Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD6014

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
227960/ HA ZA 07-581
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8385, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatigedaad, aansprakelijkheid advocaat ten aanzien van derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 227960 / HA ZA 07-581

Vonnis van 2 juli 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J. Ran,

tegen

[verweerder],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde,

procureur mr. E.M. van Zelm.

Partijen zullen hierna [eiser] en [verweerder] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 januari 2008

- de akte houdende overlegging van stukken

- de antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen in het vonnis van 30 januari 2008 is overwogen en bouwt daarop voort.

verjaring en stuiting

2.2. Bij tussenvonnis van 30 januari 2008 heeft de rechtbank, in verband met het door [verweerder] gevoerde verweer dat de vordering van [eiser] jegens hem is verjaard, [eiser] in de gelegenheid gesteld om de brief van zijn raadsman van 24 november 2004 aan [verweerder] en de brief van 10 december 2004 van de raadsman van [verweerder] aan hem bij akte in het geding te brengen.

2.3. [eiser] heeft de brieven in het geding gebracht en gesteld dat de brief van 24 november 2004 niet anders kan worden uitgelegd dan als stuitinghandeling, nu [verweerder] persoonlijk wordt aangeschreven voor zijn optreden als advocaat van [belanghebbende] op grond van de feiten en omstandigheden die [eiser] ook aan zijn vordering jegens [verweerder] ten grondslag heeft gelegd. Uit de brief van 10 december 2004 blijkt volgens [eiser] voorts dat [verweerder] de brief van 24 november 2004 ook zo heeft opgevat. [verweerder] heeft bij antwoordakte betwist dat de brief van 24 november 2004 als stuitinghandeling is aan te merken.

2.4. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 24 november 2004, gezien de inhoud ervan, als een stuitinghandeling van de verjaring dient te worden aangemerkt. Uit deze brief volgt dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt ten aanzien van de vergoeding van de schade als gevolg van de door [eiser] gestelde, jegens hem door [verweerder] gepleegde onrechtmatige daad. Namens [eiser] wordt immers aan [verweerder] geschreven, voor zover hier van belang:

(…) dat cliënt bereid was met u in overleg te treden, teneinde na te gaan of in der minne een regeling zou kunnen worden getroffen ter compensatie van de door cliënt geleden schade als gevolg van uw optreden voor mevrouw [belanghebbende], dat in de visie van cliënt jegens hem onrechtmatig is geweest, op welke grond u jegens hem schadeplichtig bent geworden. (…) In de bespreking heeft mr. Van Zelm zich op het standpunt gesteld dat er nog geen aanleiding bestond om over vergoeding van schade te spreken, omdat er nog geen onherroepelijke uitspraak was. (…)

Ik verzoek u mij uiterlijk tien dagen na heden te laten weten of u thans bereid bent in overleg te treden over een minnelijke regeling. Blijft een reactie binnen de gestelde termijn uit, dan zal ik daaruit concluderen dat hiervoor geen interesse bestaat aan uw zijde. In dat geval acht ik mij vrij rechtmaatregelen tegen u te nemen. Ik verzoek u mij te informeren over uw woonadres, in verband met het aldaar laten betekenen van de dagvaarding.

2.5. Uit de brief van 10 december 2004 van [verweerder] aan de raadsman van [eiser] volgt dat hij de brief van 24 november 2004 heeft ontvangen en dat hij ook begreep dat [eiser] zich zijn rechten voorbehield. [verweerder] schrijft daarover:

Met referte aan uw brief van 24 november 2004 wijs ik u erop dat van onrechtmatig handelen jegens uw cliënt geen sprake is geweest. Uw cliënt miskent de positie van een advocaat als eenzijdig belangenbehartiger. (…)

Voor het vergoeden van welke schade van uw cliënt dan ook bestaat geen aanleiding. Overigens ontken en betwist ik dat uw cliënt schade geleden heeft. (…)

Ik behoud mij alle rechten voor. Voor het geval u toch wilt dagvaarden gelieve dat aan mijn kantooradres te doen. Daar kies ik domicilie.

2.6. Het bovenstaande brengt mee dat de op 7 april 1999 aangevangen verjaringstermijn niet alleen door de brief van 26 april 2000 is gestuit, maar vervolgens opnieuw door de brief van 24 november 2004. Het door [verweerder] gedane beroep op verjaring kan daarom niet slagen. De rechtbank zal dan ook ingaan op de overige weren van [verweerder].

niet-ontvankelijkheid [eiser]

2.7. [verweerder] meent dat [eiser] zijn verwijten voor het optreden van [verweerder] als advocaat aan de tuchtrechter had moeten voorleggen en dat hij zich vanwege zijn beroepsgeheim in een civielrechtelijke procedure niet adequaat kan verweren. Hij meent dan ook dat [eiser] in zijn vordering niet kan worden ontvangen.

