Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5584

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
16-704516-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van voorbereiding van moord, subsidiair doodslag, afpersing, zware mishandeling, dan wel diefstal met geweld. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de intentie van verdachte gericht was op het plegen van voornoemd misdrijf. Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van bedreiging, voor zover hetgeen ten laste is gelegd een bedreiging met een misdrijf oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/704516-06

Datum uitspraak: 26 juni 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak in de zaak tegen:

[verdachte F]

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 december 2007, 14 januari 2008 en 9 tot en met 12 juni 2008.

De zaak van verdachte is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken van een aantal medeverdachten. De vonnissen van verdachte en zijn medeverdachten zullen op belangrijke punten ook overeenstemmen. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte aanduiden met verdachte al dan niet gevolgd door zijn achternaam en de medeverdachten telkens met verdachte gevolgd door de betreffende achternaam. Verdachte en de medeverdachten tezamen worden aangeduid als de verdachten.

De in de noten genoemde paginanummers verwijzen naar het einddossier met nummer PL0912/06-006062D, voor zover niet uitdrukkelijk anders aangeduid.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 05 april 2006 tot en met 07 april 2006 te

Utrecht en/of Amsterdam, althans in het arrondissement Utrecht en/of

Amsterdam, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, hierna het/de omschreven misdrij(f)/(ven) heeft

voorbereid, immers heeft hij toen aldaar, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, opzettelijk voorwerpen (een/of meer kogel- en/of

steekwerende vest(en)) en/of (een) wapen(s) (een of meer pistolen en/of

revolver(s)) en/of (een) vervoermiddel(en) (een of meer auto's (een Alfa Romeo

(147, kenteken [..]), een BMW, (840, kenteken [..]), een Opel (Astra,

[..]), een Volkswagen (Golf, kenteken [..]), een Opel (Astra, kenteken

76-DR-FT), een Audi (A3, kenteken [..]), een Suzuki (Swift, kenteken

[..]) en een Volkswagen (Golf, kenteken [..])) kennelijk bestemd tot

het begaan van dat/die misdrij(f)/(ven) verworven, vervaardigd, ingevoerd,

doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden gehad,

welk aldus voorbereid(e) misdrij(f)/(ven) wordt/worden omschreven als:

het opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, een of meer

personen (verantwoordelijk geacht voor een geweldsdelict in de nacht van 4 op

5 april 2006) van het leven beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe

brengen en/of afpersing, dan wel diefstal met (bedreiging van) geweldpleging

tegen voornoemde perso(o)n(en);

2.

hij op of omstreeks 06 april 2006 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of

meer personen, te weten

de eigena(a)r(en)/uitbater(s) en/of medewerker(s) en/of een of meer (al en/of

niet onbekend gebleven) bezoeker(s) van een of meer etablissement(en)

(Koffiehuis Magic en/of restaurant Mykonos en/of café Hellas), gelegen aan de

Amsterdamse Straatweg en/of de Drakenburgstraat

heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen of

goederen en/of met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen

of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

(gekleed in steek- en/of kogelwerende vesten en/of (zichtbaar) voorzien van

wapens)

- met (een) voertuig(en) de betreffende stra(a)t(en) afgezet, althans

(gedeeltelijk) geblokkeerd en/of

- de directe omgeving (van na te duiden etablissement(en)) onder controle

genomen en/of gehouden, (gekleed in steek- en/of kogelwerende vesten, en/of

(zichtbaar) voorzien van wapens) en/of (vervolgens)

- aan een medewerker en/of een of meer onbekend gebleven bezoekers van

Koffiehuis Magic de woorden toegevoegd: "Waar is [A], wie kent hem, laat me

weten waar hij is. Hij moet tevoorschijn komen, anders wordt het alleen maar

erger", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- aan de eigenaar van restaurant Mykonos ([getuige A]) de woorden toegevoegd:

"Misschien gaat plat hier de zaak" en/of "Wie of waar is de Griek die hier

komt eten" en/of "Als jij niet zegt dat wij hem zoeken, dan gaat je hele tent

plat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- aan een medewerker van café Hellas ([getuige x]) de woorden toegevoegd dat ze

[A] en [B] zochten en/of "Als je ze kent of ziet, zeg maar dat ik ze

zoek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

althans voornoemde etablissement(en) betreden en aldaar op een agressieve

wijze informatie opgeëist terzake de namen en/of verblijfsplaatsen van een of

meer perso(o)n(en), (door verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

verantwoordelijk geacht voor een geweldsdelict in de nacht van 4 op 5 april

2006).

Vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank heeft onderzocht of in deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verdachte [verdachte F] is op 6 april 2006 aangehouden en de inverzekeringstelling ving aan op 7 april 2006. Op dat moment neemt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM een aanvang. De inverzekeringstelling mag volgens bestendige rechtspraak worden opgevat als een daad waaraan verdachte [verdachte F] de verwachting kon ontlenen dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zou instellen. Het einddossier in deze zaak is gedateerd 9 juni 2006. Het Openbaar Ministerie heeft op 27 oktober 2006 besloten om tot verdere vervolging over te gaan en heeft laten weten dat een regiezitting zal worden gepland om te oordelen over de onderzoekswensen van de verdediging. Die zitting vindt plaats op 18 december 2007. De getuigenverhoren vinden vervolgens plaats in de periode 7 tot 17 april 2008.

Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting aangegeven dat deze zaak lange tijd stil heeft gelegen en dat dit volledig op het conto van het Openbaar Ministerie geschreven moet worden. Er zijn dus, ook naar het oordeel van het Openbaar Ministerie, geen bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop kunnen legitimeren. Het Openbaar Ministerie heeft hier geen conclusie aan verbonden.

De rechtbank overweegt dat het voorschrift van artikel 6 EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder bedreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden, zijn er andere factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van eventuele slachtoffers en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van eventuele getuigen.

Bij de beoordeling of het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak ontvankelijk is, zoekt de rechtbank aansluiting bij de in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN BD2578 weergegeven uitgangspunten.

Ter bepaling van de redelijkheid van de duur van een strafzaak worden in dit arrest de volgende omstandigheden genoemd:

- de ingewikkeldheid van een zaak;

- de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop;

- de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als uitgangspunt voor berechting in eerste aanleg heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De redelijke termijn begint in ieder geval te lopen bij de inverzekeringstelling.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Meer dan twee jaar nadat verdachte [verdachte F] in verzekering is gesteld vindt de inhoudelijke behandeling van zijn zaak plaats. Voor het verstrijken van die termijn is, zo geeft ook het Openbaar Ministerie toe, geen redelijke verklaring te geven. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte [verdachte F] door het verstrijken van deze termijn in zijn belangen is geschonden. Pas twee jaar na de betreffende gebeurtenissen konden de door de verdediging verzochte getuigen worden gehoord, hetgeen afbreuk doet aan de waarde van deze verklaringen. Enkele getuigen hebben aangegeven het allemaal niet meer zo goed te weten, hetgeen na een dergelijk tijdsverloop niet meer dan logisch is.

De rechtbank is van oordeel dat deze schending van de rechtvaardige belangen van de verdediging consequenties dient te hebben. De Hoge Raad oordeelt in het zeer recente arrest van 17 juni 2008 dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De Hoge Raad overweegt hierbij dat ook de verjaringsregels de verdachte bescherming bieden tegen inactiviteit van politie en/of justitie, welke bescherming is versterkt door de wijziging van art. 72 Sr bij de wet van 16 november 2005, Stb. 595, waardoor de termijn van verjaring ook na de stuiting van de verjaring aan een maximum is gebonden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf. De rechtbank zal derhalve bij de bepaling van de hoogte van de straf op dit punt terugkomen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Algemeen

De rechtbank heeft naar aanleiding van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende kunnen vaststellen. Verdachte heeft deel uitgemaakt van een groep van minstens vijftien mannen die, in verband met de mishandeling van ene [mishandelde man] , op 6 april 2006 verschillende horeca-gelegenheden aan de Amsterdamse Straatweg in Utrecht en een Grieks restaurant in de binnenstad van Utrecht heeft bezocht . Uit verklaringen van enkele personen die zich in die gelegenheden bevonden komt naar voren dat de groep op zoek was naar de mannen die de mishandeling zouden hebben gepleegd . Het merendeel van de leden van die groep droeg kogelwerende en/of steekwerende vesten . Enkelen bleken achteraf een pistool bij zich te hebben . De groep verplaatste zich in een colonne van auto’s. Voor genoemde horeca-gelegenheden stopte de colonne midden op straat en blokkeerde daardoor de weg. Een aantal leden van de groep ging naar binnen. Een groot aantal andere personen stelde zich op nabij de toegangsdeuren van de verschillende etablissementen. Weer anderen bleven in de auto’s zitten .

