Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD6960

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
08/963000-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sneep-zaak, zes verdachten. Allen schuldig aan vrouwenhandel ten aanzien van een of meer vrouwen. Gedeeltelijke vrijspraak op dit punt mede als gevolg van de formulering van de tenlaste¬leggingen.

Vijf verdachten tevens schuldig aan deelneming en/of leiding geven aan een criminele organisatie. “Kenmerkend voor de organisatie was de nietsontziende en gewelddadige wijze waarop werd gehandeld. (…) Het dossier staat bol van geweld en intimidaties.” Deze vijf verdachten hebben “geen enkel respect (…) voor de lichamelijke en geestelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van deze vrouwen”.

Voorts schuldigverklaringen voor onder meer mishandeling van individuele vrouwen.

Voor de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij veroordelingen door andere rechterlijke colleges in het land. De rechtbank heeft verkrachting en dwang tot borstvergroting of tot abortus als strafverzwarende omstandigheden aangemerkt.

Straffen variërend van acht maanden tot zeven jaar en zes maanden. Gedeeltelijke toekenning van door slachtoffers gevorderde schadevergoedingen. Voorschotbedragen oplopend tot € 50.000,--.

Het onderstaande vonnis betreft de oudste van de twee betrokken broers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

NEVENZITTINGSPLAATS ALMELO

Parketnummer: 08/963000-07

STRAFVONNIS

Uitspraak: 11 juli 2008

De rechtbank te Utrecht, zitting houdende te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie bij het Landelijk Parket, tegen:

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [1965],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in het huis van bewaring 'De Berg' te

Arnhem,

terechtstaande - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ter zake dat:

1A.

hij in of omstreeks de periode 01 oktober 2000 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of te Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Alkmaar en/of elders in

Nederland en/of België en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen,

- [vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 14],

(telkens) door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door

bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden

heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht en/of door misleiding heeft/hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling en/of onder voornoemde omstandigheid/heden enige handeling heeft/hebben ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 14] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde(n);

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit seksuele handelingen van een ander, genaamd [vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 14], met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 14] door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden werd(en) gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding werd(en) bewogen zich beschikbaar te stellen tot het plegen van die handelingen;

en/of

[vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 14] (telkens) door geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft/hebben bewogen, die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 14], uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 14] met (of voor) een derde verdachte en/of zijn mededader(s) te bevoordelen;

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

(met betrekking tot die [vrouw 12]) (in voornoemde periode)

- met die [vrouw 12] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 12] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeau’s en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 12] als prostituee laten werken en/of

- voor die [vrouw 12] een kamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 12] van / naar de plek haar werkplek gebracht / opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

- die [vrouw 12] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 12] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 12] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededaders af te staan en/of af te dragen en/of

- die [vrouw 12] (voortdurend) gecontroleerd;

en/of

(met betrekking tot die [vrouw 13]) (in voornoemde periode)

- met die [vrouw 13] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 13] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeau’s en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 13] als prostituee laten werken en/of

- voor die [vrouw 13] een kamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 13] van / naar haar werkplek gebracht / opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

- die [vrouw 13] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 13] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 13] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- voor die [vrouw 13] woonruimte geregeld en/of

- die [vrouw 13] de huur van de woonruimte laten betalen en/of

- die [vrouw 13] meerdere malen, althans één maal geslagen en/of

- die [vrouw 13] gedreigd te slaan en/of

- die [vrouw 13] bedreigd en/of

- die [vrouw 13] (voortdurend) gecontroleerd;

en/of

(met betrekking tot die [vrouw 14]) (in voornoemde periode)

- met die [vrouw 14] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 14] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeau’s en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 14] als prostituee laten werken en/of

- voor die [vrouw 14] een kamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 14] van / naar haar werkplek gebracht / gehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

- die [vrouw 14] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 14] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 14] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van ) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededaders af te staan en/of af te dragen en/of

- die [vrouw 14] meerdere malen, althans één maal geslagen en/of

- die [vrouw 14] gedreigd te slaan en/of

- die [vrouw 14] (voortdurend) gecontroleerd en/of

- die [vrouw 14] angst ingeboezemd (waardoor zij geen hulp zocht en/of aangifte deed) en/of

1B.

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2005 tot en met 07 februari 2007 te Utrecht en/of te Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Alkmaar en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- [vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 15] en/of [vrouw 16] (telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 15] en/of die [vrouw 16] heeft, heeft/hebben geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 15] en/of die [vrouw 16];

en/of

- [vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 15] en/of [vrouw 16] (telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven en/of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 15] en/of [vrouw 16] heeft heeft/hebben gedwongen en/of heeft/hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten, dan wel door voornoemde middelen enige handeling heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist/wisten en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 15] en/of die [vrouw 16], zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van [vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 15] en/of [vrouw 16] door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven en/of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 15] en/of [vrouw 16] heeft

en/of

- (telkens) die [vrouw 12] en/of [vrouw 13] en/of [vrouw 15] en/of [vrouw 16] heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen hem, verdacte en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van die [vrouw 12] en/of die [vrouw 13] en/of die [vrouw 15] en/of die [vrouw 16] met of voor een derde;

immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s)

(met betrekking tot die [vrouw 12]) (in voornoemde periode)

- met die [vrouw 12] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 12] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeau’s en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 12] als prostituee laten werken en/of

- voor die [vrouw 12] een kamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 12] van / naar de plek haar werkplek gebracht / opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

- die [vrouw 12] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 12] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 12] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededaders af te staan en/of af te dragen en/of

- die [vrouw 12] (voortdurend) gecontroleerd;

en/of

(met betrekking tot die [vrouw 13]) (in voornoemde periode)

- met die [vrouw 13] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 13] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeau’s en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 13] als prostituee laten werken en/of

- die [vrouw 13] zich in een van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijke situatie laten bevinden, nu die [vrouw 13] niet kon beschikken over haar paspoort / identiteitsdocumenten en/of

- die [vrouw 13] niet laten beschikken over haar paspoort / identiteitsdocumenten en/of

- voor die [vrouw 13] een kamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 13] van / naar haar werkplek gebracht / opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

- die [vrouw 13] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 13] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 13] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- voor die [vrouw 13] woonruimte geregeld en/of

- die [vrouw 13] de huur van de woonruimte laten betalen en/of

- die [vrouw 13] meerdere malen, althans één maal geslagen en/of

- die [vrouw 13] gedreigd te slaan en/of

- die [vrouw 13] bedreigd en/of

- die [vrouw 13] (voortdurend) gecontroleerd;

en/of

(met betrekking tot die [vrouw 15]) (in voornoemde periode)

- die [vrouw 15] als prostituee laten werken en/of

- voor die [vrouw 15] een kamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 15] naar haar werkplek gebracht / opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen

- die [vrouw 15] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 15] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 15] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van ) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- die [vrouw 15] (voortdurend) gecontroleerd en/of

- met die [vrouw 15] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 15] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem, verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeaus en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 15] gedwongen, althans bewogen (beschermings)gelden te innen bij één of meerdere prostituees en/of

en/of

(met betrekking tot die [vrouw 16]) (in voornoemde periode)