2.8. De rechtbank stelt voorop dat het een partij op zich vrij staat om een civielrechtelijke vordering in te stellen en geen tuchtrechtelijke klacht in te dienen. Het beroepsgeheim van een advocaat brengt niet mee dat hij niet in rechte kan worden betrokken naar aanleiding van zijn optreden als advocaat en ook valt niet in te zien dat in dit geval [verweerder] zich niet adequaat kan verweren tegen de stellingen van [eiser] vanwege zijn beroepsgeheim. [verweerder] heeft naar het zich laat aanzien over de feitelijke gang van zaken rond de schrijfproeven kunnen aanvoeren wat volgens hem van belang was en hij heeft daarbij op geen enkel punt te kennen gegeven dat hij relevante informatie niet kan inbrengen. Dat betekent dat het beroep van [verweerder] op niet-ontvankelijkheid dan ook niet kan slagen.

nietigheid van de dagvaarding

2.9. [verweerder] stelt dat de dagvaarding als een obscuur libel nietig verklaard dient te worden, omdat er geen sprake is van een helder geformuleerde vordering waartegen hij zich adequaat kan verdedigen. Hij voert daartoe aan dat [eiser] zijn stellingen niet heeft onderbouwd. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat in de dagvaarding een duidelijke vordering is verwoord die ook zodanig met stellingen is onderbouwd dat [verweerder] zich daartegen kan verweren. Van een obscuur libel is geen sprake, zodat er geen aanleiding is om de dagvaarding nietig te verklaren.

onrechtmatig handelen door [verweerder]

2.10. [verweerder] betwist dat hij jegens [eiser], in de procedure jegens diens ex-echtgenote [belanghebbende], in zodanige mate onzorgvuldig heeft gehandeld dat hij aansprakelijk is voor door [eiser] geleden schade. Volgens [verweerder] zijn de verklaringen die zijn afgelegd over de eerste schrijfproeven consistent en moet het er ook voor gehouden worden dat de conclusies van het tweede schrijfonderzoek met betrekking tot die eerste schrijfproeven onjuist zijn. Dat hij onrechtmatig heeft gehandeld is dan ook niet gebleken volgens [verweerder]. [eiser] zou volgens [verweerder] ongeacht de uitkomst van het eerste schrijfonderzoek tegenbewijs hebben aangeboden en de daarmee gemoeide kosten hebben gedragen, ook als er geen discussie was ontstaan over de schrijfproeven. [eiser] heeft gebruik gemaakt van zijn procesrechtelijke mogelijkheden en is vervolgens ook in het gelijk gesteld. Van schade is geen sprake, omdat de door [eiser] gestelde kosten in de proceskostenveroordeling van [belanghebbende] zijn vervat, aldus [verweerder].

2.11. De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat in deze procedure om de vraag of [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], door schrijfproeven als echt en onvervalst te presenteren en aan de handschriftdeskundige toe te zenden, dan wel door de hem opgelegde instructie, om de handtekeningen door [belanghebbende] in zijn bijzijn te plaatsen, niet na te komen en/of door in strijd met de waarheid bij herhaling onjuiste mededelingen hierover te doen.

2.12. In het kader van de procedure tussen [eiser] en [belanghebbende] diende zij te bewijzen dat de handtekening onder het convenant niet van haar was, zoals zij had gesteld. Na het eerste deskundigenonderzoek en de uitkomst ervan is, in verband met het door [eiser] aangeboden tegenbewijs, een tweede deskundigenonderzoek bevolen. De rechtbank heeft vervolgens de conclusies van het tweede onderzoek overgenomen en de vordering van [belanghebbende] afgewezen. Dat vonnis is in hoger beroep door het hof bekrachtigd. In verband hiermee gaat de rechtbank er vanuit dat het tweede deskundigenrapport juist is met betrekking tot de van belang zijnde conclusies.

2.13. Uit de door rechtbank en Hof overgenomen conclusies van het tweede schriftonderzoek volgt dat de handtekeningen die door [belanghebbende] zijn gezet en als zodanig aan de eerste deskundige zijn aangeboden en voorgelegd, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet van haar afkomstig zijn. Deze kwalificatie is blijkens het rapport de hoogste gradatie van zekerheid met betrekking tot de te trekken conclusies en de rechtbank is van mening dat, anders dan [verweerder] stelt, de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen met betrekking tot de gang van zaken rond de schrijfproeven, die conclusie niet weerleggen. De rechtbank neemt dan ook aan dat de eerste schrijfproeven niet van de hand van [belanghebbende] zijn.

