Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5987

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
237082/ HA ZA 07-1799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vrijwaringsincident, rechtsvordering, toepasselijk recht, Duitsrecht

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19-06-1980 6
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 210
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 237082 / HA ZA 07-1799

Vonnis in incident van 2 juli 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

1. [verweerder1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. K. Rutten,

2. de vennootschap naar Duits recht

IS CONSULTING GMBH,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

3. de vennootschap naar Duits recht

PACIFIC CONTINENTAL SECURITIES GERMANY GMBH,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur voorheen mr. M.N. Frijlink, thans niet ten processe vertegenwoordigd,

4. de vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten

ATLANTIC WINE AGENCIES INC.,

gevestigd te Florida, Verenigde Staten van Amerika,

kantoorhoudende te Londen, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [verweerders] c.s. (en afzonderlijk: [verweerders], Consulting, Pacific en Atlantic) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in incident van 19 maart 2008

- de antwoordakte uitlating na tussenvonnis van [verweerders] van 16 april 2008

- de akte overlegging producties van [verweerders] van 28 mei 2008

- de akte uitlating vermeerdering van eis van [eiser] van 4 juni 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. De rechtbank blijft bij de inhoud van het tussenvonnis van 19 maart 2008 en bouwt daarop voort.

2.2. Bij akte overlegging producties heeft [verweerders] een vonnis van deze rechtbank overgelegd van 16 april 2008 in de zaak [eiser] tegen [verweerders], Pacific en de vennootschap naar vreemd recht Entertainment IS US Inc. (zaaknummer/rolnummer 237081/HA ZA 07-1798), waarin op eenzelfde incidentele vordering is beslist, en wel door toewijzing van de incidentele vordering. De rechtbank stelt evenwel vast dat - anders dan in de onderhavige zaak - in die zaak niet is onderzocht of de gestelde rechtsverhouding naar het recht dat daarop van toepassing is, Pacific verplicht de nadelige gevolgen van een veroordeling van [verweerders] in de hoofdzaak te dragen. De rechtbank acht dat wel van belang teneinde tot een beslissing over de incidentele vordering in de onderhavige zaak te kunnen komen. Bovendien betreft de onderhavige zaak niet alleen Pacific, maar tevens Consulting. De rechtbank ziet in de overlegging van het vonnis in voormelde zaak dan ook geen aanleiding om van haar in het tussenvonnis ingezette beoordeling af te wijken.

2.3. In het tussenvonnis van 19 maart 2008 heeft de rechtbank [verweerders] in de gelegenheid gesteld zich (bij antwoordakte) uit te laten over het op de regresvordering toepasselijke recht, en over de inhoud van het Duitse recht op het punt van het door hem gestelde regresrecht (voor het geval tot toepasselijkheid van Duits recht zou moeten worden geoordeeld).

Toepasselijk recht

2.4. De rechtbank zal in het navolgende eerst beoordelen welk recht van toepassing is op de regresvordering, Nederlands recht dan wel Duits recht.

2.5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat op grond artikel 6 EVO-verdrag Duits recht op die vordering van toepassing is, aangezien de regresvordering is gebaseerd op een arbeidsrechtelijke verhouding tussen [verweerders] enerzijds en Consulting en Pacific anderzijds en [verweerders] in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk zijn arbeid heeft verricht in Duitsland.

2.6. In de antwoordakte neemt [verweerders] het standpunt in dat op de betreffende regresvordering Nederlands recht van toepassing is, aangezien deze nauw verweven is met en gebaseerd is op de vordering uit onrechtmatige daad die in de hoofdzaak jegens [verweerders] is ingesteld, en die vordering op grond van artikel 3 lid 3 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Wcod) beheerst wordt door Nederlands recht. Subsidiair baseert [verweerders] zijn standpunt op artikel 7 sub g Wcod, dat bepaalt dat het op grond artikel 3 toepasselijke recht in het bijzonder de aansprakelijkheid bepaalt van een opdrachtgever voor handelingen van degene die voor hem optreedt.

2.7. Voor de beoordeling van het toepasselijke recht is vooreerst van belang om de rechtsverhouding te kwalificeren die de grondslag vormt voor de door [verweerders] jegens Consulting en Pacific in te stellen vordering.

Medeschuldenaarschap

2.8. De rechtbank begrijpt dat het regresrecht dat [verweerders] jegens Consulting en Pacific meent te hebben, is gebaseerd op de stelling dat - indien [verweerders] in de hoofdzaak zou worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding uit onrechtmatige daad jegens [eiser] - Consulting en Pacific op grond van artikel 6:170 lid 3 BW in de onderlinge verhouding met [verweerders] volledig draagplichtig zijn voor deze schadevergoeding. Voor zover [verweerders] de regresvordering tevens zou hebben gebaseerd op artikel 6: 170 lid 1 BW, kan dit niet als grondslag voor deze regresvordering dienen, aangezien dit lid betrekking heeft op de aansprakelijkheid van Consulting en Pacific jegens [eiser], en niet op aansprakelijkheid van Consulting en Pacific jegens [verweerders]. De conclusie moet derhalve zijn dat de regresvordering is gebaseerd op de (interne) rechtsverhouding tussen [verweerders] en Consulting en Pacific als mede-schuldenaren van de eventuele aan [eiser] toekomende schadevergoeding.

