Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD6482

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
571995 UV EXPL 08-148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verhuurder vordert in kort geding ontruiming door huurders die in een nieuwbouwwijk overlast veroorzaken. Huurders betwisten en relativeren de overlast die zij en hun zoons veroorzaken. Processen-verbaal van politie geven onvoldoende uitsluitsel over hun aandeel in de problemen in de buurt. Kantonrechter loopt niet vooruit op de reeds aanhangige bodemprocedure, waarin de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vordert en waarin naar verwachting getuigen zullen moeten worden gehoord. Grens aan de verplichting van verhuurder om (met behulp van het huurrecht) tegen overlast in de wijk op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 571995 UV EXPL 08-148 lh

kort geding vonnis d.d. 5 juni 2008

inzake

de stichting STICHTING GROENRANDWONEN, gevestigd te Vleuten, verder ook te noemen Groenrandwonen,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.W. Kox,

tegen:

1. [gedaagde]

en

2. [gedaagde], beiden wonende te [woonplaats], verder ook te noemen [gedaagden],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H. Kayed.

Verloop van de procedure

Groenrandwonen heeft [gedaagden] in kort geding doen dagvaarden. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2008. Daarvan is aantekening gehouden. Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. Sinds 26 oktober 2006 verhuurt Groenrandwonen aan [gedaagden] de eengezinswoning aan de [adres] te [woonplaats], gelegen in de nieuwbouwwijk Vleuterweide. De huurwoning wordt bewoond door de heer [gedaagde] en mevrouw [gedaagde] en hun beider minderjarige zoons [x] (geboren op [geboortedatum]) en [y] (geboren op [geboortedatum]).

1.2. Voordat [gedaagden] naar [woonplaats] verhuisden, woonden zij in Woerden, waar zij problemen hadden met buurtbewoners die het gedrag van hun zoo[x] niet tolereerden. Onder druk van een door hun toenmalige verhuurder tegen hen aangespannen procedure, verlieten Rossewij c.s Woerden om zich in [woonplaats] te vestigen.

1.3. In het bij de huurovereenkomst tussen partijen van toepassing verklaarde huurreglement van Groenrandwonen is onder 6.6. aan [gedaagden] de verplichting opgelegd ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt, ook niet door huisgenoten of derden die zich met hun toestemming in het gehuurde bevinden.

1.4. Vanaf begin 2007 heeft in de omgeving van het gehuurde een reeks gebeurtenissen plaats gevonden, waarbij [gedaagden] en/o[x] en/of [y] op enigerlei wijze actief betrokken waren en waarbij derden overlast hebben ondervonden als gevolg van (verbaal-)agressieve gedragingen, zoals bedreiging, intimidatie, belediging, mishandeling en vernieling.

1.5. Groenrandwonen heeft op deze gebeurtenissen onder meer gereageerd door het houden van (bemiddelings-)gesprekken met de betrokken buurtbewoners en door de inschakeling van de Casemanager Woonoverlast Utrecht, de heer J. Emanuel. Ook de politie heeft naar aanleiding van meldingen van overlast of strafbare feiten herhaaldelijk assistentie verleend en ingegrepen. Tegen (en door) [gedaagden] is bij de politie meermalen aangifte van strafbare feiten gedaan, maar een strafrechtelijke veroordeling van [gedaagden] of hun zoons is (nog) niet gevolgd.

1.6. Naar aanleiding van nieuwe klachten heeft Groenrandwonen op 26 oktober 2007 [gedaagden] gesommeerd de overlast in de woonomgeving te staken. Tot een bemiddelingsgesprek tussen [gedaagden] en hun achter[z]ie [z], wonende aan de [adres] te [woonplaats], is het uiteindelijk niet gekomen, omdat de familie [z] daaraan geen medewerking heeft willen verlenen. Op 7 november 2007 heeft Groenrandwonen [gedaagden] aangeboden hen aan te melden voor het zogenoemde ‘Laatste Kans Beleid’ van de gemeente Utrecht, in welk verband zij onder stringente begeleiding in aanmerking zouden kunnen komen voor een andere huurwoning in Utrecht. [gedaagden] hebben dit aanbod van de hand gewezen.

