Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5583

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
16-704507-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van voorbereiding van moord, subsidiair doodslag, afpersing, zware mishandeling, dan wel diefstal met geweld. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de intentie van verdachte gericht was op het plegen van voornoemd misdrijf. Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van medeplegen van bedreiging. Voor zover hetgeen ten laste is gelegd al een bedreiging met een misdrijf oplevert, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en degene die de bedreiging heeft geuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/704507-06

Datum uitspraak: 26 juni 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 december 2007 en 9 tot en met 12 juni 2008.

De zaak van verdachte is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken van een aantal medeverdachten. De vonnissen van verdachte en zijn medeverdachten zullen op belangrijke punten ook overeenstemmen. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte aanduiden met verdachte al dan niet gevolgd door zijn achternaam en de medeverdachten telkens met verdachte gevolgd door de betreffende achternaam. Verdachte en de medeverdachten tezamen worden aangeduid als de verdachten.

De in de noten genoemde paginanummers verwijzen naar het einddossier met nummer PL0912/06-006062D, voor zover niet uitdrukkelijk anders aangeduid.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 05 april 2006 tot en met 07 april 2006 te

Utrecht en/of Amsterdam, althans in het arrondissement Utrecht en/of

Amsterdam, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, hierna het/de omschreven misdrij(f)/(ven) heeft

voorbereid, immers heeft hij toen aldaar, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, opzettelijk voorwerpen (een/of meer kogel- en/of

steekwerende vest(en)) en/of (een) wapen(s) (een of meer pistolen en/of

revolver(s)) en/of (een) vervoermiddel(en) (een of meer auto's (een Alfa Romeo

(147, kenteken [..]), een BMW, (840, kenteken [..]), een Opel (Astra,

[..]), een Volkswagen (Golf, kenteken ZV493AD), een Opel (Astra, kenteken

[..]), een Audi (A3, kenteken [..]), een Suzuki (Swift, kenteken

[..]) en een Volkswagen (Golf, kenteken [..])) kennelijk bestemd tot

het begaan van dat/die misdrij(f)/(ven) verworven, vervaardigd, ingevoerd,

doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden gehad,

welk aldus voorbereid(e) misdrij(f)/(ven) wordt/worden omschreven als:

het opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, een of meer

personen (verantwoordelijk geacht voor een geweldsdelict in de nacht van 4 op

5 april 2006) van het leven beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe

brengen en/of afpersing, dan wel diefstal met (bedreiging van) geweldpleging

tegen voornoemde perso(o)n(en);

2.

hij op of omstreeks 06 april 2006 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of

meer personen, te weten

de eigena(a)r(en)/uitbater(s) en/of medewerker(s) en/of een of meer (al en/of

niet onbekend gebleven) bezoeker(s) van een of meer etablissement(en)

(Koffiehuis Magic en/of restaurant Mykonos en/of café Hellas), gelegen aan de

Amsterdamse Straatweg en/of de Drakenburgstraat

heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen of

goederen en/of met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen

of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

(gekleed in steek- en/of kogelwerende vesten en/of (zichtbaar) voorzien van

wapens)

- met (een) voertuig(en) de betreffende stra(a)t(en) afgezet, althans

(gedeeltelijk) geblokkeerd en/of

- de directe omgeving (van na te duiden etablissement(en)) onder controle

genomen en/of gehouden, (gekleed in steek- en/of kogelwerende vesten, en/of

(zichtbaar) voorzien van wapens) en/of (vervolgens)

- aan een medewerker en/of een of meer onbekend gebleven bezoekers van

Koffiehuis Magic de woorden toegevoegd: "Waar is [A], wie kent hem, laat me

weten waar hij is. Hij moet tevoorschijn komen, anders wordt het alleen maar

erger", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- aan de eigenaar van restaurant Mykonos ([eigenaar]) de woorden toegevoegd:

"Misschien gaat plat hier de zaak" en/of "Wie of waar is de Griek die hier

komt eten" en/of "Als jij niet zegt dat wij hem zoeken, dan gaat je hele tent

plat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- aan een medewerker van café Hellas ([medewerker]) de woorden toegevoegd dat ze

[A] en [G] zochten en/of "Als je ze kent of ziet, zeg maar dat ik ze

zoek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

althans voornoemde etablissement(en) betreden en aldaar op een agressieve

wijze informatie opgeëist terzake de namen en/of verblijfsplaatsen van een of

meer perso(o)n(en), (door verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

verantwoordelijk geacht voor een geweldsdelict in de nacht van 4 op 5 april

2006).