- met die [vrouw 16] een liefdesrelatie aangegaan en/of die [vrouw 16] ingepalmd en/of (emotioneel) van hem verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeau’s en/of van alles voor haar te betalen en/of

- die [vrouw 16] als protituee laten werken en/of

- die [vrouw 16] zich in een van hem en/of zijn mededader(s) afhankelijke situatie laten bevinden, nu die [vrouw 16] niet kon beschikken over haar paspoort / identiteitsdocumenten en/of

- die [vrouw 16] niet laten beschikken over haar paspoort / identiteitsdocumenten en/of

- voor die [vrouw 16] een kamer(s) geregeld of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 16] van / naar haar werkplek gebracht / gehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

- die [vrouw 16] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitute en/of

- die [vrouw 16] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / in de gaten laten houden en/of

- die [vrouw 16] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van ) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader(s) af te staan en/of af te laten staan en/of

- die [vrouw 16] meerdere malen, althans één maal geslagen en/of

- die [vrouw 16] gedreigd te slaan en/of

- die [vrouw 16] (voortdurend) gecontroleerd;

2.

hij in of omstreeks de maand februari 2006 te Diemen en/of Vinkeveen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 559 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 07 februari 2007 te Utrecht en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en/of een of meer van de volgende personen [verdachte 1] en/of [verdachte A] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte B] en/of [verdachte C] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte E] en/of [verdachte D] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte F] en/of een of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht(oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273 f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het sexueel uitbuiten van vrouwen (prostituees)

- (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die zware mishandeling onder ander bestond uit het slaan, stompen, schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en pooiers) en het laten uitvoeren van borstvergrotingen en laten aanbrengen van tatoeages

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens)

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en klanten van prostituees)

- afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees)

terwijl hij, verdachte, aan deze organisatie (mede) leiding heeft gegeven.

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

1. Voorvraag: bevoegdheid rechtbank

Ten aanzien van haar relatieve bevoegdheid overweegt de rechtbank het volgende.

De onderhavige zaak is bij dagvaarding aangebracht bij de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo. In de dagvaarding is onder andere als pleegplaats opgenomen: “Utrecht”.

Op grond van artikel 2 lid 1 Sv komt de rechtbank Utrecht als “die binnen welker rechtsgebied het feit is begaan” bevoegdheid toe.

De rechtbank kan in het midden laten of in het verleden in het onderzoek Sneep of daarmee al dan niet samenhangende onderzoeken tapmachtigingen zijn afgegeven door de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam of de rechter-commissaris in de rechtbank Groningen. Ook indien dit het geval mocht zijn en indien het verlenen van deze machtigingen als een daad waarmee vervolging is aangevangen zou moeten worden aangemerkt, stelt dit niet de bevoegdheid van de rechtbank Utrecht terzijde. Immers is in dat geval op grond van lid 2 van vorenbedoeld artikel uitsluitend bevoegd de rechtbank die in de rangschikking van lid 1 eerder is geplaatst, zijnde die van de pleegplaats. Dat de bevoegdheid van Rotterdam of Groningen in het verleden uit de pleegplaats is afgeleid is niet gebleken, zodat van rechtbanken welke in rangschikking dezelfde plaats innemen geen sprake is en de vraag bij welke rechtbank de vervolging het eerste is aangevangen onbesproken kan worden gelaten.

2. Bewijsoverwegingen algemeen

2.1. Toevoeging stukken gedurende onderzoek ter terechtzitting

In deze zaak zijn door het openbaar ministerie gedurende de procedure met enige regelmaat nieuwe stukken aan het dossier toegevoegd en vorderingen wijziging tenlastelegging gedaan. Zelfs na requisitoir zijn door het openbaar ministerie nog 2 nieuwe ordners en een cd-rom met tekstbestanden toegevoegd. Weliswaar betrof het hier uitwerkingen van tapgesprekken waarvan de geluidsopnames en de samenvattingen al in het dossier voorkwamen, maar de uitwerkingen waren nieuw en het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich mee dat de verdediging zich moet kunnen uitlaten over nieuwe stukken.

De raadslieden in alle thans voorliggende zaken hebben hierover geklaagd en met uitzondering van de raadsman van [verdachte 2], de rechtbank verzocht de stukken buiten beschouwing te laten.

In de zaak van [verdachte 6] heeft de raadsvrouw de rechtbank gevraagd hieraan de consequentie van bewijsuitsluiting, dan wel strafvermindering te verbinden.

De officier van justitie heeft als reden opgegeven dat het om een zeer groot onderzoek gaat, dat te vroeg is “geklapt”, waardoor het openbaar ministerie moeite had het dossier tijdig gereed te krijgen.

De rechtbank stelt vast dat de meeste verdachten zich vanaf februari 2007 in voorlopige hechtenis bevinden. Het definitieve dossier is in september 2007 gepresenteerd. In februari 2008 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht zo spoedig mogelijk een zitting te plannen voor de inhoudelijke behandeling aangezien het openbaar ministerie hecht aan grote voortvarendheid. Hierna heeft de rechtbank op 3 maart 2008 de planning voor de inhoudelijke behandeling in juni 2008 bepaald. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het openbaar ministerie is overvallen door een snelle inhoudelijke behandeling. Daar komt nog bij dat de officier van justitie bij de behandelingen ter terechtzitting vrijwel voortdurend is bijgestaan door 2 andere officieren van justitie, een aantal parketsecretarissen en een paar politiemensen, waaruit de rechtbank afleidt dat de officier ondersteund werd door een team.

De rechtbank heeft zich met de verdediging gestoord aan deze gang van zaken, die een inhoudelijke planning ernstig heeft bemoeilijkt en acht de door de officier van justitie aangevoerde reden daarvoor niet valide. Zowel de rechtbank als de verdediging is hierdoor in tijdnood gebracht, aangezien de rechtbank de pleidooien een week heeft uit moeten stellen, om de verdediging de gelegenheid te geven de nieuwe ordners te bekijken en met hun cliënten te bespreken. De rechtbank is echter van oordeel dat deze wijze van procederen, alhoewel onwenselijk, niet met zich meebrengt dat er stukken voor het bewijs moeten worden uitgesloten. Ook al omdat de stukken in het kader van de waarheidsvinding relevant kunnen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat een en ander evenmin hoeft te leiden tot strafvermindering. De verdediging heeft immers uiteindelijk – soms met kunst en vliegwerk – toch steeds de gelegenheid gekregen om zich over de nieuwe stukken uit te laten.

2.2 Gebruik van tapgesprekken als bewijsmiddel

Aan het dossier is een groot aantal, volgens de officier van justitie ongeveer 85.000, tapgesprekken toegevoegd. De schriftelijke en/of audioweergave daarvan staat op ruim 80 DVD’s/CD-roms. Niet alle tapgesprekken zijn hierop weergegeven. Met name de gesprekken uit het Caravan onderzoek ontbreken. Een deel van deze tapgesprekken is letterlijk, een deel slechts als samenvatting op papier gezet. Bovendien zijn sommige samenvattingen of uitgewerkte gesprekken in de loop van het (opsporings)onderzoek herbeluisterd en alsnog integraal schriftelijk aan het dossier toegevoegd (ordners 59 en 60, overgelegd na requisitoir).

