Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5954

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
SBR 07-3082
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan betrokkene is een boete opgelegd van € 495,00 wegens schending van de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 25 van de WW. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de inlichtingenplicht aan betrokkene valt te verwijten, maar dat de mate van verwijtbaarheid voor verweerder aanleiding had moeten zijn om de opgelegde boete te verlagen. Omwille van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en, doende hetgeen verweerder had moeten doen, in overeenstemming met het door verweerder gehanteerde beleid, de hoogte van de boete te bepalen op € 247,50.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/3082

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 9 juni 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 september 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 495,00 wegens schending van de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 25 van de Werkloosheidswet (hierna: WW).

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 10 april 2008, waar eiseres is vertegenwoordigd door mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Namens verweerder is verschenen mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij het Uwv.

Overwegingen

2.1 Eiseres ontvangt met ingang van 1 november 2005 een uitkering ingevolge de WW. Bij besluit van 1 mei 2007 heeft verweerder eiseres een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van de uitkering met 20% met terugwerkende kracht vanaf 23 januari 2006 voor 52 weken, omdat zij van 23 januari 2006 tot en met 19 april 2007 niet als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) ingeschreven heeft gestaan. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft verweerder voorts de hierdoor teveel betaalde WW-uitkering ten bedrage van € 4.860,10 van eiseres teruggevorderd. De tegen deze besluiten door eiseres gemaakte bezwaren zijn bij separate besluiten van 7 september 2007 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemde besluiten is geen rechtsmiddel aangewend.

2.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de inlichtingenplicht een afzonderlijke verplichting is naast de verplichting om de inschrijving bij het CWI tijdig te verlengen. Aangezien eiseres op de werkbriefjes over de periode 14 november 2005 tot en met 1 april 2007 steeds een onjuiste datum van de geldigheid van de CWI-inschrijving heeft vermeld, is de indruk gewekt dat zij doorlopend als werkzoekende was ingeschreven bij het CWI. Dit is in strijd met de inlichtingenplicht. De omstandigheid dat eiseres zich heeft vergist door de verlenging van haar curriculum vitae (hierna cv) op www.werknet.nl te verwarren met haar CWI-inschrijving komt volgens verweerder voor haar rekening en is geen aanleiding om haar de overtreding van de inlichtingenplicht niet of in mindere mate te verwijten en de boete te matigen. Evenmin is er volgens verweerder sprake van een dringende reden om van het opleggen van een boete af te zien.

2.3 Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het Uwv op ontoereikende gronden tot het oordeel is gekomen dat aan haar een boete kan worden opgelegd, terwijl aan haar voor hetzelfde feit reeds een zeer forse maatregel is opgelegd, namelijk 20% korting op haar WW-uitkering met terugwerkende kracht van 52 weken. Volgens eiseres wordt zij thans twee keer gestraft voor hetzelfde vergrijp, hetgeen naar haar mening in strijd is met een goede rechtsorde. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres betoogd dat de inlichtingenplicht niet is overtreden, maar dat deze verkeerd is gebruikt doordat eiseres onopzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

2.4 Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan verweerder op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW legt verweerder de werknemer, die de verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen, een boete op van ten hoogste € 2.269,-. Het tweede lid van artikel 27a van de WW bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 27a, zevende lid, van de WW bepaalt voorts dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid van artikel 27a van de WW.

Artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Besluit van 14 oktober 2000, Stb. 462 (hierna: het Boetebesluit), dat onder meer van toepassing is op de boete, bedoeld in het eerste lid van artikel 27a van de WW, bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 45,- wordt vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2 van het Boetebesluit wordt de boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,-.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2, indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, verhoogd of verlaagd. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op grond van artikel 4 van de Bijlage bij het Besluit afstemming boete werknemers wordt het basis boetebedrag met 50% verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

2.5 Nu eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van 7 september 2007 staat in rechte vast dat eiseres in de periode van 23 januari 2006 tot en met 19 april 2007 niet als werkzoekende stond ingeschreven bij het CWI en dat ten aanzien van dit niet ingeschreven staan geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Nu eiseres desondanks op haar werkbriefjes die betrekking hebben op deze periode heeft aangegeven dat zij is geregistreerd als werkzoekende bij het CWI, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft geschonden.

2.6 De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat zij tweemaal wordt gestraft voor hetzelfde feit. Het besluit van 1 mei 2007 is immers gebaseerd op de in artikel 26 van de WW neergelegde verplichting om zich als werkzoekende bij het CWI te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen. Het thans bestreden besluit heeft daarentegen betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW. Op grond van artikel 27a van de WW is verweerder dan ook verplicht een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 25 van de WW.

2.7 Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde boete constateert de rechtbank dat verweerder deze in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit heeft gerelateerd aan de hoogte van de als gevolg van de opgelegde maatregel onverschuldigd betaalde uitkering.

2.8 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de schending van de inlichtingenplicht aan eiseres valt te verwijten, zodat verweerder terecht een boete heeft opgelegd. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden waarin eiseres verkeert, aanleiding voor verweerder hadden moeten zijn de boete te verlagen.

2.9 De schending van de inlichtingenplicht door eiseres was gebaseerd op haar onjuiste veronderstelling dat zij door het updaten van haar cv via internet haar inschrijving bij het CWI verlengde. Eiseres heeft deze onjuiste opgave bij het invullen van het werkbriefje telkens herhaald doordat zij zich van de onjuistheid daarvan niet bewust was. Dat is een andere situatie dan die van de werknemer die bij het invullen van zijn werkbriefje telkens aangeeft dat hij in de betreffende periode geen werkzaamheden heeft verricht, terwijl dat wel het geval was, of die in strijd met de waarheid opgeeft dat hij sollicitaties heeft verricht. In die gevallen wordt elke keer bij het invullen van het werkbriefje bewust onjuiste informatie verstrekt. De onverschuldigde betaling heeft in het geval van eiseres niet plaatsgevonden wegens een frauduleuze opgave maar door een vergissing aan haar kant. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres de schending van de inlichtingenplicht niet volledig valt te verwijten zodat dit voor verweerder aanleiding had moeten zijn de boete te verlagen. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder in het geheel van het opleggen van een boete had moeten afzien, is de rechtbank niet gebleken.

2.10 Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 27a, tweede lid, van de WW en artikel 3 van het Boetebesluit voor vernietiging in aanmerking komt. Omwille van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om zelf in de zaak te voorzien en, doende hetgeen verweerder had moeten doen, in overeenstemming met het door verweerder gehanteerde beleid zoals is neergelegd in artikel 4 van de Bijlage bij het Besluit afstemming boete werknemers, de hoogte van de boete te bepalen op € 247,50, zijnde 50% van de door verweerder opgelegde boete.

2.11 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 verklaart het bezwaar alsnog gegrond en herroept het primaire besluit van 12 juni 2007, in zoverre dat daarin aan eiseres een boete wordt opgelegd van € 247,50, te betalen aan het Uwv,

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.5 bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 38,- aan haar vergoedt,

3.6 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uwv aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2008.

De griffier: De rechter:

mr. K. de Waard mr. G.J. van Binsbergen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.