2.9. Deze interne rechtsverhouding staat niet op zichzelf, maar maakt onderdeel uit van een meer omvattende rechtsverhouding, namelijk de door [verweerders] gestelde arbeidsovereenkomst, op grond waarvan [verweerders] werkzaam was bij Consulting en Pacific. In een dergelijk geval worden de interne gevolgen van het medeschuldenaarschap beheerst door het op die rechtsverhouding toepasselijke recht (vgl. Vermogensrechtelijke meerpartijenverhoudingen, prof. mr. M.V. Polak, 1993, Kluwer, pagina 42), derhalve door het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. De beantwoording van het op deze arbeidsovereenkomst toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het EVO-verdrag. Ingevolge artikel 6 lid 2 van dat verdrag wordt een arbeidsovereenkomst - voor zover hier van belang - bij gebreke van een rechtskeuze beheerst door het recht van het land waar de werknemer in de uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Niet gesteld of gebleken is dat [verweerders] en Consulting en Pacific in de arbeidsovereenkomst een rechtskeuze hebben gemaakt. In paragraaf 1 van de door [verweerders] overgelegde arbeidsovereenkomst is bepaald dat [verweerders] wordt aangesteld als ‘broker’ in Düsseldorf (Duitsland). [verweerders] heeft daarnaast niet bestreden de stelling van [eiser] dat [verweerders] zijn werkzaamheden ook gewoonlijk op kantoor in Düsseldorf heeft verricht. Hieruit volgt dat op de arbeidsovereenkomst Duits recht van toepassing is, en daarmee tevens op de daarop gebaseerde regresvordering die [verweerders] jegens Consulting en Pacific wil instellen.

2.10. Het beroep van [verweerders] op bepalingen uit de Wcod kan hem niet baten. Het bepaalde in artikel 7 sub g ziet niet op de interne, maar op de externe aansprakelijkheid van een opdrachtgever voor door ondergeschikten veroorzaakte schade. Hetzelfde geldt voor het beroep op de nauwe verwevenheid van de regresvordering met de vordering in de hoofdzaak. De regresvordering betreft een andere rechtsverhouding dan de rechtsverhouding tussen [verweerders] en Consulting/Pacific. Het is evenwel deze laatste rechtsverhouding die doorslaggevend is en moet zijn voor de bepaling van het op de regresvordering toepasselijke recht.

Onrechtmatige daad

2.11. De rechtbank begrijpt uit de antwoordakte van [verweerders] dat hij de grondslag van zijn incidentele vordering heeft aangevuld in die zin dat hij zich tevens beroept op de rechtsverhouding tussen [verweerders] en Consulting en Pacific die daaruit bestaat dat Consulting en Pacific onrechtmatig jegens hem handelen indien zij nalaten hun verplichting als goed werkgever te vervullen door de schade te vergoeden die [verweerders] lijdt door eventuele fouten die hij heeft gemaakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

2.12. De rechtbank is van oordeel dat op de gestelde rechtsverhouding uit onrechtmatige daad eveneens Duits recht van toepassing is. De gestelde onrechtmatige daad is nauw verbonden met de tussen [verweerders] en Consulting en Pacific gesloten arbeidsovereenkomst, zodat ingevolge artikel 5 Wcod het recht moet worden toegepast dat op deze overeenkomst van toepassing is. Zoals onder 2.9 reeds is overwogen, is dat het Duitse recht.

Verplichting tot vrijwaring

2.13. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of Consulting en Pacific krachtens hun rechtsverhoudingen tot [verweerders] (het medeschuldenaarschap dan wel onrechtmatige daad) naar Duits recht verplicht zijn de nadelige gevolgen van een veroordeling van [verweerders] in de hoofdzaak te dragen.

Medeschuldenaarschap

2.14. In het tussenvonnis van 19 maart 2008 heeft de rechtbank aangegeven dat zij in het licht van het bepaalde in § 840 II van het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) twijfelachtig achtte of naar Duits recht [verweerders] een vorderingsrecht jegens Consulting en Pacific zou kunnen baseren op, kort gezegd, medeschuldenaarschap.

2.15. In zijn antwoordakte heeft [verweerders] aangevoerd dat hij aan § 831 BGB een regresrecht kan ontlenen jegens zijn werkgever (Consulting en Pacific), en dat § 840 BGB niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een geval als bedoeld in § 829 BGB.