Verweren als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

Schending van het gelijkheidsbeginsel/ willekeur

Op grond van het bepaalde in artikel 167, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering komt aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toe om na een onderzoek vervolging tegen een verdachte in te stellen. Het openbaar ministerie kan een zaak seponeren indien zij een veroordeling niet haalbaar acht, dan wel niet opportuun acht. Deze ruime bevoegdheid vindt zijn begrenzing in (onder andere) het gelijkheidsbeginsel; gelijke gevallen dienen gelijk behandeld te worden. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een ‘gelijk geval’ moet daarom bekeken worden of de omstandigheden van de betreffende zaken zowel op het punt van de haalbaarheid als op dat van de opportuniteit overeenstemmen. De Hoge Raad heeft weliswaar uitgemaakt dat de rechter de beslissing om tot vervolging over te gaan ten volle dient te toetsen aan beginselen van een goede procesorde, maar dit betekent niet dat de rechter de van het openbaar ministerie gevraagde belangenafweging nog eens overdoet. De rechter beperkt zich tot de vraag of het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Namens de verdediging is gewezen op de overeenkomsten tussen de positie van de verdachten en de positie van [betrokkene A], [betrokkene B], [betrokkene C], [betrokkene D], [betrokkene F], [betrokkene G] en [betrokkene H], hierna te noemen de Amsterdamse groep. Op grond daarvan, zo wordt gesteld, is de vervolgingsbeslissing in strijd met de goede procesorde. Uit het onderliggende dossier valt echter op te maken dat de Amsterdamse groep zich op bepaalde punten duidelijk onderscheidt van de verdachten die zijn vervolgd. Zo verklaren de leden van de Amsterdamse groep consistent dat zij zijn gevraagd om in Utrecht portiers werkzaamheden te gaan verrichten. Over de exacte aard van die werkzaamheden lopen de verklaringen weliswaar uiteen, maar dat doet aan dit punt niet af. Geen van de verdachten die betrokken zijn in de huidige procedure heeft verklaard naar Utrecht te zijn gekomen voor het verrichten van dergelijke werkzaamheden. Voorts is niet gebleken dat leden van de Amsterdamse groep [mishandelde man] kenden. De rechtbank stelt derhalve vast dat er wel degelijk sprake is van relevante verschillen tussen de dossiers van de leden van de Amsterdamse groep en die van de overige verdachten. Uit deze omstandigheid volgt dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid kon beslissen om de leden van de Amsterdamse groep niet te vervolgen en de overige verdachten wel te vervolgen. Het Openbaar Ministerie zal derhalve niet op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel niet ontvankelijk worden verklaard.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Algemeen

De rechtbank heeft naar aanleiding van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende kunnen vaststellen. Verdachte heeft deel uitgemaakt van een groep van minstens vijftien mannen die, in verband met de mishandeling van ene [mishandelde man] , op 6 april 2006 verschillende horeca-gelegenheden aan de Amsterdamse Straatweg in Utrecht en een Grieks restaurant in de binnenstad van Utrecht heeft bezocht . Uit verklaringen van enkele personen die zich in die gelegenheden bevonden komt naar voren dat de groep op zoek was naar de mannen die de mishandeling zouden hebben gepleegd . Het merendeel van de leden van die groep droeg kogelwerende en/of steekwerende vesten . Enkelen bleken achteraf een pistool bij zich te hebben . De groep verplaatste zich in een colonne van auto’s. Voor genoemde horeca-gelegenheden stopte de colonne midden op straat en blokkeerde daardoor de weg. Een aantal leden van de groep ging naar binnen. Een groot aantal andere personen stelde zich op nabij de toegangsdeuren van de verschillende etablissementen. Weer anderen bleven in de auto’s zitten .

De rechtbank zal hierna beoordelen of zij met de handelingen die op voornoemde locaties door de verdachten zijn verricht, tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De verdere beoordeling van het bewijs voor feit 1

De hiervoor onder ‘algemeen’ genoemde voorwerpen, te weten de kogel- en steekwerende vesten, de wapens en de vervoermiddelen, in hun gezamenlijkheid bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de groep, gezien de uiterlijke verschijningsvorm en het gemaakte gebruik, op zijn minst genomen bereid en in staat was om met anderen een gewelddadige confrontatie aan te gaan. Dat betekent evenwel niet dat zonder meer kan worden vastgesteld of deze voorwerpen bestemd waren om moord, doodslag, zware mishandeling, afpersing of diefstal met geweld - zoals ten laste gelegd - te plegen. Om vast te kunnen stellen of deze voorwerpen bestemd zijn voor het plegen van genoemde misdrijven zal moeten worden bezien of concrete aanwijzingen bestaan waaruit bij de leden van de groep al dan niet de intentie tot het plegen van een misdrijf kan worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de navolgende feiten en omstandigheden van belang zijn bij beantwoording van de vraag wat de intentie (in voornoemde zin) van de verdachten was.

1. In het dossier bevinden zich allereerst verschillende taps van telefoongesprekken en sms-berichten van de telefoon van verdachte [verdachte H]. Tijdens een gesprek op 6 april 2006 te 18:30 uur zegt ene [x] tegen ene [y]: ‘Het wordt vanavond bekend wat wij gaan doen enzo’ . De rechtbank is van oordeel dat hieruit weliswaar kan worden afgeleid dat een groep, waartoe verdachte [verdachte H] behoorde, plannen had voor die avond, maar op dat moment was kennelijk nog niet duidelijk wat die plannen zouden inhouden. Dat moest nog bekend worden gemaakt.