De rechtbank zal hierna beoordelen of zij met de handelingen die op voornoemde locaties door de verdachten zijn verricht, tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit.

De verdere beoordeling van het bewijs voor feit 1

De hiervoor onder ‘algemeen’ genoemde voorwerpen, te weten de kogel- en steekwerende vesten, de wapens en de vervoermiddelen, in hun gezamenlijkheid bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de groep, gezien de uiterlijke verschijningsvorm en het gemaakte gebruik, op zijn minst genomen bereid en in staat was om met anderen een gewelddadige confrontatie aan te gaan. Dat betekent evenwel niet dat zonder meer kan worden vastgesteld of deze voorwerpen bestemd waren om moord, doodslag, zware mishandeling, afpersing of diefstal met geweld - zoals ten laste gelegd - te plegen. Om vast te kunnen stellen of deze voorwerpen bestemd zijn voor het plegen van genoemde misdrijven zal moeten worden bezien of concrete aanwijzingen bestaan waaruit bij de leden van de groep al dan niet de intentie tot het plegen van een misdrijf kan worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de navolgende feiten en omstandigheden van belang zijn bij beantwoording van de vraag wat de intentie (in voornoemde zin) van de verdachten was.

1. In het dossier bevinden zich allereerst verschillende taps van telefoongesprekken en sms-berichten van de telefoon van verdachte [verdachte H]. Tijdens een gesprek op 6 april 2006 te 18:30 uur zegt ene [x] tegen ene [y]: ‘Het wordt vanavond bekend wat wij gaan doen enzo’ . De rechtbank is van oordeel dat hieruit weliswaar kan worden afgeleid dat een groep, waartoe verdachte [verdachte H] behoorde, plannen had voor die avond, maar op dat moment was kennelijk nog niet duidelijk wat die plannen zouden inhouden. Dat moest nog bekend worden gemaakt.

Op een later ogenblik, om 21:35 uur, wordt naar de telefoon van verdachte [verdachte H] gebeld door ene [z]. [z] zegt dan tegen [verdachte H]: ‘Ik spreek nu met die jongen, weet je wel… de namen zijn nodig’ . Uit deze tap kan het vermoeden ontstaan dat ‘die jongen’ iets moest doen voor de groep uit wraak voor de mishandeling van [mishandelde man], doch geenszins kan hieruit worden afgeleid waaruit die wraak dan zou kunnen bestaan.

Dat op de avond van 6 april 2006 nog niet bekend was wat er met [A] en [B] gedaan moest worden, volgt voorts uit de tap van een telefoongesprek tussen [verdachte H] en [p] op 7 april 2006 om 11:32 uur. Tijdens dit gesprek zegt [verdachte H] eerst: ‘We hebben de Griek gevonden!’ Later zegt hij: ‘[q] zal mij bellen, of we je broer iets moeten vragen over wat we moeten doen enzo..’ . Pas op een later ogenblik lijkt bekend te zijn wat er met de mogelijke plegers van de mishandeling moet gebeuren. In een telefoongesprek van 8 april 2006 om 1:25 uur zegt [verdachte H] immers tegen [z]: ‘Als we ze vinden, dan weten we wat we moeten doen’ .

2. Voorts bevinden zich verschillende getuigenverklaringen in het dossier waaruit ‘een’ intentie van de verdachten kan worden afgeleid. Getuige [getuige y], de eigenaar van café Hellas, heeft verklaard dat hij van zijn barmedewerker [getuige x] heeft gehoord dat de mannen die zijn café waren binnengekomen op zoek waren naar [A] en [B]. Voordat de mannen zijn café hadden betreden, had hij gezien dat vier tot vijf auto’s op de Amsterdamsestraatweg tot stilstand waren gekomen. Volgens getuige [getuige y] leek de wijze waarop de mannen waren opgetreden op een maffiaoptreden uit een film. De mannen deden alsof zij de baas waren . Getuige [getuige x] heeft het voorgaande bevestigd . Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij hieraan toegevoegd dat de mannen heel erg agressief waren. Hem werd gezegd dat hij een probleem zou hebben, als hij geen normaal antwoord zou geven . Een dergelijk tafereel speelde zich ook af in café Mykonos, zo volgt uit de getuigenverklaring van eigenaar [getuige A]. Hij heeft verklaard dat één van de mannen die zijn café waren binnen gekomen tegen hem zei: ‘Misschien gaat plat hier de zaak, wie en waar is die Griek die hier komt eten? ’

