3 Het bouwplan bestaat uit het oprichten van een winkel met zes appartementen, waardoor het perceel volledig bebouwd zal zijn.

2.4 Eisers hebben in hun beroepschriften - samengevat - naar voren gebracht dat het bouwplan, gelet op de voor het perceel geldende bebouwingsformule, niet voldoet aan het bestemmingplan. Het bouwplan voorziet immers in bebouwing van het gehele perceel, terwijl volgens de op de plankaart weergegeven bebouwingsformule minimaal vijf meter tot het aangrenzende terrein onbebouwd dient te blijven. Voorts wordt door het bouwplan de privacy van eiser I aangetast en heeft verweerder ten onrechte de vermindering van zon- en lichtinval op het perceel van eiser II niet beoordeeld.

2.5 Niet in geschil is dat er een discrepantie bestaat tussen de op de plankaart aangegeven bebouwingsformule 300-IV-5, waarbij met het laatste getal de minimumdiepte van de onbebouwde ruimte op eigen erf tot de aangrenzende terreinen aan weerszijden van elk gebouw in meters wordt weergegeven, en een aantal planvoorschriften, dat het volledig bebouwen van het perceel toestaat.

2.6 Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waarbij de plankaart is bestudeerd, bestaan er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat voor bedrijfsgebouwen in de bestemming 'gemengde wijk' de bebouwingsformule niet van toepassing moet worden geacht. Daartoe overweegt de rechtbank, in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2007, LJN: BA3777, dat de planvoorschriften in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien. De rechtbank constateert, met de hoor- en adviescommissie, dat in het derde, vierde en vijfde lid van artikel 5 van de planvoorschriften, naast de algemene verwijzing naar artikel 13 (bebouwingsformule), alleen bij woningbouw expliciet wordt verwezen naar de op de plankaart aangegeven bebouwingsformule. Deze constatering, in onderlinge samenhang bezien met artikel 5, zesde lid, sub c, d, en f, van de planvoorschriften, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de op de plankaart aangegeven bebouwingsformule niet geldt voor bedrijfsgebouwen in de bestemming "gemengde wijk". Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de bebouwing over de volledige perceelsbreedte en diepte niet in strijd is met het bestemmingsplan. Een binnenplanse vrijstellingsprocedure, zoals door eiser I bepleit, ligt dan ook niet in de rede. Gelet hierop komt de rechtbank aan een beoordeling van de door eiser I genoemde inbreuk op zijn privacy niet toe. Artikel 44 van de Woningwet bevat immers een limitatief-imperatief stelsel, waarbij een bouwvergunning alleen in de aangegeven gevallen geweigerd kan worden en, in een dergelijk geval, ook geweigerd moet worden. Privaatrechtelijke aspecten vormen geen weigeringsgrond in de zin van deze bepaling.

2.7 De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het gestelde van eiser II met betrekking tot zon- en lichtinval om de hierbovengenoemde reden in deze procedure evenmin aan de orde kan komen. De rechtbank ontleent aan het bepaalde in artikel 5, zesde lid, sub c, van de planvoorschriften dat verweerder, indien het bedrijfsgedeelte de bebouwingsstrook aan de niet naar de weg gekeerde zijde over de volle perceelsdiepte overschrijdt, dient te beoordelen of de toetreding van licht en lucht tot een bestaande woonruimte niet wordt belemmerd door het bouwplan. Verweerder heeft dit niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het nalaten van deze afweging door verweerder echter zonder gevolgen blijven. De rechtbank overweegt daartoe dat de woning van eiser II zich op de naar de weg gekeerde bebouwingsstrook bevindt, en dus niet, zoals genoemd artikel bepaalt, op de bebouwingsstrook aan de niet naar de weg gekeerde zijde. Om deze reden kon verweerder van de in dit artikel vereiste belangenafweging afzien. Overigens overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken, in het bijzonder situatietekeningen die behoren bij de in opdracht van vergunninghouder gemaakte 'schaduwstudie', kan worden afgeleid dat de daglichttoetreding tot de woning van eiser II door het bouwplan niet afneemt.

2.8 Ten slotte hebben eisers naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de vraag of de in de voorwaarden van de bouwvergunning opgenomen aantal van twaalf te realiseren parkeerplaatsen ook daadwerkelijk op de beoogde locatie kunnen worden gerealiseerd. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat ter plaatse thans sprake is van een hondenuitlaatplaats en een groenvoorziening.

2.9 In de bouwvergunning is, voor zover hier van belang, de voorwaarde opgenomen dat op kosten van de aanvrager langs de Van Oldebarneveltlaan en Dr. W. Dreeslaan in de directe nabijheid van het perceel door de gemeente zeven parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Op kosten van de aanvrager dient voorts de voor het pand gelegen parkeerstrook door de gemeente te worden voorzien van een parkeerindeling alsmede een aanduiding dat deze strook in gebruik is als laad- en losvoorziening gedurende een nader te bepalen periode in de ochtend.

2.10 Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Zeist (hierna: de bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

In artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening is bepaald dat burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in het eerste en derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.11 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State brengt een redelijke uitleg van artikel 2.5.30 van de bouwverordening met zich mee dat voldoende aannemelijk moet zijn dat de benodigde parkeerplaatsen uiterlijk ten tijde van ingebruikneming van het bouwplan beschikbaar zullen zijn.

2.12 De rechtbank overweegt dat, gelet op het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening en gezien de bestemming van het gebouw, in beginsel voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein dient te worden gerealiseerd.

Echter niet in geschil is dat parkeren op eigen terrein niet mogelijk is en dat artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening de mogelijkheid biedt om van de in het eerste lid opgenomen verplichting vrijstelling te verlenen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ontheffing van deze verplichting, gelet op de in de bouwvergunning opgenomen voorwaarden, als impliciet verleend moet worden beschouwd. De rechtbank acht deze benadering vanuit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming van derden niet aanvaardbaar. Nu evenwel in het advies van de hoor- en adviescommissie, onder verwijzing naar een interne notitie over parkeerproblematiek, gemotiveerd is overwogen dat verweerder op goede gronden de eerdergenoemde voorwaarden in de bouwvergunning heeft opgenomen en de rechtbank in de gedingstukken geen aanknopingspunten heeft gevonden voor een ander oordeel hieromtrent, is de rechtbank van oordeel dat met het bestreden besluit de ontheffing geacht moet worden te zijn verleend op de grond dat op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.13 De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beschreven hoe en waar de twaalf parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Voorts bestaat er onduidelijkheid over de vraag welke procedure daarvoor gevolgd zal worden en het tijdspad dat deze procedure in beslag zal nemen. Verweerder heeft hierover op de zitting evenmin voldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Het beroep van eisers is in zoverre gegrond.

2.14 Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank ziet aanleiding het primaire besluit van 23 augustus 2007 met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te schorsen tot twee weken na de datum van het als gevolg van de vernietiging te nemen nieuwe besluit op bezwaar.

2.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor eiser I vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Voor eiser II worden deze kosten eveneens op € 644,- vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 28 februari 2008;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

3.4 schorst het besluit van 23 augustus 2007 tot twee weken na dat nieuwe besluit op bezwaar;

3.5 bepaalt dat de gemeente Zeist de door eisers betaalde griffierechten ten bedrage van € 290,- (twee maal € 145,-) aan hen vergoeden;

3.6 veroordeelt verweerder in de kosten van eisers in deze gedingen ten bedrage van € 1288,-, te betalen door de gemeente Zeist..

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2008.

De griffier: De rechter:

mr. V.N. Sluiter mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.