2.16. § 831 BGB luidt - voor zover relevant - als volgt:

“Wer einen anderen zu einer Verrichtung bestellt, ist zum Ersatz des Schadens verpflichtet, den der andere in Ausführung der Verrichtung einem Dritten widerrechtlich zufügt. Die Ersatzpflicht tritt nicht ein, wenn der Geschäftsherr bei der Auswahl der bestellten Person und, sofern er Vorrichtungen oder Gerätschaften zu beschaffen oder die Ausführung der Verrichtung zu leiten hat, bei der Beschaffung oder der Leitung die im Verkehr erforderliche Sorgfalt beobachtet oder wenn der Schaden auch bei Anwendung dieser Sorgfalt entstanden sein würde.”

2.17. Uit de inhoud van deze bepaling blijkt dat deze niet ziet op de interne aansprakelijkheid, maar alleen op de externe aansprakelijkheid van een opdrachtgever (“Geschäftsherr”) voor zijn ondergeschikten (“Verrichtingsgehilfe”). Aan § 831 BGB kan [verweerders] derhalve in ieder geval geen regresrecht jegens Consulting en Pacific ontlenen. De interne aansprakelijkheid van een opdrachtgever jegens zijn ondergeschikte is geregeld in § 840 II BGB. De stelling van [verweerders] dat deze bepaling niet van toepassing zou zijn omdat er geen sprake is van een geval als bedoeld in § 829 BGB, berust op een verkeerde lezing van deze bepaling.

2.18. § 840 II BGB luidt als volgt:

“Ist neben demjenigen, welcher nach den §§ 831, 832 zum Ersatz des von einem anderen verursachten Schadens verpflichtet ist, auch der andere für den Schaden verantwortlich, so ist in ihrem Verhältnis zueinander der andere allein, im Falle des § 829 der Aufsichtspflichtige allein verpflichtet.“

2.19. Uit deze bepaling moet in samenhang met § 831 BGB worden afgeleid dat naar Duits recht geldt dat indien een opdrachtgever aansprakelijk is voor door een ondergeschikte veroorzaakte schade, en deze ondergeschikte ook voor deze schade verantwoordelijk kan worden gehouden, in de verhouding tussen opdrachtgever en ondergeschikte alleen de ondergeschikte aansprakelijk is (Vgl. Duits verbintenissenrecht, P. Smits en A.H.F.M. Wijers, Gouda Quint, 1995, pagina’s 37,149 en 150).

De interne draagplichtregel die in deze bepaling is geformuleerd, leidt er in het onderhavige geval toe dat indien [verweerders] in de hoofdzaak verantwoordelijk zou worden gehouden voor de schade van [eiser], [verweerders] aan het medeschuldenaarschap naar Duits recht geen regresrecht kan ontlenen jegens de opdrachtgever. In zoverre kan ook niet geoordeeld worden dat Consulting en Pacific op grond van hun eventuele medeschuldenaar-schap verplicht zijn de nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling van [verweerders] in de hoofdzaak te dragen. Voor zover de incidentele vordering op deze grond is ingesteld, dient deze dan ook te worden afgewezen.

Onrechtmatige daad

2.20. In de akte uitlating vermeerdering van eis neemt [eiser] het standpunt in dat ook deze grondslag niet tot toewijzing van de incidentele vordering kan leiden, omdat [verweerders] zijn beroep op goed werkgeverschap niet heeft onderbouwd met (bijvoorbeeld) jurisprudentie.

2.21. De rechtbank acht niet uitgesloten dat een onrechtmatige daad als omschreven onder 2.11 naar Duits recht leidt tot een verplichting om de nadelige gevolgen van een veroordeling van [verweerders] in de hoofdzaak te dragen. Om daarover voldoende duidelijkheid te verkrijgen zou informatie moeten worden ingewonnen bij het Internationaal Juridisch Instituut. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit echter leiden tot een onwenselijke verdere vertraging van de hoofdzaak, zodat dit om proceseconomische redenen achterwege zal blijven. Om dezelfde reden zal de rechtbank [verweerders] toestaan om Consulting en Pacific in vrijwaring op te roepen, voor zover de in te stellen vordering is gegrond op de hiervoor bedoelde onrechtmatige daad.

2.22. De rechtbank zal er, evenzeer om proceseconomische redenen en om redenen van rechtseenheid, naar streven om de onderhavige bodemprocedure en de onder 2.2 bedoelde bodemprocedure (met de in die zaken gestarte of te starten vrijwaringszaken) gezamenlijk en door dezelfde rechter te doen behandelen.

Conclusie

2.23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden toegewezen, maar alleen voor zover deze ziet op het instellen van een vordering op grond van de hiervoor bedoelde onrechtmatige daad.

2.24. [verweerders] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. staat toe dat Consulting en Pacific door [verweerders] op grond van de onder 2.11 bedoelde onrechtmatige daad worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 13 augustus 2008,

3.2. veroordeelt [verweerders] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00,

3.3. wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak

3.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 augustus 2008 voor de conclusie van antwoord van [verweerders].

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.M. de Wolf en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.

w.g. griffier w.g. rechter