Ter terechtzitting is in diverse zaken aan de orde geweest dat de samenvattingen van de tapgesprekken niet altijd de lading van de volledige gesprekken dekken omdat de context van het bewuste gesprek of van daarom heen gevoerde gesprekken ontbreekt. Ter terechtzitting zijn onder andere in verband daarmee tapgesprekken beluisterd. De rechtbank heeft ook in raadkamer gesprekken beluisterd.

Een tapgesprek kan echter alleen tot het bewijs meewerken wanneer het in de vorm van een proces-verbaal aan het dossier is toegevoegd of, wanneer het ter terechtzitting is beluisterd, als eigen waarneming van de rechtbank. De rechtbank heeft daarop ter terechtzitting meermalen gewezen en daaraan toegevoegd dat van de tapgesprekken voor het bewijs slechts gebruik kan worden gemaakt, hetzij wanneer gesprekken zich in volledig uitgewerkte schriftelijke vorm in het dossier bevinden, hetzij wanneer er samenvattingen in het dossier zitten van in het Nederlands, Duits en Engels gevoerde gesprekken die de rechtbank in raadkamer heeft kunnen beluisteren. Als bewijsmiddelen vallen dus af gesprekken waarvan geen audiomateriaal beschikbaar is (alle gesprekken uit het Caravanonderzoek) en gesprekken waarvan slechts een samenvatting is, terwijl het gesprek in een vreemde taal is gevoerd. In een incidenteel geval wijkt de rechtbank van dit uitgangspunt af omdat bijzondere overwegingen daartoe aanleiding geven.

2.3 Gebondenheid rechtbank aan grondslag van de tenlastelegging

Uit het dossier komt het beeld naar voren van verdachten die zich in georganiseerd verband bezig hebben gehouden met mensenhandel. Er zijn observaties, mutaties, tapgesprekken waarin over werktijden, geldbedragen, en vervoer van en naar de Wallen en het Zandpad gesproken wordt en er zijn ook verklaringen van getuigen die vertellen dat zich daar een groep mannen bevindt die intimiderend en gewelddadig is en vrouwen voor zich heeft werken in de prostitutie. Slechts een beperkt aantal van die vrouwen heeft aangifte gedaan tegen een specifieke verdachte.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir de rechtbank uitgenodigd om in deze zaak jurisprudentie te maken en daar waar de vrouwen zelf aangeven vrijwillig in de prostitutie te werken en vrijwillig een groot deel van hun geld af te staan aan verdachten, toch dwang bewezen te achten en tot een veroordeling van mensenhandel te komen.

De rechtbank is voor een bewezenverklaring echter afhankelijk van de wijze waarop het openbaar ministerie de feiten heeft tenlastegelegd. In gevallen waar de dwang niet volgt uit geweld maar uit andere feitelijkheden, misleiding of uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, zullen de feiten en omstandigheden waaruit dat blijkt ook in de tenlastelegging moeten worden opgenomen. De rechtbank is immers gebonden aan de grondslag van de tenlastelegging.

In deze zaak zijn niet altijd die feiten en omstandigheden in de tenlastelegging opgenomen waaruit de rechtbank de dwangmiddelen kan afleiden, terwijl de feiten en omstandigheden die wel zijn opgenomen niet steeds te bewijzen zijn, ofwel in onderlinge samenhang bezien onvoldoende zijn om bewijs te geven voor het bestaan van een dwangmiddel, zodat de rechtbank om die reden in een aantal zaken tot vrijspraken komt.

Het openbaar ministerie heeft ervoor gekozen steeds ten aanzien van de verschillende vrouwen min of meer dezelfde reeks van feitelijkheden tenlaste te leggen en heeft de feitelijkheden niet per zaak op het slachtoffer toegespitst.

Zo blijkt bijvoorbeeld in een aantal gevallen uit het dossier wel dat de verdachten het slachtoffer hebben misleid door haar te vertellen dat ze een mooi leven zou krijgen en dat zij haar geld voor haar zouden sparen of dat de verdachten overwicht hadden op het slachtoffer omdat zij geen papieren of geen huis had, of op de vlucht was voor een gewelddadige pooier of grote schulden had, maar zijn die omstandigheden niet in de tenlastelegging opgenomen. In enkele gevallen blijkt uit de stukken ook van geweld tegen de vrouwen en heeft de officier van justitie dat ook genoemd in haar bewijsmiddelenoverzicht, terwijl het geweld niet is opgenomen in de tenlastelegging.

Zoals gezegd is de rechtbank gebonden aan de tenlastelegging zoals die in eerste aanleg luidt. De rechtbank merkt nog op dat het bevreemding wekt dat het openbaar ministerie, mede gelet op het feit dat deze zaak in de publiciteit is gebracht als de grootste mensenhandelzaak in Nederland ooit, aan de tenlastelegging niet meer zorg heeft besteed.

3. Bewijsoverwegingen 250a/273f Sr

3.1 Algemeen

In de zaken van alle verdachten waartegen vandaag vonnis wordt gewezen: [verdachte 2] en [verdachte 1], [verdachte 4], [verdachte 6], [verdachte 3] en [verdachte 5], zijn vrijspraakverweren met betrekking tot de tenlastegelegde mensenhandel gevoerd. Daartoe is over het algemeen aangevoerd, samengevat, dat:

- de betrokken vrouwen al als prostituee werkzaam waren toen zij met verdachte in contact kwamen;

- zij altijd vrijwillig als prostituee hebben gewerkt;

- voor zover de vrouwen hun verdiensten met de verdachte deelden of hem betalingen deden, dit was omdat zij ofwel een affectieve relatie met hem hadden, ofwel hem betaalden voor door hem verrichte (bodyguard) diensten ofwel omdat zij van hem geleende gelden terugbetaalden.

De rechtbank overweegt in reactie op deze verweren het volgende over de reikwijdte van artikel 250a (oud) Sr ( in de zaken van ([verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 6] en [verdachte 5]) en 273f Sr (alle zaken).

De tenlastelegging is toegesneden op art. 250a, eerste lid (oud) Sr en/of 273f eerste lid Sr. Deze bepalingen bevatten verboden gedragingen. In artikel 250a (oud) Sr zijn dat: dwingen tot prostitutie (door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid), dan wel bewegen tot prostitutie (door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding). In artikel 273f Sr worden als dwangmiddelen onder meer genoemd: dwang, geweld of een andere feitelijkheid, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of van een kwetsbare positie.

In de wetsgeschiedenis van zowel het huidige als de vroegere mensenhandelartikel(en) en in de daarop gevormde jurisprudentie is het bestanddeel misbruik van uit feitelijke verhoudingen/omstandigheden voortvloeiend overwicht geobjectiveerd: dergelijk misbruik kan in het algemeen worden verondersteld: "indien de prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren”, hetgeen als een uitbuitingssituatie wordt aangemerkt. Daarbij heeft de wetgever het oog gehad op het brengen van een ander in een afhankelijke situatie waarin diens keuzevrijheid wordt beperkt. Als factoren die daarbij van belang kunnen zijn, heeft de wetgever ondermeer gedacht aan: het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen, het niet kunnen beschikken over een paspoort, geen geldig visum hebben en schulden met een zodanige aflossingsverplichting dat de betrokkene gedwongen is zich te blijven prostitueren.