1.7. Op 4 februari 2008 heeft Groenrandwonen [gedaagden] doen dagvaarden en gevorderd dat de huurovereenkomst met hen wordt ontbonden en dat zij worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen. Op 9 april 2008 hebben [gedaagden] in deze (bodem)procedure van antwoord geconcludeerd en de vordering weersproken. Over en weer hebben partijen in dit geding stukken overgelegd.

1.8. Nadat de bodemprocedure aanhangig was gemaakt, hebben [gedaagden] althans heeft hun zoon [y] zich op 17 maart en 6 april 2008 opnieuw schuldig gemaakt aan (verbaal-) agressieve gedragingen.

Het geschil

2.1. Groenrandwonen vordert in dit kort geding de veroordeling van [gedaagden] om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis het gehuurde te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van Groenrandwonen te stellen, met machtiging van Groenrandwonen om de ontruiming zonodig zelf, op kosten van [gedaagden], met hulp van politie en justitie te doen uitvoeren, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

2.2. Groenrandwonen legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] tekort schieten in de nakoming van hun verplichtingen, voortvloeiend uit de huurovereenkomst, doordat zowel zijzelf als hun beide minderjarige zoons, ondanks bemiddeling en sommatie, aan omwonenden en anderen (onder wie de politie) ernstige overlast (blijven) veroorzaken. [gedaagden] hebben in deze overlast niet alleen een aandeel doordat zij zich zelf aan mishandeling, bedreiging en belediging schuldig maken, maar nemen het ook steeds voor hun zoons op en ontkennen en bagatelliseren (de ernst van) hun gedragingen, althans zijn kennelijk niet in staat te voorkómen dat hun zoons in de wijk overlast en hinder veroorzaken. Hierdoor gedragen [gedaagden] zich niet als goede huurders. Weliswaar zijn [gedaagden] en hun zoons niet de enigen die problemen in de (nieuwbouw)wijk veroorzaken, maar de verwachting is dat althans een deel van die problemen wordt opgelost door het vertrek van [gedaagden] In de conflicten met hun directe achterburen, de familie [z], zijn het [gedaagden] die het initiatief tot overlastgevende incidenten nemen. Groenrandwonen meent dat van haar niet gevergd kan worden de uitkomst van de aanhangig gemaakte bodemprocedure af te wachten, omdat zich op 17 maart en 6 april 2008 opnieuw vergelijkbare incidenten hebben voorgedaan en zij van een twintigtal buurtbewoners wederom, ditmaal (ofschoon men bang is voor represailles) schriftelijke en ondertekende, klachten heeft ontvangen. Voorts wordt, nu het beter weer wordt, gevreesd voor hernieuwde gewelddadigheden en verdere escalatie van de problemen in de wijk, door toedoen van (de zoons van) [gedaagden]

3. [gedaagden] betwisten de vordering. Zij ontkennen dat zij of hun zoons een aandeel hebben gehad in de door Groenrandwonen genoemde incidenten althans relativeren de toedracht en de ernst daarvan. Voor zover al door hun zoons overlast of hinder is veroorzaakt, vond deze op geruime afstand van het gehuurde plaats, in welk geval het (jeugd)strafrecht - en niet het huurrecht - de aangewezen interventiemogelijkheid vormt. In het geval hun gedragingen werden geprovoceerd door leden van de familie [z], met name mevrouw [z] en haar dochter [k], mag het niet zo zijn dat [gedaagden] als enigen tot vertrek uit de buurt kunnen worden genoopt en deze familie ten onrechte buiten schot blijft. Kennelijk heeft de familie [z] haar zinnen gezet op een ontruiming van [gedaagden] en laat Groenrandwonen zich daarvoor lenen. [gedaagden] bestrijden dat zij het zijn die telkens de aanzet tot een nieuw incident geven. Het is veeleer de familie [z] die hen provoceert. Ten onrechte heeft Groenrandwonen nagelaten een bemiddeling tussen [gedaagden] en de familie [z] te arrangeren, zoals [gedaagden] hadden verzocht en langs welke weg eerder ook een geschil met de familie [a] is bijgelegd. Groenrandwonen handelt aldus in strijd met haar eigen beleid, waarin de gang naar de rechter het uiterste middel is. [x] is inmiddels in behandeling bij ShoShin te Hilversum, waar hij sinds kort een ‘maatwerktraining’ volgt. Rossewij c.s hebben ook voor hun zoon [y] intensieve hulpverlening aangevraagd. Hierover verwachten zij binnenkort uitsluitsel te krijgen.