2.14. De in het eerste deskundigenonderzoek ingeschakelde schriftdeskundige heeft in de brief van 20 mei 1997, gericht aan [verweerder], aan hem de instructie gegeven dat van [belanghebbende] tien originele schrijfproeven nodig waren, die in het bijzijn van [verweerder] op tien aparte blanco vellen papier moesten worden vervaardigd.

2.15. Op grond van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen over de gang van zaken met betrekking tot het vervaardigen van de schrijfproeven door [belanghebbende] op het kantoor van [verweerder] - opgenomen onder 2.11. tot en met 2.1.3. van het tussenvonnis van 30 januari 2008 - kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie worden getrokken dat is komen vast te staan dat [verweerder] wist dat [belanghebbende] de handtekeningen en parafen op de schrijfproeven niet zelf had gezet. Daarom is ook niet komen vast te staan dat [verweerder] bewust de schrijfproeven, die niet van de hand van [belanghebbende] waren, als wel door [belanghebbende] gemaakt naar de deskundige heeft toegezonden. Valsheid in geschrift, gepleegd door [verweerder], is dan ook niet aan de orde.

2.16. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [verweerder] verweten kan worden dat hij, door te handelen in strijd met de instructies van de deskundige ten aanzien van het maken van de schrijfproeven in zijn bijzijn, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Voorop staat dat een advocaat in beginsel de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat dient te betrachten in zijn relatie met cliënten. Gezien de rol die een advocaat heeft ten aanzien van die cliënten, voor wie hij de belangen behartigt, kan de hierboven genoemde zorgplicht alleen in zeer uitzonderlijke gevallen ook gelden voor derden, en schending van deze zorgplicht kan hem dan nog alleen worden verweten indien hem, gelet op de omstandigheden van het geval, persoonlijk het verwijt kan worden gemaakt dat hij in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt in het licht hiervan dat aan de hand van de door [verweerder] en [belanghebbende] afgelegde verklaringen niet valt vast te stellen dat bij het maken van de schrijfproeven door [verweerder] (doel)bewust in strijd met de instructie is gehandeld. [verweerder] heeft terzake onder meer verklaard dat hij zich pas heeft gerealiseerd dat de handtekeningen in zijn aanwezigheid gezet hadden moeten worden toen mr. Verhoeven daar tegenover hem over begon. Hoewel uit de overgelegde stukken blijkt dat [verweerder] nadien verschillende uitspraken heeft gedaan over de gang van zaken rond de schrijfproeven, kan daaruit niet worden afgeleid dat [verweerder] bewust fout heeft gehandeld met betrekking tot de schrijfproeven. Dat betekent dat voor het oordeel dat er sprake is geweest van grove onachtzaamheid van [verweerder], en daarmee van onrechtmatig handelen door [verweerder], dan ook geen plaats is.

2.17. Ten aanzien van het door [eiser] jegens [verweerder] gemaakte verwijt dat hij onjuiste mededelingen heeft gedaan geldt dat, wat hier ook van zij, er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de onjuistheid van de mededelingen en de door [eiser] gestelde schade. [eiser] stelt dat hij kosten heeft gemaakt om de aansprakelijkheid van [verweerder] vast te stellen en dat hij daarvoor omvangrijk onderzoek heeft moeten doen. Echter, welke kosten hij heeft gemaakt voor welk onderzoek is nergens uit gebleken. Daarbij komt dat [eiser] [verweerder] al bij brief van 26 april 2000 aansprakelijk heeft gesteld en dat na die aansprakelijkstelling nog een nader onderzoek nodig was, voorafgaand aan deze procedure, is gesteld noch gebleken. Aan zijn stelling dat hij in 2004 vanuit Schotland vernam dat [belanghebbende] de schrijfproeven vanuit Schotland naar [verweerder] had verzonden, heeft [eiser] in deze procedure ten aanzien van [verweerder] geen verdere conclusies verbonden. Dit brengt mee dat uit het doen van onjuiste mededelingen door [verweerder] ten tijde van de procedure tegen [belanghebbende] geen schadeplichtigheid van [verweerder] jegens [eiser] op grond van onrechtmatige daad kan volgen.

2.18. Het bovenstaande brengt mee dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

2.19. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.154,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 1.154,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.

w.g. griffier w.g. rechter