Een eventuele instemming van het slachtoffer met zijn/haar uitbuiting is niet bepalend.

Verder is van vrijwilligheid geen sprake indien de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dat die relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan en/of dat de prostitué(e) reeds eerder bij prostitutie betrokken was vormt op zich geen aanwijzing voor vrijwilligheid.

3.2 Periodes voor en na wetswijziging

De tenlastelegging onder 1A is toegesneden op artikel 250a (oud) Sr en die onder 1B op 273f (273a (oud)) Sr, maar bestrijkt een aaneengesloten periode. Deze kunstmatige splitsing is het gevolg van de wetswijziging waarbij artikel 273a Sr, later zonder inhoudelijke verandering vernummerd tot 273f Sr, werd ingevoerd. Voorzover de rechtbank uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden in welke periode bepaalde feiten hebben plaatsgevonden zijn deze in de betreffende periode bewezenverklaard. Als slechts vast te stellen is dát een feit zich heeft voorgedaan in de gehele aaneengesloten periode terwijl niet nauwkeurig is aan te wijzen wanneer, heeft de rechtbank dat feit in beide afzonderlijke periodes, maar in wezen in de gehele periode van 250a tot en met 273 f Sr bewezenverklaard.

3.3 Vrijspraakoverwegingen [vrouw 12] en [vrouw 13]

[Vrouw 12] is de ex-vrouw van verdachte en [vrouw 13] is de vrouw met wie hij nog steeds getrouwd is. De vrouwen hebben geen aangifte gedaan en ook geen verklaring afgelegd. In het dossier zijn geen aanwijzingen voor geweld ten aanzien van deze vrouwen. Bij de rechter-commissaris wilden beide vrouwen niet verklaren.

Er is een aantal samenvattingen van telefoongesprekken waaruit naar voren komt dat [vrouw 12] overstuur is omdat zij dingen met klanten moet doen die ze niet wil en wil stoppen met werken. Zoals gezegd, zal de rechtbank geen gebruik maken van samenvattingen van gesprekken waarvan geen geluidsopnames zijn.

Er zijn ook tapgesprekken waaruit blijkt dat zowel [vrouw 12] als [vrouw 13] overleggen over werktijden en vervoer. Maar hieruit is niet direct dwang af te leiden. Verdachte heeft hierover gezegd dat het gaat om gewone gesprekken tussen echtelieden over wanneer naar huis te gaan en hoe. De rechtbank acht die verklaring niet onaannemelijk.

Het dossier bevat verder enkele algemene verklaringen, zoals de verklaring van [getuige 02], die zegt dat [vrouw 13] en [vrouw 12] voor [verdachte 2] werkten en dat alle vrouwen hun geld aan [verdachte 2] en [verdachte 1] moesten afstaan, maar een dergelijke weinig concrete verklaring is onvoldoende om tot bewijs te kunnen dienen voor de door de officier van justitie onder 1 tenlastegelegde feitelijkheden. Anders dan de officier van justitie in haar bewijsmiddelenoverzicht aangeeft verklaart [getuige 02] slechts dat hij een meisje in opdracht van [verdachte 2] en [verdachte 1] heeft bedreigd. Zij moest al haar geld aan hen geven. [Getuige 02] verklaart echter niet wie dat meisje is.

De rechtbank heeft onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde en zal verdachte daarvan vrijspreken.

3.4 Bewijsoverweging [vrouw 14]

De tenlastelegging onder 1A is met betrekking tot [vrouw 14] toegesneden op artikel 250a, eerste lid onder 1°, 4° en 6° (oud) Sr. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat zich ten aanzien van [vrouw 14] het volgende heeft voorgedaan. [Vrouw 14] heeft medio 2003 [naam 13] leren kennen die op dat moment werkt in Café Harley Heaven op de Amsterdamse wallen (in de aangifte van [vrouw 14] - naar de rechtbank begrijpt per abuis - aangeduid als Harley Davidson), en haar een kamer boven dat café aanbiedt. Het café werd door onder andere verdachte beheerd en [naam 13] werkte daar en via het café ook als beveiliger van prostituees. [Naam 13] overlaadde [vrouw 14] met liefde en cadeaus, verwende haar, deed alles voor haar en zij vond hem lief en werd uiteindelijk “stapelverliefd”op hem. [Naam 13] polst haar of zij in de prostitutie wil werken en nadat zij enkele keren heeft laten weten daarvoor niet te voelen wordt hij kwaad en mishandelt hij haar en vertelt haar dat zij als prostituee moet gaan werken en dat zij niet kan denken dat alles gratis was. Verder had zij in haar beleving niets en kon zij nergens naar toe. Hij liet haar nooit alleen, ze ging niet alleen naar buiten. [Naam 13] brengt haar onder deze omstandigheden naar een prostitutieraam op de wallen, nadat zij samen met hem in een shoarmatent had gesproken met [vrouw 12], ook prostituee en de vrouw van verdachte, die haar had uitgelegd hoe zij het prostitutiewerk diende aan te pakken. Zij zit een week achter het raam zonder klanten binnen te laten en wordt daarom iedere dag door [naam 13] geslagen. [Naam 13] brengt haar dan naar [vrouw 12] die haar laat meekijken als zij een klant krijgt. (Ordner 45, aangifte [vrouw 14], blz. 20146-20151).

Blijkens een gedeeltelijk uitgewerkte tap belt verdachte op 9 juni 2003 met [naam 13] en zegt hem dat [naam 13]’s meisje, uit de context blijkt dat [vrouw 14] te zijn, die dag samen met verdachtes meisje, [vrouw 12], kan werken als [naam 13] dat wil. Verdachte is ter terechtzitting geconfronteerd met dit tapgesprek en heeft in reactie daarop verklaard dat hij [vrouw 14] kent en dat zij het meisjes was van [naam 13]. De rechtbank zal in afwijking van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt van deze tap gebruik maken, hoewel het gesprek niet geheel woordelijk uitgewerkt lijkt en audiobestanden ervan niet beschikbaar zijn, nu de inhoud ervan door verdachte niet is weersproken.

Na het meekijken bij [vrouw 12] wordt [vrouw 14] achter het raam gezet zonder dat zij daadwerkelijk werkt. Dan komt verdachte. Hij spreekt met [naam 13] en zij hoort hem tegen [naam 13] zeggen dat zij dan maar naar een club moet waar hij mensen kent die er wel voor zullen zorgen dat zij aan het werk gaat. De dag daarna brengen verdachte en [naam 13] haar naar een (seks)club van [naam seksclub] in Amsterdam. [Naam 13] en verdachte spreken met de vrouw achter de bar, zeggen tegen [vrouw 14] dat zij daar moet blijven en vertrekken. Na enige tijd dient zich een klant aan met wie [vrouw 14] door de vrouw en voorzien van een handdoek en condooms naar boven wordt gestuurd waar zij seksuele handelingen met hem moet verrichten.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode bekend met en in de prostitutiewereld in Amsterdam. Een korte zoekactie op het Internet leert dat '[naam seksclub]' al geruime tijd een (seks)club in Amsterdam is, welk feit de rechtbank daarom als van algemene bekendheid bestempelt. Tegen die achtergrond is de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij bedoelde club niet kent ongeloofwaardig.