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat de mannen die de verschillende café’s binnen kwamen, tezamen met de mannen die buiten bij en in de auto’s stonden te wachten, op zoek waren naar [A] en [B]. Gelet op de agressieve wijze van optreden, is het aannemelijk dat deze zoektocht voor [A] en [B] gevolgen had kunnen hebben. De enige getuigenverklaring die meer opheldering heeft gegeven over de intentie van de verdachten is de verklaring van de anonieme getuige. Welke gevolgen dat zouden kunnen zijn is echter niet duidelijk geworden. Volgens hem droegen de mannen die café Magic binnen kwamen naast kogelwerende vesten voor het grootste deel ook wapens . Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij hier nog aan toegevoegd dat circa vier mannen ook handgranaten bij zich droegen. In totaal waren het 12 tot 16 handgranaten. Bovendien droeg één van de mannen een mitrailleurtje van circa 50 cm. Eén van de gewapende mannen zei tegen de eigenaar van het café dat degene die [A] zou verstoppen tezamen met [A] dood zou gaan, aldus de verklaring van deze getuige, die ten overstaan van de rechter-commissaris beperkt anoniem gehoord .

Bij de beoordeling van de vraag of van deze getuigenverklaring gebruik kan worden gemaakt voor het bewijs, zoekt de rechtbank allereerst aansluiting bij de jurisprudentie van het EHRM. Het EHRM heeft beslist dat de anonimiteit van een getuige niet per definitie een schending van artikel 6 van het EVRM oplevert, maar benadrukt wordt wel dat een bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate mag berusten op verklaringen van anonieme getuigen . Het bepaalde in artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht sluit hierop aan. Op de voet van deze bepaling kan een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, alleen meewerken tot het bewijs indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak van dat laatste geen sprake. Over de doodsbedreiging die volgens de anonieme getuige is uitgesproken en waaruit een intentie op moord zou kunnen worden afgeleid, is alleen door deze getuige gesproken.

3. Uit de verklaringen van de observanten volgt dat verdachten in een gestructureerd verband hebben gehandeld. Observant Q35 heeft verklaard dat de uniformiteit van het geheel een bedreigende indruk op hem maakte . De auto’s kwamen met hoge snelheid aanrijden en stopten bij aankomst abrupt midden op de rijbaan . Nu vervolgens op geen enkel moment overleg was , kan naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn geweest van een vooropgezet plan. Dat dit plan niet vriendelijk van aard was, volgt uit de wijze van optreden. De mannen die buiten bij de toegangsdeuren van de café’s, dan wel bij de auto’s bleven staan, namen een alerte houding aan en hielden alles nauwlettend in de gaten . Zij waren donker gekleed en hadden krachtige posturen. Ook hadden zij een woeste uitstraling, aldus observant Q31 ten overstaan van de rechter-commissaris. Hij had bovendien de indruk dat geschoten zou kunnen gaan worden .

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de inhoud van het plan een gewelddadig karakter moet hebben gehad. De exacte intentie van de verdachten kan ook aan de hand van deze feiten en omstandigheden echter niet nader worden vastgesteld.

4. Ten slotte kan uit de verklaringen van de verdachten zelf een indruk worden verkregen van de bij hen tijdens het optreden op 6 april 2006 bestaande intentie. Dat er sprake was van een vooropgezet plan, zoals uit de verklaringen van de observanten kan worden afgeleid, wordt onderschreven door de verklaring van [betrokkene D]. Volgens hem werden onderweg naar Utrecht al seintjes tussen de verschillende auto’s gegeven en werd tussen de inzittenden van de verschillende auto’s getelefoneerd .

