Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD6486

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
573713 UE VERZ 08-562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leer-arbeidsovereenkomst zonder tussentijds opzegbeding. Vergoeding door werkgever aan werkgever?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 573713 UE VERZ 08-562

beschikking d.d. 20 juni 2008.

inzake

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. F.A. Chorus,

tegen:

de besloten vennootschap HOOGEVEEN EN PARTNERS B.V., gevestigd te Leersum, verder ook te noemen Hoogeveen,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M. Bergmeijer.

Verloop van de procedure

[verzoekster] heeft op 28 april 2008 een verzoekschrift ingediend. Hoogeveen en partners heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 30 mei 2008 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden. Hierna is uitspraak bepaald.

Beoordeling

1. Feiten

[verzoekster], geboren op [geboortedatum], is op 1 oktober 2006 in dienst van (de rechtsvoorganger van) Hoogeveen en partners getreden. Het dienstverband is aangegaan voor bepaalde tijd van 39 maanden. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt

€ 2.075,- per maand. Het contract tussen partijen betreft een leer-arbeidsovereenkomst. [verzoekster] volgt een opleiding tot gezondheidspsycholoog ook wel GZ-psycholoog. Zo’n opleiding vergt dat de psycholoog in opleiding gedurende het uitvoeren van de opleiding deels aan opleidingsdagen deelneemt, maar ook deels werkzaam is bij een praktijkinstelling die als opleidingsplek en als werkgever kan functioneren. Met de Stichting GGZ die de postdoctoraal beroepsopleidingen voert, is een opleidingsovereenkomst gesloten en [verzoekster] heeft uit eigen zak € 14.500,- betaald voor het volgen van opleiding tot GZ-psycholoog. Op de arbeidsovereenkomst is geen CAO van toepassing.

2. Grondslag verzoek en verweer

[verzoekster] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden waaronder een dringende reden. Zij voert daartoe aan dat tussen Hoogeveen en partners enerzijds en haar anderzijds een conflict is ontstaan over het volgende. Gaandeweg het dienstverband heeft [verzoekster] moeten constateren dat Hoogeveen zich niet gedraagt als een goed werkgever. Vrijwel vanaf het moment dat [verzoekster] aan haar opleiding tot psycholoog was begonnen is de werksfeer aanzienlijk ten negatieve veranderd. Ook merkt [verzoekster] op dat zij ten tijde van het aangaan van de leer-arbeidsovereenkomst zich niet voldoende gerealiseerd had dat geen uitdrukkelijk tussentijdse opzeggingsbeding was overeengekomen. [verzoekster] ging er steeds vanuit dat zij de genoemde leer-arbeidsovereenkomst te allen tijde tussentijds zou kunnen opzeggen. Die gedachte werd gevoed door artikel 19 van leer-arbeidsovereenkomst waarin staat dat, wanneer [verzoekster] het contract eerder opzegt, Hoogeveen en partners de tegemoetkoming in de supervisie geheel of gedeeltelijk kan terugvorderen.

Hoogeveen en partners heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan. Hoogeveen en partners concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een vergoeding. Hoogeveen voert aan dat de aan haar gemaakte verwijten ter zake van de werksfeer, de werkdruk en de persoon van mevrouw Hoogeveen geen van drieën aannemelijk is gemaakt. Hoogeveen heeft een groot belang bij het voortzetten van de leer-arbeidsovereenkomst, omdat blijkens het gespreksverslag met de RINO (dat als productie 8 bij het verweerschrift is opgenomen) de opleidingsplaats binnen het bedrijf komt te vervallen en Hoogeveen hierdoor grote schade zou lijden. [verzoekster] wist van tevoren welke verplichtingen zij aanging en heeft hiervoor bewust gekozen. Hoogeveen lijdt schade in verband met de bestede supervisie-uren, terwijl er voorts literatuur- en reiskosten moeten worden vergoed. Voorts is er de schadeplichtigheid op grond van onregelmatige opzegging die in beginsel duurt tot en met 31 december 2009. Tenslotte is er imagoschade. [verzoekster] was als enige binnen de praktijk gespecialiseerd in psychologie voor kinderen en jeugd. Dit deel van de klandizie zal niet langer bij Hoogeveen terechtkomen.