De rechtbank komt, gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken, in combinatie met verdachtes kennis van de prostitutiewereld, tot het oordeel dat verdachte heeft geweten maar toch in elk geval redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat hij, door samen met [naam 13], [vrouw 14] naar [naam seksclub] te brengen, een handeling heeft ondernomen waardoor zij zich beschikbaar heeft gesteld tot het plegen van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, een en ander als bedoeld in artikel 250a, eerste lid sub 1° (oud) Sr. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

Nu uit de aangifte van [vrouw 14] noch uit andere bewijsmiddelen kan volgen dat verdachte alleen of samen met [naam 13] voordeel heeft getrokken als bedoeld in artikel 250a lid 1 sub 4° Sr dan wel is bevoordeeld als bedoeld in datzelfde artikellid onder 6°, zal de rechtbank hem daarvan vrijspreken.

3.5 Vrijspraakoverweging [vrouw 15]

[Vrouw 15] heeft nooit een verklaring afgelegd in deze zaak. In het dossier bevinden zich voornamelijk tapgesprekken uit de periode september/oktober 2006, waarin [vrouw 15] met [verdachte 2] spreekt, waaruit blijkt dat ze een relatie hebben en waarin werkafspraken gemaakt worden. Uit de gesprekken komt het beeld naar voren dat [vrouw 15] en [verdachte 2] een zaak of een club hebben en dat [vrouw 15] daarin aan het werk is. Daargelaten dat niet duidelijk is waar die zaak of club is en waar verdachte en [vrouw 15] zich op dat moment bevinden - uit het dossier komt naar voren dat [vrouw 15] op 14 september 2006 in ieder geval in Ludwigshafen is - leveren die gesprekken op geen enkele wijze bewijs op voor het tenlastegelegde feit.

Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

3.6 Vrijspraakoverweging [vrouw 16]

De rechtbank acht dit feit niet bewezen. Nu zowel de officier van justitie als de raadsman tot vrijspraak voor dit feit hebben geconcludeerd, zal de rechtbank de beslissing niet nader motiveren.

4. Vrijspraakoverweging Sneeuwklokje

De rechtbank kan aan de hand van het 825 pagina's tellend dossier reconstrueren dat onder de naam Sneeuwklokje een opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden tegen een zekere [Sneeuwklokje-verdachte 1] op verdenking van Opiumwetdelicten.

Uit de tapgesprekken blijkt dat verdachte op of omstreeks 19 januari 2006 met deze [Sneeuwklokje-verdachte 1] heeft afgesproken elkaar in een coffeeshop te ontmoeten omdat [Sneeuwklokje-verdachte 1] verdachte iets wilde laten zien (ordner 51, blz. 40831 en 40833). Niet duidelijk wordt waarop dit betrekking had.

Uit observaties blijkt dat verdachte op 15 februari 2006 tussen 16.00 en 17.00 uur met [Sneeuwklokje-verdachte 2] en [Sneeuwklokje-verdachte 3] in Amsterdam en Diemen zijn geweest. Om 17.36 uur vertrekken [Sneeuwklokje-verdachte 3] en [Sneeuwklokje-verdachte 2] met een zwarte Porsche vanuit hun woning in Diemen.

Op 15 februari 2006 om 22.40 uur vindt in Amsterdam de aanhouding plaats van [Sneeuwklokje-verdachte 2] en [Sneeuwklokje-verdachte 4], samen rijdend in voornoemde Porsche. In de Porsche worden behalve 559 gram cocaïne, ook het trouwboekje van verdachte van zijn huwelijk met [vrouw 12] en een aan hem gerichte brief en envelop aangetroffen (ordner 51, stamproces-verbaal met verwijzingen naar processen-verbaal, blz. 40012). Verder is er een tapgesprek van 15 februari 2006 tussen verdachte en [Sneeuwklokje-verdachte 2] waarin aan verdachte een grote auto te leen wordt gevraagd.

[Sneeuwklokje-verdachte 3] wordt op 16 februari 2006 te 00.13 uur aangehouden in een woning te Vinkeveen, in welke woning verdovende middelen worden aangetroffen.

Ter terechtzitting is verdachte geconfronteerd met de taps van diverse telefoongesprekken die na de aanhouding van onder meer bovengenoemde verdachten hebben plaatsgevonden en die, naar verdachte erkent, betrekking hebben op het regelen van advocaten, kleding en geld voor deze verdachten (ordner 51, blz. 40855-40864). Hij geeft voor zijn bemoeienissen onder meer als verklaring dat [Sneeuwklokje-verdachte 2] zijn vriend en zakenpartner van café Harley Heaven was.

De zogenaamde MOT-meldingen (ordner 51, blz 40193 en 40194) betreffende betalingen vanuit Griekenland in de periode maart 2003 tot en met oktober 2005 door voornoemde [Sneeuwklokje-verdachte 2], [Sneeuwklokje-verdachte 3] en [Sneeuwklokje-verdachte 4] en (de eveneens op 16 februari 2006 aangehouden) [Sneeuwklokje-verdachte 5] betroffen naar zeggen van verdachte ter terechtzitting betalingen ten behoeve van de aankoop van een aandeel in café Harley Heaven.

De officier van justitie betoogt in het requisitoir dat de volgende combinatie van feiten en omstandigheden aantoont dat sprake is van drugshandel:

- het op 15 februari 2006 aantreffen van 559 gram cocaïne in de door verdachte aan [Sneeuwklokje-verdachte 2] uitgeleende auto;

- de verdenking van drugshandel tegen de vier hiervoor genoemde op 15 en 16 februari 2006 aangehouden personen;

- de verdenking van drugshandel tegen [Sneeuwklokje-verdachte 1];

- twee in januari 2006 gevoerde telefoongesprekken tussen die [Sneeuwklokje-verdachte 1] en verdachte waarin zij afspreken elkaar te ontmoeten;

- de betalingen van een totaalbedrag van € 55.998 door voornoemde vier aangehouden personen in maart 2003 tot en met oktober 2005;

- de contacten tussen verdachte en die vier personen en [Sneeuwklokje-verdachte 1];

- verdachte sedert februari 2006 in Duitsland vertoeft omdat “in Nederland (…) de grond te heet onder zijn voeten [is]”.