Uit de verklaringen van de overige verdachten kan, net als uit de verklaringen van de getuigen, worden afgeleid dat hun intentie inhield een zoektocht naar de daders van de mishandeling van [mishandelde man]. Zo heeft verdachte [verdachte A] verklaard dat een aantal personen een restaurant binnen is gegaan om te vragen wie [mishandelde man] in elkaar heeft geslagen . Verdachte [verdachte F] verklaarde dat hij naar een restaurant was gegaan om te vragen of de daders van de mishandeling van zijn vriend [mishandelde man] al waren aangehouden. Meer had het bezoek volgens hem niet te betekenen . Volgens verdachte [verdachte C] is de familie van [mishandelde man] naar binnen gegaan. Zelf was hij mee voor de ondersteuning . Later heeft hij verklaard dat de familie van [mishandelde man] op zoek was naar de daders, omdat gepraat moest worden over de kosten van het ziekenhuis. Eventueel wilden zij de daders ook overdragen aan de politie, aldus verdachte [verdachte C]. Dat het de bedoeling was iemand te gaan vermoorden is volgens hem niet logisch. In dat geval zouden zij immers niet met op hun eigen naam gestelde auto’s naar de Amsterdamsestraatweg zijn gekomen .

De rechtbank acht dit laatste deel van de verklaring van verdachte [verdachte C] aannemelijk. Niet aannemelijk acht zij echter dat het doel van het gehele optreden enkel was gelegen in de financiële afhandeling van de zaak. In dat geval was immers geen noodzaak geweest met een dergelijk machtsvertoon op te treden. Dat het optreden van verdachten indrukwekkend is geweest, wordt door verdachte [verdachte C] zelf ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd .

Verdachte [verdachte D] heeft over de intentie verklaard dat hij met de anderen naar de café’s was gegaan omdat zij wilden weten waarom de mishandeling had plaatsgevonden . Het doel van het optreden was volgens hem het verkrijgen van informatie. [betrokkene F] heeft verklaard dat hij mee was als portier, omdat er een vechtpartij was geweest. Er was versterking nodig bij de deur . De rechtbank is van oordeel dat in deze laatste verklaring hooguit een bevestiging kan worden gevonden voor de bereidheid tot het aangaan van een gewelddadige confrontatie.

Conclusie

Alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat de hiervoor besproken bewijsmiddelen geen eenduidige en concrete aanwijzingen bieden op grond waarvan de rechtbank boven gerede twijfel tot het oordeel kan komen dat de voorwerpen bestemd waren voor het plegen van één of meer van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. Op grond van het bovenstaande kan enkel worden vastgesteld dat de groep bereid was een gewelddadige confrontatie aan te gaan en dat door hun manier van handelen de openbare orde op ernstige wijze is verstoord. Alhoewel de rechtbank dit ten zeerste afkeurt, is zij om tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit te komen, gebonden aan de grondslag van de tenlastelegging zoals door de officier van justitie voorgelegd. Nu het hierin neergelegde misdrijf niet kan worden bewezen, zal verdachte van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De verdere beoordeling van het bewijs voor feit 2

Uit hetgeen de rechtbank in het kader van feit 1 heeft overwogen, kan worden afgeleid dat een aantal mannen met veel machtsvertoon onder meer koffiehuis Magic en café Hellas aan de Amsterdamsestraatweg en restaurant Mykonos aan de Drakenburgstraat heeft betreden. Daarbij is gevraagd naar de daders van de mishandeling van [mishandelde man]. Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij, tezamen en in vereniging met anderen, de eigenaren en/of medewerkers van voornoemde etablissementen heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen of goederen en/of met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de wijze waarop in elk van de horecagelegenheden naar de daders van de mishandeling van [mishandelde man] is gevraagd, als een zodanige bedreiging is aan te merken.

De bedreiging in koffiehuis Magic

In koffiehuis Magic zou de bedreiging hebben bestaan uit het toevoegen van de woorden: "Waar is [A], wie kent hem, laat me weten waar hij is. Hij moet tevoorschijn komen, anders wordt het alleen maar erger", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. De bewoordingen zoals in de tenlastelegging gebruikt, zijn gebaseerd op de verklaring van de anonieme getuige. Gelet op hetgeen de rechtbank in het kader van feit 1 ten aanzien van de anonieme getuige heeft overwogen, kan zij deze verklaring ook ten aanzien van feit 2 niet als bewijsmiddel hanteren.

Afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte wordt verweten niet zonder meer geacht kan worden een bedreiging met een misdrijf als voornoemd op te leveren . Een strafbare bedreiging moet concreet zijn, het moet duidelijk zijn waarmee het slachtoffer bedreigd wordt. De woorden “anders wordt het erger” zijn derhalve onvoldoende specifiek. Er is geen sprake van omstandigheden of handelingen die aan die woorden wel een specifieke lading geven. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

De bedreiging in café Hellas

In café Hellas zou de bedreiging aldus hebben geluid dat aan de barmedewerker [getuige x] de woorden zijn toegevoegd dat ze [A] en [B] zochten en/of "Als je ze kent of ziet, zeg maar dat ik ze zoek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Deze bewoordingen zijn gebaseerd op de verklaring van getuige [getuige x], zoals afgelegd bij de politie . Getuige [getuige y], de eigenaar van café Hellas, heeft bevestigd dat zijn barmedewerker die avond door de mannen is aangesproken . Ook voor dit feit geldt echter dat hetgeen verdachte wordt verweten niet zonder meer geacht kan worden een bedreiging met een misdrijf als ten laste gelegd op te leveren. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen zij in het kader van de bedreiging in koffiehuis Magic heeft overwogen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat verdachte eveneens van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

De bedreiging in restaurant Mykonos

De eigenaar van restaurant Mykonos heeft verklaard dat één van de mannen die zijn zaak de avond van 6 april 2006 waren binnen gekomen tegen hem zei: “Misschien gaat plat hier de zaak” en “Wie of waar is de Griek die hier komt eten” . De zaak zou plat gaan als de man die zij zochten zich niet bij hen zou melden. Hij moest van de mannen aan de Griek doorgegeven dat zij hem zochten, aldus de verklaring van getuige [getuige A] .

De rechtbank is van oordeel dat bij het slachtoffer, eigenaar [getuige A], de redelijke vrees heeft kunnen bestaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, het platgooien van zijn zaak, daadwerkelijk ten uitvoer gebracht zou kunnen worden. De rechtbank komt te meer tot dit oordeel gezien de verklaring van getuige [getuige A] bij de rechter-commissaris, waarin hij heeft aangegeven natuurlijk bang te zijn geweest. “Als mensen zeggen dat je tent de lucht in gaat en er zitten zoveel mensen binnen, dan moet je je wel zorgen maken”, aldus getuige [getuige A] . Getuige [getuige B] heeft bevestigd dat aan [getuige A] angst is aangejaagd door de bedreigingen. Volgens hem stond hij te trillen op zijn benen . Over de wijze van handelen heeft getuige [getuige c] nog verklaard dat de mannen met machtsvertoon binnen kwamen en dat zij dreigend intimiderend gedrag richting [getuige A] vertoonden . Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat voor de omstanders reeds zichtbaar was dat de mannen angst teweegbrachten bij eigenaar [getuige A]. Uit de manier waarop de bedreigingen naar [getuige A] zijn geuit en met name het fysieke machtsvertoon daarbij, volgt dat de wil van deze mannen ook op het teweegbrengen van angst gericht moet zijn geweest .

De mannen in restaurant Mykonos

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is wie de mannen waren die restaurant Mykonos hebben betreden. De rechtbank overweegt daartoe dat [betrokkene D] heeft verklaard dat [chauffeur] de chauffeur van de BMW en nog een brede gast naar binnen zijn gegaan . Met de persoon die hij [chauffeur] noemt, doelt hij op verdachte [verdachte F] en de chauffeur van de BMW betreft verdachte [verdachte B], aldus de verklaring van [betrokkene D] . Het eethuis waar deze personen naar binnen zijn gegaan, ligt volgens [betrokkene D] in een andere wijk dan de Amsterdamsestraatweg. Nadat de colonne met auto’s een aantal keer was gestopt op de Amsterdamsestraatweg, waren zij hierheen gereden . De rechtbank is van oordeel dat uit de waarnemingen van de observanten kan worden afgeleid dat het eethuis waarop [betrokkene D] doelt restaurant Mykonos betreft.

De betrokkenheid van verdachte [verdachte B] bij de bedreiging in restaurant Mykonos volgt voorts uit de verklaring van verdachte [verdachte C]. Volgens hem voerde de jongen met de paardenstaart, genaamd [verdachte B], het woord in het restaurant waar [mishandelde man] in elkaar is geslagen .