3. De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

De verzochte ontbinding

Allereerst dient beoordeeld te worden of sprake is van een dringende reden. Een dringende reden voor [verzoekster] is onder andere aanwezig wanneer Hoogeveen en partners grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt of wanneer de voortduring van de arbeidsovereenkomst voor [verzoekster] zou zijn verbonden met ernstig gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam, die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de aan [verzoekster] toegewezen werkbegeleider onvoldoende objectief was omdat hij de samenwonende partner van mevrouw Hoogeveen is, dan vormt dat onvoldoende reden om in de correspondentie en de gesprekken, voordat het conflict ging spelen over de opzeggingsmogelijkheid van het voor bepaalde tijd gesloten contract, niets te laten merken van hetgeen in het verzoekschrift thans wordt gesteld ter zake van een verstoorde relatie en slechte arbeidsverhoudingen, zoals een onprettige en met name intimiderende sfeer. Maar ook wanneer hetgeen door [verzoekster] en enkele ex-collegae ten aanzien van met name de persoon van mevrouw Hoogeveen is aangevoerd, waar zou zijn, vormt dat nog niet een grovelijk veronachtzamen van de plichten uit de arbeidsovereenkomst en vormt dat niet een ernstig gevaar voor gezondheid of goede naam. Een dringende reden is derhalve niet aanwezig.

De kantonrechter is van oordeel dat er wel sprake is van veranderingen in de omstandigheden die billijkheidshalve spoedig tot een einde van de dienstbetrekking moeten leiden. Die veranderingen zijn alleen al gelegen in de wijze waarop partijen met elkaar in debat zijn getreden toen [verzoekster] te kennen gaf bij Hoogeveen en partners weg te willen. Zowel de wijze waarop aan de werkneemster een dienstopdracht is gegeven als de wijze waarop met de ziekmelding van [verzoekster] is omgegaan geeft aan dat de relatie tussen partijen zodanig is verstoord dat een werkbare voortzetting niet meer aan de orde is.

De conclusie op grond van het voorgaande is dan ook dat de verzochte ontbinding zal worden toegewezen.

De vergoeding

Ingevolge het bepaalde in artikel 7: 685 BW kan de kantonrechter, indien hij het verzoek inwilligt op grond van veranderingen in de omstandigheden, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen zo hem dan met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Deze vergoeding is geen schadevergoeding. In het onderhavige geval is sprake van een bijzondere situatie. [verzoekster] is met Hoogeveen en partners geen schriftelijk tussentijds opzeggingsbeding als bedoeld in artikel 7:667 lid 3 BW overeengekomen.

De kantonrechter acht voorts van belang dat de leer-arbeidsovereenkomst wel een tussentijdse opzeggingsmogelijk erkent voor het geval dat de opleiding beëindigd wordt, waarbij het niet uitmaakt of dat op initiatief van [verzoekster] of op initiatief van opleidingscentrum gebeurt, terwijl ook opgenomen is een eindiging van rechtswege, die als tussentijdse eindiging kan worden gezien, wegens ongeschiktheid voor het beroep waarvoor [verzoekster] wordt opgeleid en door onvoldoende opleidingsresultaat en wanneer Hoogeveen en partners geen beschikking heeft over een erkende opleidingsplaats. Derhalve moet het Hoogeveen en partners duidelijk zijn geweest dat er redenen kunnen zijn om tussentijds tot een beëindiging van het contract te komen.

Verder is de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden dat de overeenkomst tussen partijen daarom 39 maanden duurt in plaats van de reguliere 24 maanden, omdat [verzoekster] drie in plaats van vier dagen per week wilde werken. Normaliter duurt de opleidingsovereenkomst twee jaar.

Ook is het de kantonrechter onvoldoende aannemelijk geworden, met name door het ontbreken van enig nader geschrift van de zijde van RINO dat het lang moet duren voordat een andere opleideling weer bij Hoogeveen kan komen werken, nu tijdens de bijeenkomst op 9 april 2008 tussen RINO en Hoogeveen sprake is geweest van een nieuwe visitatie, maar geen termijn is genoemd waarbinnen een en ander kan zijn gerealiseerd.

Bij het bepalen van een vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt de zogenaamde "kantonrechtersformule" toegepast. Die formule bevat de factoren A x B x C. Factor A staat voor het aantal dienstjaren (die zwaarder meetellen voor oudere werknemers), factor B voor het bruto maandsalaris en factor C is een "correctiefactor" die met name bepaald wordt door verwijtbaarheid en toerekening van dit einde van de arbeidsovereenkomst. In dit geval kan die formule geen rol spelen. De omstandigheden zijn daarvoor te specifiek. Door [verzoekster] is aangevoerd dat zij bij de nieuwe werkgever € 20,- per maand meer verdient dan bij Hoogeveen. Onder de geschetste omstandigheden acht de kantonrechter het billijk dat de leer-arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt, zonder dat Hoogeveen en partners aan [verzoekster] een vergoeding verschuldigd is, maar ook zonder dat [verzoekster] aan Hoogeveen en partners een vergoeding behoeft te voldoen.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 30 juni 2008 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2008;

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2008.