De rechtbank deelt die conclusie niet. De veelheid van stukken, waarvan een deel hiervoor is besproken, noch het verhandelde ter terechtzitting biedt steun voor een logisch consistente en sluitende bewijsconstructie. Het ontvangen van € 55.998 door verdachte van [Sneeuwklokje-verdachte 2] c.s. in een tijdsbestek van tweeënhalf jaar, staat in te ver verwijderd verband van het geruime tijd daarna aantreffen van 559 gram cocaïne in een door verdachte aan die [Sneeuwklokje-verdachte 2] uitgeleende auto. Dat wordt niet anders door de contacten die een maand daarvoor met [Sneeuwklokje-verdachte 1] [Sneeuwklokje-verdachte 1] hebben plaatsgevonden en de rit die verdachte met [Sneeuwklokje-verdachte 2] en [Sneeuwklokje-verdachte 3] op 15 februari 2006 heeft gemaakt. Dat verdachte Nederland in verband met dit feit zou hebben verlaten is bovendien een speculatie die niet door bewijsmiddelen wordt geschraagd en daarom door de rechtbank niet als conclusie kan worden getrokken of tot het bewijs zou kunnen bijdragen.

Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

5. Bewijsoverweging 140 Sr

5.1 Omvang organisatie

Aan de rechtbank is een omvangrijk dossier gepresenteerd waarvan vier ordners specifiek betrekking hebben op de deelneming aan een criminele organisatie. Dat deel van het dossier bevat een hypothese over het bestaan van twee organisaties met elk een eigen structuur, die waar nodig elkaar hielpen en taken waarnamen. Eén organisatie zou onder leiding van [verdachte A] staan, de andere onder leiding van [verdachte 2] en [verdachte 1]. Daarnaast zouden er zelfstandige pooiers zijn die voor deze organisatie(s) hand- en spandiensten zouden verrichten. In april 2006 zou een verwijdering tussen beide organisaties zijn ontstaan.

De officier van justitie heeft in de tenlastelegging van artikel 140 Sr een organisatie omschreven waaraan niet alleen de nu terecht staande verdachten maar ook zes andere bij name genoemde personen en “een of meer anderen” zouden hebben deelgenomen. In die zin lijkt het standpunt van de officier te zijn dat er van één organisatie sprake is geweest. De officier van justitie requireert ook tot een bewezenverklaring waarin tussen de beide in het dossier beschreven organisaties geen onderscheid wordt gemaakt. Er wordt dus een veroordeling gevraagd voor deelneming aan één organisatie waarbij alle in het dossier genoemde verdachten zouden zijn aangesloten. Bij requisitoir wordt een totaal aantal deelnemers van 50 genoemd, daarna volgt een opsomming van betrokkenen die uitkomt op 34 personen en het door de officier geproduceerde bewijsmiddelenoverzicht spreekt over minstens 30 deelnemers. Waaruit de deelneming van de zes ándere verdachten heeft bestaan en waaruit dat blijkt heeft de officier van justitie niet geconcretiseerd. Het is steeds in relatie tot de verwijten die de thans terechtstaande verdachten worden gemaakt dat de andere namen opduiken

Er is een discrepantie tussen het requisitoir (één organisatie) en de hypothese in het dossier (twee organisaties). Voor zover de officier van justitie uitgaat van twee organisaties blijft bovendien onduidelijk wie van de in de tenlastelegging genoemde personen tot welke organisatie(s) behoren.

Bij de feitenbehandeling ter zitting is de aandacht vrijwel uitsluitend uitgegaan naar de terechtstaande verdachten. De rol van de andere in de tenlastelegging genoemde deelnemers is zijdelings aan de orde geweest. De rechtbank constateert dat in het dossier wel aanwijzingen te vinden zijn voor het deelnemen door veel meer dan de zes verdachten, maar aan wiens organisatie die anderen dan deelnamen en in welke periode is niet zonneklaar. De rechtbank heeft zich daarom beraden over de vraag of het onderzoek voldoende duidelijkheid heeft gebracht over omvang en samenstelling van één of meer organisaties en de rol van de andere deelnemers en is tot de slotsom gekomen dat zulks niet het geval is. De rechtbank ziet echter geen noodzaak voor heropening van het onderzoek. In de zes zaken waarin vandaag uitspraak wordt gedaan staat immers ter beoordeling of de “huidige” zes verdachten deelneming aan een criminele organisatie verweten kan worden, waarbij in het midden kan blijven uit welke andere leden die organisatie bestond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat naar vaste rechtspraak de term “organisatie” tevens feitelijke betekenis heeft en dus niet nader omschreven had hoeven te worden (zie HR 31 mei 1994, DD 94.375 en NLR aant. 1 bij art. 140 Sr). In dat licht is het niet per se noodzakelijk in de bewezenverklaring de overige deelnemers aan de organisatie te noemen.

Niet buiten gerede twijfel is vast te stellen of er één organisatie of twee af en toe samenwerkende organisaties bestonden. De rechtbank komt echter wel tot het oordeel dat van de zes thans te berechten verdachten, met uitzondering van [verdachte 4], vaststaat dat zij deel uitmaakten van dezelfde organisatie. Dat [verdachte 4] aan welke criminele organisatie dan ook deelnam, kan uit de inhoud van de bewijsmiddelen niet worden afgeleid. [Verdachte 4] zal van dat feit dan ook worden vrijgesproken.

Omdat de rechtbank zoals gezegd in het midden zal laten uit welke andere leden dan [verdachte 1] en [verdachte 2], [verdachte 6], [verdachte 3] en [verdachte 5] de criminele organisatie waaraan zij deelnamen bestond, zal zij in de bewezenverklaring de andere zes met name genoemde personen uit de tenlastelegging niet opnemen, zonder daarmee een oordeel te geven over het wel of niet betrokken zijn van die andere zes bij welke criminele organisatie ook.

5.2 Organisatie, deelneming en leidinggeven

Ten aanzien van de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier komt naar voren dat de thans terechtstaande verdachten met elkaar en met anderen veelvuldig telefonisch contact onderhouden. Veel van deze gesprekken hebben, gezien de context en hetgeen wordt besproken, betrekking op prostitutie. Zo worden aan bodyguards instructies gegeven, prostituees in de gaten gehouden en wordt vervoer van prostituees en werkkamers geregeld. Dit alles vindt plaats in georganiseerd verband, waarbij bodyguards bescherming bieden aan en letten op de vrouwen die behoren tot de groep, bodyguardgelden worden ingezameld, gezamenlijk vervoer van prostituees wordt verzorgd en wordt gezorgd dat de gehuurde werkkamers door prostituees van de groep doorlopend benut worden. Dat er sprake is van een groep blijkt ook uit de verklaring van [vrouw 01], waarin zij geconfronteerd met namen en foto’s spontaan meldt: “die hoort bij onze groep” en “die is niet van onze groep”. Daarnaast wordt in een tapgesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] gesproken over een “gemeenschap” waar een ander (ene [naam 09.2]), die met meisjes naar Nederland wil komen, niet zomaar in kan komen. Ook wordt er in gesprekken tussen [verdachte 3] met respectievelijk de bodyguard [naam 12] en [verdachte 1], daar waar het gaat om de aanschaf van kogelvrije vesten, gesproken over een deel van de kosten die “wij als bedrijf” gaan dragen.

Deze groep is in verband te brengen met vele geweldsincidenten, waarbij geweld en intimidatie wordt toegepast in de richting van prostituees, klanten en concurrerende pooiers.