De mishandeling van [mishandelde man] heeft weliswaar plaatsgevonden in café Asya en niet in restaurant Mykonos, doch hiervoor is reeds gebleken dat de mannen meerdere etablissementen zijn binnen getreden. Nu [betrokkene C] heeft verklaard dat de mannen die bij de verschillende koffiehuizen op de Amsterdamsestraatweg naar binnen gingen in ieder geval dezelfde waren , acht de rechtbank het aannemelijk dat deze zelfde mannen, waartoe verdachte [verdachte B] kennelijk behoorde, ook naar binnen zijn gegaan bij restaurant Mykonos.

De betrokkenheid van verdachte [verdachte F] vindt steun in zijn eigen verklaring, zoals afgelegd bij de politie. Hierin heeft hij aangegeven, dat hij naar een restaurant is gegaan om te vragen of de daders van de mishandeling van [mishandelde man] al waren aangehouden . Verdachte [verdachte D] heeft bevestigd dat verdachte [verdachte F] in elk geval restaurant Asya is binnen gegaan . Dat het aannemelijk is dat hij ook behoorde tot de groep die daarna restaurant Mykonos heeft betreden, geldt op grond van hetgeen de rechtbank reeds ten aanzien van verdachte [verdachte B] heeft overwogen, eveneens voor hem.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat in ieder geval verdachten [verdachte F] en [verdachte B] in restaurant Mykonos waren op het moment dat daar de bedreigingen jegens eigenaar [getuige A] zijn geuit.

Medeplegen

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden in hoeverre de in dit restaurant geuite bedreigingen aan ieder van deze mannen en aan de mannen die op dat moment buiten het restaurant stonden kunnen worden toegerekend.

Medeplegen veronderstelt bewuste en nauwe samenwerking . Van bewuste samenwerking is sprake als de medeplegers met opzet samenwerken tot het verrichten van de delictueuze gedraging. Van opzet op de samenwerking kan reeds sprake zijn indien de verdachte aanwezig was bij de uitvoering van het delict en zich daarvan niet heeft gedistantieerd. Niet nodig is dat de medeplegers allen eigenhandig aan de uitvoering van de delictshandeling deelnemen . Wanneer de samenwerking maar bewust en nauw is geweest kunnen ondersteunende handelingen medeplegen opleveren.

Verdachten [verdachte B] en [verdachte F] zijn samen met nog een derde persoon in restaurant Mykonos geweest op het moment dat door één van hen, dan wel door die derde persoon, de bedreiging is geuit jegens eigenaar [getuige A]. Deze bedreiging vond plaats in de Nederlandse taal, aldus de verklaring van [getuige A] . Nu verdachte [verdachte B] steeds in de Nederlandse taal is gehoord, kan ervan worden uitgegaan dat hij de bedreigende woorden kan hebben gezegd, dan wel deze kan hebben verstaan. Verdachte [verdachte F] begrijpt de Nederlandse taal wanneer er langzaam en duidelijk wordt gesproken , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij zich ook bewust is geweest van de strekking van de geuite bewoordingen.

Volgens getuige [getuige B] kwamen de mannen met z’n drieën naar binnen. De middelste man voerde het woord. De andere twee mannen stonden erbij. Hierbij keken zij bedreigend .

De rechtbank is van oordeel dat de bedreiging, voor zover bewezen verklaard, zowel aan verdachte [verdachte F], als aan verdachte [verdachte B] kan worden toegerekend. Nu de mannen tezamen met een derde persoon met veel machtsvertoon het eethuis binnen zijn gekomen, zij tezamen voor eigenaar [getuige A] stonden op het moment dat één van hen het woord voerde, zij op dat moment alle drie een dreigende blik in hun ogen hadden en zij even later de horecazaak gedrieën weer hebben verlaten, kan het niet anders zijn dan dat bij alledrie opzet bestond op de samenwerking tot het uiten van de bedreiging jegens eigenaar [getuige A]. Het onder de hiervoor omschreven omstandigheden aanwezig zijn in het restaurant acht de rechtbank voldoende om dit opzet aan te nemen. Zulks geldt te meer, omdat de mannen eerder bij andere horecagelegenheden naar binnen zijn geweest en het daar ook tot een grimmige sfeer is gekomen. Zij hadden er daarom rekening mee moeten houden dat in het volgende restaurant een bedreiging geuit zou kunnen worden. Daarbij komt dat het machtsvertoon dat zij tezamen hebben vertoond, de bedreiging kracht heeft bijgezet. Het vertonen van dit machtsvertoon is op te vatten als een ondersteunende handeling die duidt op een bewuste en nauwe samenwerking.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna onder bewezenverklaring vermeld.