De beoordeling

4.1. De kern van het geschil van partijen betreft de vraag of [gedaagden] en hun minderjarige zoon[x] en [y] aan omwonenden zodanige overlast of hinder veroorzaken dat thans, bij wijze van ordemaatregel en vooruitlopend op een uitspraak in de aanhangige bodemprocedure, een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Voor zover Groenrandwonen zich voor haar vordering in dit kort geding mede heeft willen beroepen op artikel 7:219 Burgerlijk Wetboek faalt dit beroep, omdat deze bepaling uitsluitend ziet op schade die aan het gehuurde zelf is toegebracht. Daarvan is hier geen sprake. In dit kort geding komt het daarom aan op de vraag of het in hoge mate waarschijnlijk moet worden geacht dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagden] zich, mede in het licht van de gedragingen van hun zoons, zelf niet als goede huurders hebben gedragen en dat op die grond de huurovereenkomst zal worden ontbonden en [gedaagden] tot ontruiming van het gehuurde zullen worden veroordeeld. Bij die beoordeling dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

4.2. Waar [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat de vordering van Groenrandwonen in dit kort geding uitsluitend is gebaseerd op de voorvallen die zich na de aanvang van de bodemprocedure hebben voorgedaan en dat daarom de beoordeling zich daartoe dient te beperken, verwerpt de kantonrechter dit standpunt. De recente gebeurtenissen van 17 maart en 6 april 2008 kunnen niet worden losgezien van wat daaraan voorafgaand, vanaf begin 2007, is voorgevallen. Ook hetgeen partijen daaromtrent - al dan niet onder verwijzing naar de stukken in de bodemprocedure - hebben gesteld, zal dan ook in de beoordeling worden betrokken.

4.3. Groenrandwonen heeft haar stelling, dat gelet op hetgeen vanaf begin 2007 in de wijk is voorgevallen van haar niet kan worden gevergd [gedaagden] nog langer gebruik van het gehuurde te laten maken, met name onderbouwd door een tweetal processen-verbaal van politie te overleggen, op 6 november 2007 en 23 maart 2008 opgemaakt door de wijkagenten E. Knappstein-Wender en A. de Kruijk. Deze processen-verbaal maken lang niet bij alle daarin beschreven voorvallen duidelijk welk aandeel [gedaagden] en/of hun zoons daarbij precies hebben gehad. Ook waar in de processen-verbaal daaromtrent wél conclusies worden getrokken, blijkt vaak niet waarop die zijn gebaseerd. In de bodemprocedure zullen daarom waarschijnlijk getuigen moeten worden gehoord. Voor getuigenbewijs biedt een kort geding, gericht als dit is op een spoedige beslissing, geen plaats.

4.4. De voorvallen die in de genoemde processen-verbaal vanuit de optiek van de politie zijn beschreven, kunnen - naar de inhoud van het daaraan ten grondslag liggende conflict en de daarbij betrokkenen - worden onderscheiden in die waarbij aanvankelijk sprake was van een geschil tussen [gedaagden] (toen nog gesteund door de familie [z]) enerzijds en de familie [a] anderzijds, die waarbij [gedaagden] vervolgens in conflict kwamen met de familie [z], en die waarbij derden overlast hebben ondervonden of slachtoffer van strafbare feiten zijn geworden.