Zo is onder andere sprake van mishandeling van de prostituee [vrouw 09], waarbij zij is geslagen door [verdachte 1] en [verdachte 3] om haar vriend/pooier duidelijk te maken dat zij van hem is afgepakt, en waarbij zij blijkens de daaropvolgende tapgesprekken als “cadeautje” aan een ander wordt toebedeeld.

Daarnaast is sprake van de mishandeling van de prostituee [vrouw 17] door [verdachte 3] waarbij dit geweld, blijkens de onderlinge samenhang van de diverse tapgesprekken in verband staat met het feit dat [verdachte 3] wil dat [vrouw 17] een “tweede meisje” voor hem vindt.

Uit een tapgesprek komt naar voren dat [verdachte 3] aan de bodyguard [naam 12] de opdracht geeft om “zijn meisje” te slaan.

Illustratief voor de handelswijze van de groep is de mishandeling van prostituee [vrouw 18]. [Vrouw 18] verklaart in haar aangifte dat zij de laatste maanden veel problemen had met Turkse jongens en dat zij -nadat zij diverse malen was bedreigd omdat die Turkse jongens niet willen dat er Duitse meisjes op de wallen werken- door iemand die zich voordeed als klant in het gezicht is geslagen. Uit de telefoontaps die, gelet op de tijdstippen en de context, hierop betrekking hebben komt naar voren dat [verdachte 3] aan [verdachte 5] vraagt een persoon te regelen die deze mishandeling tegen betaling wil uitvoeren; dat deze mishandeling is uitgevoerd en de uitvoerder door de politie is opgepakt; dat een en ander wordt teruggekoppeld met [verdachte 1] en dat [verdachte 5] vervolgens wederom wordt ingeschakeld om een advocaat voor de uitvoerder te regelen, waarna de uitvoerder op vrije voeten komt.

Deze handelswijze waarbij doelbewust geweld wordt ingezet omwille van markprotectie komt ook naar voren in de aangifte van [vrouw 33], waarbij deze melding maakt van mishandeling van haar en de broer van haar vriend door een groep Turkse pooiers, waaronder [verdachte 1], omdat zij als zelfstandig prostituee werkte en de groep haar hetzij het werk onmogelijk wilde maken, hetzij wilde dat zij voor hen ging werken. Ook gezien het laatste heeft het groepsgeweld tevens het oogmerk van mensenhandel in zich.

Voorts volgt uit de verklaring van [vrouw 05] dat er een incident is geweest waarbij met vuurwapen(s) is geschoten, waarbij door [verdachte 1] en [verdachte 3] een vuurwapen ter hand is genomen ten opzichte van mannen die condooms en drugs aan prostituees wilden verkopen.

Daarnaast verklaart zij dat zij vóór die schietpartij ook al wel eens wapens bij de groep had gezien die door [verdachte 1], [verdachte 3] of [verdachte 2] werden verstopt in de werkkamer op het Zandpad.

Uit de verklaring van [vrouw 03], daarmee samenhangende verklaringen van haar familieleden en de verklaring van [getuige 03] komt naar voren dat de familie van deze prostituee tot in Polen door de groep is bedreigd onder andere met een bomaanslag, omdat verlangd werd dat [vrouw 03] haar aangifte ter zake van mensenhandel zou intrekken.

Uit de verklaring van [getuige 02] komt naar voren dat hij geslagen werd door [naam 12] en bedreigd werd door [verdachte 3] omdat hij deed alsof hij een foto maakte van een prostituee. Hem is gevraagd zijn aangifte in te trekken en hem is aangeboden voor de groep te werken. Hij kreeg een telefoontje van [verdachte 1] als een prostituee problemen had met een klant. Daar moest hij dan naartoe om de klant in elkaar te slaan. Daarnaast verklaart [getuige 02] in niet mis te verstane woorden: “De groep ragt hier de boel af. Iedereen bedreigen en de boel in elkaar slaan, mensen bang maken. Dat is ook met mij gebeurd.”

Dat verdachte als deelnemer is aan te merken is onder meer af te leiden uit een tweetal tapgesprekken tussen [verdachte 1] en verdachte (30 en 31 maart 2003 blz. 35615 en 35616) waarin, gelet op de onderlinge samenhang, in de gaten wordt gehouden hoeveel klanten een prostituee heeft en daarover wordt gesproken. Dit gesprek is verdachte voorgehouden en hij heeft niet betwist dat de inhoud daarvan is zoals hiervoor weergegeven.

Dat verdachte ook als leider van de groep is aan te merken volgt onder andere uit het vorenstaande, de verklaring van [vrouw 34], de verklaring van [getuige 02] en tapgesprekken.

[vrouw 34] verklaart ten aanzien van verdachte dat hij deel uitmaakt van de groep die bij de criminele groep van [verdachte 1] hoort, met dien verstande dat hij nagenoeg dezelfde positie als [verdachte 1] heeft.

[Getuige 02] verklaart dat hij heeft gewerkt voor een groep pooiers, waaronder [verdachte 1] en [verdachte 2] en dat hij opdracht kreeg om een prostituee te bedreigen en zo nodig klappen te geven omdat zij al haar geld aan [verdachte 1] en [verdachte 2] moest geven.

In een tapgesprek tussen [verdachte 3] en [verdachte 1] wordt gesproken over de rang binnen de organisatie, waarbij door [verdachte 3] tegen [verdachte 1] wordt gezegd “na jou kom ik.. [Verdachte 2] abi is vertrokken..”

In een tapgesprek tussen [verdachte A] en de bodyguard [naam 12] wordt in verband met door die [naam 12] te verrichten bodyguardwerkzaamheden door[verdachte A]gezegd: “[verdachte 2] c.s. willen jou niet.”, “Ja, [verdachte 2] wil jou niet” en wordt door [naam 12] gezegd “Ik doe geen werk meer voor [verdachte 2]..”.

Bovendien volgt uit een proces-verbaal bevindingen van de politie (p. 000118) dat de prostituee [getuige 01] tegen de politie heeft verklaard: “Ik ben een tijd erg door de groep geïntimideerd. Zij liepen veel langs en probeerden klanten te verhinderen bij mij naar binnen te gaan. Ik was bang dat ze mij probeerden over te nemen. (…) [verdachte 2] is de leider van de groep. Hij beslist alles en hij is ook de oudste.”

6. Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1B en sub 2 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen - die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen - waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1A en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1A.

hij in de periode 01 juni 2003 tot en met 31 augustus 2003 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

- [vrouw 14], door geweld en feitelijkheden heeft gedwongen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte en zijn mededader wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die [vrouw 14] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde,

immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- met die [vrouw 14] een liefdesrelatie aangegaan en die [vrouw 14] (emotioneel) van zijn mededader afhankelijk gemaakt door / met het geven van veel aandacht en/of het geven van cadeaus en/of

- die [vrouw 14] als prostituee laten werken en/of

- voor die [vrouw 14] een kamer geregeld alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [vrouw 14] naar haar werkplek gebracht en/of

- die [vrouw 14] gedwongen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en/of

- die [vrouw 14] gedwongen om (een (groot) deel van ) haar verdiensten uit de prostitutie aan zijn mededader af te staan of af te dragen en/of

- die [vrouw 14] meermalen geslagen en/of

- die [vrouw 14] angst ingeboezemd.