De bewezenverklaring

2.

Verdachte heeft op 06 april 2006 te Utrecht, tezamen en in vereniging met

anderen, een persoon, te weten de eigenaar van restaurant Mykonos, gelegen

aan de Drakenburgstraat, bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten

tegen goederen, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend,

gekleed in steek- en/of kogelwerende vesten,

"Misschien gaat plat hier de zaak" en "Wie of waar is de Griek die hier

komt eten" en "Als jij niet zegt dat wij hem zoeken, dan gaat je hele tent

plat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij is voor de persoon van verdachte met name gelet op het uittreksel justitiële documentatie van 9 juni 2008. Daarnaast is acht geslagen op de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie, inhoudende dat verdachte voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot kort gezegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren.

De rechtbank zal een vrijheidsbenemende straf opleggen. Bij de keuze van deze strafsoort en de duur daarvan is voor wat betreft de ernst van het feit met name gelet op de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft de eigenaar van restaurant Mykonos, [getuige A], op nare wijze onder druk gezet om hem en zijn medeverdachten informatie te verschaffen over één van de mogelijke betrokkenen bij de mishandeling van [mishandelde man]. Door te dreigen dat zijn zaak wel eens plat zou kunnen gaan als hij niet aan de geuite wensen gehoor zou geven, heeft verdachte met zijn mededaders het gevoel van veiligheid van [getuige A] in ernstige mate aangetast. De intimiderende wijze waarop zij de zaak zijn binnen gegaan, heeft de bedreiging kracht bijgezet. Hun optreden moet een vreeswekkende vertoning zijn geweest. De bedreiging vond plaats in het verband van een klopjacht op de vermoedelijke plegers van de genoemde mishandeling. Deze jacht was een ernstige verstoring van de openbare orde. De groep waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden, is met een groot machtsvertoon de verschillende horecazaken op de Amsterdamsestraatweg en de Drakenburgstraat langs gegaan en toonde zich kennelijk bereid tot het aangaan van een gewelddadige confrontatie. De rechtbank leidt dit niet alleen af uit de omvang van de groep, maar ook uit de omstandigheid dat een aantal van hen kogelwerende vesten droeg en er ook wapens zijn aangetroffen. Daarnaast hadden zij een imponerende houding, hetgeen ook zo door [getuige A] is ervaren. Hij heeft verklaard dat het om grote, zware mannen ging, die de uitstraling hadden van bodyguards. Bovendien was het [getuige A] bekend op welke afschuwelijke wijze [mishandelde man] eerder die week was toegetakeld. Nu verdachte en zijn medeverdachten kennelijk tot een kring behoorden waarin dergelijke mishandelingen voor kunnen komen, moet de angst dat zij daadwerkelijk uitvoering zouden geven aan hun dreigement bij [getuige A] groot zijn geweest.

Deze omstandigheden, die de bedreiging in restaurant Mykonos hebben vergezeld, zijn strafverzwarend. Dat de bedreigde, eigenaar [getuige A], mogelijk niets van de klopjacht af wist, maakt het voorgaande niet anders. De wetenschap bij verdachte en zijn medeverdachten dat hun groep zich met zoveel overmacht buiten het restaurant bevond, moet hen in hun optreden hebben gesterkt.

De afschuwelijke toetakeling van [mishandelde man], die maakt dat het optreden voor [getuige A] extra bedreigend moet zijn geweest, vormt echter tegelijkertijd een strafverminderende factor. Alhoewel iedere vorm van eigenrichting ten strengste verboden is, kan de rechtbank zich voorstellen dat leden van de groep, die kennelijk bevriend waren met [mishandelde man], door deze gebeurtenis ontzet en ontdaan waren. Hiermee zal dan ook rekening worden gehouden met de op te leggen straf.

Nu verdachte wordt vrij gesproken van het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit, kan naar het oordeel van de rechtbank met een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd worden volstaan. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 5 maanden passend en geboden is. Gezien de omstandigheid dat de redelijke termijn in deze zaak fors is overschreden, zal de rechtbank een maand minder opleggen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van vier maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.K. van Riemsdijk, S.C. Hagedoorn en A.M.M.E. Doekes-Beijnes, bijgestaan door mr. C.W.M. Maase-Raedts als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2008.