4.5. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in het conflict met de familie [a] in juli 2007 succesvol is bemiddeld. Dat zich nadien nog incidenten tussen [gedaagden] en deze familie hebben voorgedaan is niet gesteld of gebleken. Vanaf omstreeks juli 2007 zijn vervolgens spanningen ontstaan tussen [gedaagden] en de familie [z], kennelijk naar aanleiding van problemen tusse[x] en [k], die op enig moment een relatie met elkaar zouden hebben gehad. Hoe ambivalent deze leeftijdgenoten tegenover elkaar staan, blijkt uit hetgeen in het proces-verbaal van 6 november 2007 is opgenomen over het gebeurde op 24 augustus 2007. Het zijn de bedoelde spanningen tussen deze beide families en de daaruit voortkomende incidenten die Groenrandwonen op dit moment de grootste zorgen baren. De kantonrechter begrijpt die zorgen. Waar het de periode na de aanvang van de bodemprocedure betreft, legt Groenrandwonen evenwel de nadruk op de incidenten van 17 maart en 6 april 2008, waarbij de familie [z] kennelijk juist nìet betrokken was. Waar het proces-verbaal van politie van 23 maart 2008 tevens melding maakt van gedragingen van [gedaagden] en/of hun zoons, die plaats vonden ná 4 februari 2008, en van welke gedragingen de familie [z] wél het slachtoffer zou zijn geworden (het gaat hierbij om scheld- en duwpartijen, dreigementen en het gooien van vuurwerk), gaat het blijkbaar in de opvatting van Groenrandwonen om voorvallen die, hoe afkeurenswaardig ook, voor de beoordeling in dit kort geding van ondergeschikte betekenis zijn. Deze kunnen daarom de vrees voor verdere escalatie niet dragen en daarom thans de gevorderde ontruiming niet rechtvaardigen.

4.6. Partijen twisten voorts over incidenten waarbij derden overlast hebben ondervonden. Het gaat hierbij voornamelijk om gedragingen waarvan anderen dan omwonenden, onder wie de politie, het slachtoffer zijn geworden. [gedaagden] kunnen worden gevolgd in hun betoog dat het huurrecht in beginsel niet kan worden aangewend om dáár tegen op te treden. Weliswaar ziet de verplichting om zich als een goed huurder te gedragen niet uitsluitend op de zorg voor het gehuurde maar ook op die voor de woonomgeving, doch die contractuele zorgverplichting kent wel zijn grens. Die grens moet daar worden getrokken, waar niet langer kan worden gesproken van een voldoende verband tussen de verweten gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Een goede beoordeling hiervan kan eerst worden gemaakt nadat hieromtrent in de bodemprocedure meer feitelijke gegevens zijn bijgebracht. Naar voorshands moet worden aangenomen, ontbreekt bedoeld verband niet alleen bij een deel van de in de processen-verbaal genoemde voorvallen, maar ook bij de incidenten van 17 maart en 6 april 2008, die blijkbaar niet tegen omwonenden, maar tegen anderen, te weten een (alleen bij zijn voornaam [o] aangeduid) kind en diens moeder/aangeefster, tegen een niet nader genoemd slachtoffer bij wie de ramen zijn ingegooid en tegen de politie gericht waren. Nu zij niet - zonder meer - kunnen worden begrepen onder de door artikel 6.6. van het huurreglement genoemde omwonenden, kunnen beide incidenten in dit kort geding niet tot een veroordeling tot ontruiming leiden.

4.7. Ook het enkele feit dat inmiddels een groot aantal buurtbewoners schriftelijk bij Groenrandwonen heeft geklaagd over [gedaagden] en hun zoons rechtvaardigt niet dat op een uitspraak in de bodemprocedure wordt geanticipeerd. Tegenover deze klachtbrief hebben [gedaagden] zich hunnerzijds op de door hen overgelegde adhesiebetuigingen beroepen. Voor een onderzoek naar de validiteit daarvan biedt dit kort geding geen ruimte.