3.

hij in de periode van 01 januari 2002 tot en met 07 februari 2007 in Nederland en/of Duitsland en/of België, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en een of meer van de volgende personen [verdachte 1] en [verdachte 3] en [verdachte 6] en [verdachte 5] en/of een of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht(oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273 f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees)

- (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die zware mishandeling onder ander bestond uit het slaan, stompen, schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en pooiers)

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens)

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en klanten van prostituees)

- afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees)

terwijl hij, verdachte, aan deze organisatie (mede) leiding heeft gegeven.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1A en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1A het misdrijf:

"Een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen en door misbruik van uit

feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en onder

voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet of

redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die

handelingen beschikbaar stelt, terwijl de feiten worden gepleegd door twee of meer

verenigde personen",

strafbaar gesteld bij artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 3 het misdrijf:

"Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte aan deze organisatie mede leiding heeft gegeven",

strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake sub 1A, sub 1B, sub 2 en sub 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij het volgende is overwogen.

Verdachte heeft gedurende een aantal jaren deel uitgemaakt van een criminele organisatie die ondermeer tot doel had het exploiteren van vrouwen in het kader van de prostitutie. Verdachte vervulde binnen deze organisatie een centrale en leidinggevende rol. Kenmerkend voor de organisatie was de nietsontziende en gewelddadige wijze waarop werd gehandeld.

Verdachte en zijn mededaders hebben de vrouwen door het aanwenden van fors en grof geweld, dan wel dreiging daarmee, gedwongen om voor hen in de prostitutie te gaan werken en vervolgens ook te blijven werken.

In een aantal gevallen werden de vrouwen van verdachte of zijn mededaders afhankelijk gemaakt waarna er voor hen geen andere weg meer openstond dan als prostituee te gaan werken. Verdachte en de mededaders hebben op grove wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare, geïsoleerde en afhankelijke positie waarin deze vrouwen zich bevonden.

Mede hierdoor was het voor de vrouwen onmogelijk om als prostituee vrije keuzes te maken en zelfstandig te beslissen, zoals mondige prostituees in Nederland dat wel kunnen doen.

Verdachte en de mededaders maakten de dienst uit.

Zij verschaften de vrouwen onderdak, bepaalden waar, wanneer en hoelang zij moesten werken, zij zorgden (mede) voor de kamers, het vervoer van de vrouwen van en naar de werkplekken en zij zorgden ervoor dat de vrouwen tijdens hun werk werden gecontroleerd. Het geld dat door de vrouwen met de prostitutiewerkzaamheden werd verdiend moest nagenoeg geheel worden afgestaan aan verdachte en de mededaders.

Het dossier staat bol van geweld en intimidaties.

Andere prostituees die, of zelfstandig werkzaam waren, of voor een andere pooier werkten, werd het werk nagenoeg onmogelijk gemaakt, of zij moesten forse bedragen per week aan verdachte en/of de mededaders betalen, waarna zij door de groep van verdachte en/of zijn mededaders werden getolereerd in het gebied waar dezen de dienst uitmaakten.

Een aantal vrouwen heeft het aanvankelijk aangedurfd om aangifte te doen, sommigen pas nadat bekend was geworden dat leden van de groep waren opgepakt. Diverse aangiftes zijn naderhand weer ingetrokken. Ook hebben getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hetgeen zij destijds hadden verklaard niet strookte met de waarheid.

Als daarbij wordt bedacht dat van de zijde van de verdachten niet werd geschroomd om bedreigingen te uiten, waarbij alleen al te denken valt aan het dreigen om de woning van de familie van aangeefster [vrouw 03] met explosieven op te blazen, dan wel aangeefster zelf te vermoorden als zij haar aangifte niet zou intrekken, dan geeft dit een sprekend beeld van de werkwijze van de groep waartoe verdachte behoorde.

Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende lange tijd op gewelddadige wijze de dienst uitgemaakt binnen de prostitutiewereld en dan met name op de Amsterdamse Wallen. De rechtbank is zich bewust van het feit dat er binnen deze wereld mogelijk andere regels en normen gelden dan in de kring daarbuiten. De wijze waarop door verdachte en zijn mededaders gedurende lange tijd hun regels en normen werden gesteld, gehandhaafd en aan anderen opgedrongen, is onaanvaardbaar en verwerpelijk.

Het onvrijwillig in de prostitutie houden van vrouwen en het financieel uitbuiten van deze vrouwen is niet alleen zeer ernstig, het geeft er ook blijk van dat verdachte op geen enkele wijze respect heeft voor de lichamelijke en geestelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van deze vrouwen. Door verdachte en de mededaders zijn de vrouwen gemaakt tot willoze individuen, met wie zeer veel geld kon worden verdiend.

[vrouw 14] was - zoals hiervoor vermeld - niet bereid om als prostituee te werken. Nadat zij enige tijd had geweigerd om klanten te ontvangen is zij op aanwijzing van verdachte ondergebracht in een seksclub om alsnog te bewerkstelligen dat zij als prostituee aan het werk zou gaan, hetgeen uiteindelijk ook is gelukt. Deze handelwijze acht de rechtbank zeer verwerpelijk.

Voor wat betreft de op te leggen straf, heeft de rechtbank in het algemeen het volgende overwogen.

Het behoeft geen betoog dat voor de afdoening van feiten als deze uitsluitend een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in aanmerking komt. De rechtbank heeft gekeken naar veroordelingen door andere rechterlijke colleges in het land, waarbij is getracht om aansluiting te zoeken bij de feiten en omstandigheden zoals die zich in dit dossier hebben voorgedaan.

Dit alles overwegend heeft de rechtbank in deze zaak als uitgangspunt genomen een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van acht tot tien maanden per slachtoffer, welk strafminimum door de rechtbank is verhoogd indien er ten opzichte van dit slachtoffer sprake is geweest van ernstig geweld.

Daarnaast heeft de rechtbank als strafverzwarende respectievelijk strafverminderende omstandigheid aangemerkt de lengte van de periode waarin de feiten zich hebben afgespeeld meegewogen. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen of sprake is geweest van verkrachting, gedwongen borstvergroting, abortus als wettelijke strafverzwaringsgrond, de rol die verdachte binnen het geheel heeft gehad en eventuele recidive.

Verder heeft de rechtbank als uitgangspunt voor deelname aan de criminele organisatie een gevangenisstraf van 12 maanden genomen en voor de verdachten die een leidinggevende rol hebben vervuld een gevangenisstraf van 24 maanden.

Concreet betekent dit voor deze verdachte dat er geen strafverzwarende omstandigheden zijn, maar wel een strafverminderende, te weten dat zijn betrokkenheid bij [vrouw 14] slechts een korte periode beslaat.

Alles in ogenschouw nemend, komt de rechtbank tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen

10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1B en sub 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub sub 1A en sub 3 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren en zes maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1A en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Geeve, voorzitter, mr. Wentink en mr. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van Last, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juli 2008.