4.8. Bij de beoordeling van het geschil weegt de kantonrechter voorts mee dat [gedaagden] onweersproken hebben gesteld dat hun zoon [x] inmiddels in behandeling is en dat zij ook hun zoon [y] voor hulpverlening hebben aangemeld. Gezien de onmiskenbare gedragsproblemen van beide zoons, lijkt een intensieve begeleiding en behandeling inderdaad aangewezen. Kennelijk heeft [x] sinds hij de ‘maatwerktraining’ bij ShoShin volgt, zich niet meer aan gewelddadigheden overgegeven. Of ook de behandeling van [y] op korte termijn vruchten zal afwerpen, moet de komende tijd blijken. Dat Groenrandwonen daarover sceptisch is, is begrijpelijk. Er is echter geen reden om op dit moment te veronderstellen dat [y] zal doorgaan op de door hem in de afgelopen maanden ingeslagen weg, waarin hij in toenemende mate betrokken lijkt te zijn geweest bij agressieve incidenten. In elk geval kan thans (nog) niet worden geconcludeerd dat [gedaagden], ter voorkóming van verdere incidenten, nalaten de in verband met de gedragsproblemen van hun zoons redelijkerwijs van hen te verlangen maatregelen te treffen. Of van hen verlangd mocht worden dat zij - als goede huurders - deze maatregelen eerder hadden getroffen, zal in de bodemprocedure aan de orde kunnen worden gesteld.

4.9. Waar in dit kort geding de nadruk ligt op de vraag of op korte termijn moet worden gevreesd voor zodanige nieuwe incidenten dat van Groenrandwonen niet kan worden verlangd de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten, welke vraag op grond van het voorgaande ontkennend wordt beantwoord, zal daarentegen in de bodemprocedure de rechter, ter beantwoording van de vraag of [gedaagden] als huurders zijn tekort geschoten, waarschijnlijk tevens een beoordeling geven van hetgeen reeds vanaf begin 2007 is voorgevallen. Daarbij zal naar verwachting geen gewicht toekomen aan het feit dat een bemiddeling tussen [gedaagden] en de familie [z] niet van de grond is gekomen, nu dat Groenrandwonen niet is te verwijten en samenhing met de weigering van de familie [z] om daaraan mee te werken. Dat mogelijk in de bodemprocedure kan blijken dat ook - overigens - aan de familie [z] het nodige te verwijten valt, zal [gedaagden] waarschijnlijk niet baten, omdat ook een provocatie door een ander op zichzelf gewelddadigheid niet rechtvaardigt.

Bestaat op dit moment derhalve onvoldoende grond voor een spoedvoorziening, voorshands ontstaat uit de overgelegde stukken wèl de indruk dat [gedaagden] en hun beide zoons zich in de afgelopen periode hebben schuldig gemaakt aan niet te tolereren probleemgedrag, dat in de wijk grote onrust en gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt. Dat in de bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en een veroordeling tot ontruiming zal volgen, is dan ook allerminst uitgesloten. Ter zitting hebben [gedaagden] er blijk van gegeven de ernst van de situatie in te zien en de noodzaak van gedragsverandering van hun zoons te onderkennen. Mocht in de komende tijd blijken dat de door hen ingeroepen hulp niet leidt tot een normalisering van de verhoudingen in de buurt, zullen zij er rekening mee moeten houden dat naar (nog) dieper in hun gezinsleven ingrijpende maatregelen moet worden overgegaan. In dit verband geeft de kantonrechter hen in overweging zich nog eens ernstig te beraden over het aanbod van Groenrandwonen, gedaan in het kader van het ‘Laatste Kans Beleid’, om te verhuizen naar een andere huurwoning. Bij een minder belaste woningomgeving lijken [gedaagden], maar zeker hun zoons, belang te hebben.

4.10. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde voorziening wordt geweigerd. Groenrandwonen wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

weigert de gevorderde voorziening:

veroordeelt Groenrandwonen tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagden], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 200,-- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2008.