Op een later ogenblik, om 21:35 uur, wordt naar de telefoon van verdachte [verdachte H] gebeld door ene [z]. [z] zegt dan tegen [verdachte H]: ‘Ik spreek nu met die jongen, weet je wel… de namen zijn nodig’ . Uit deze tap kan het vermoeden ontstaan dat ‘die jongen’ iets moest doen voor de groep uit wraak voor de mishandeling van [mishandelde man], doch geenszins kan hieruit worden afgeleid waaruit die wraak dan zou kunnen bestaan.

Dat op de avond van 6 april 2006 nog niet bekend was wat er met [A] en [G] gedaan moest worden, volgt voorts uit de tap van een telefoongesprek tussen [verdachte H] en Oegan op 7 april 2006 om 11:32 uur. Tijdens dit gesprek zegt [verdachte H] eerst: ‘We hebben de Griek gevonden!’ Later zegt hij: ‘Tora zal mij bellen, of we je broer iets moeten vragen over wat we moeten doen enzo..’ . Pas op een later ogenblik lijkt bekend te zijn wat er met de mogelijke plegers van de mishandeling moet gebeuren. In een telefoongesprek van 8 april 2006 om 1:25 uur zegt [verdachte H] immers tegen Ugur: ‘Als we ze vinden, dan weten we wat we moeten doen’ .

2. Voorts bevinden zich verschillende getuigenverklaringen in het dossier waaruit ‘een’ intentie van de verdachten kan worden afgeleid. Getuige [getuige x], de eigenaar van café Hellas, heeft verklaard dat hij van zijn barmedewerker [getuige y] heeft gehoord dat de mannen die zijn café waren binnengekomen op zoek waren naar [A] en [G]. Voordat de mannen zijn café hadden betreden, had hij gezien dat vier tot vijf auto’s op de Amsterdamsestraatweg tot stilstand waren gekomen. Volgens getuige [getuige x] leek de wijze waarop de mannen waren opgetreden op een maffiaoptreden uit een film. De mannen deden alsof zij de baas waren . Getuige [getuige y] heeft het voorgaande bevestigd . Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij hieraan toegevoegd dat de mannen heel erg agressief waren. Hem werd gezegd dat hij een probleem zou hebben, als hij geen normaal antwoord zou geven . Een dergelijk tafereel speelde zich ook af in café Mykonos, zo volgt uit de getuigenverklaring van eigenaar [eigenaar]. Hij heeft verklaard dat één van de mannen die zijn café waren binnen gekomen tegen hem zei: ‘Misschien gaat plat hier de zaak, wie en waar is die Griek die hier komt eten? ’

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat de mannen die de verschillende café’s binnen kwamen, tezamen met de mannen die buiten bij en in de auto’s stonden te wachten, op zoek waren naar [A] en [G]. Gelet op de agressieve wijze van optreden, is het aannemelijk dat deze zoektocht voor [A] en [G] gevolgen had kunnen hebben. De enige getuigenverklaring die meer opheldering heeft gegeven over de intentie van de verdachten is de verklaring van de anonieme getuige. Welke gevolgen dat zouden kunnen zijn is echter niet duidelijk geworden. Volgens hem droegen de mannen die café Magic binnen kwamen naast kogelwerende vesten voor het grootste deel ook wapens . Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij hier nog aan toegevoegd dat circa vier mannen ook handgranaten bij zich droegen. In totaal waren het 12 tot 16 handgranaten. Bovendien droeg één van de mannen een mitrailleurtje van circa 50 cm. Eén van de gewapende mannen zei tegen de eigenaar van het café dat degene die [A] zou verstoppen tezamen met [A] dood zou gaan, aldus de verklaring van deze getuige, die ten overstaan van de rechter-commissaris beperkt anoniem gehoord .

Bij de beoordeling van de vraag of van deze getuigenverklaring gebruik kan worden gemaakt voor het bewijs, zoekt de rechtbank allereerst aansluiting bij de jurisprudentie van het EHRM. Het EHRM heeft beslist dat de anonimiteit van een getuige niet per definitie een schending van artikel 6 van het EVRM oplevert, maar benadrukt wordt wel dat een bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate mag berusten op verklaringen van anonieme getuigen . Het bepaalde in artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht sluit hierop aan. Op de voet van deze bepaling kan een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, alleen meewerken tot het bewijs indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak van dat laatste geen sprake. Over de doodsbedreiging die volgens de anonieme getuige is uitgesproken en waaruit een intentie op moord zou kunnen worden afgeleid, is alleen door deze getuige gesproken.

3. Uit de verklaringen van de observanten volgt dat verdachten in een gestructureerd verband hebben gehandeld. Observant Q35 heeft verklaard dat de uniformiteit van het geheel een bedreigende indruk op hem maakte . De auto’s kwamen met hoge snelheid aanrijden en stopten bij aankomst abrupt midden op de rijbaan . Nu vervolgens op geen enkel moment overleg was , kan naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn geweest van een vooropgezet plan. Dat dit plan niet vriendelijk van aard was, volgt uit de wijze van optreden. De mannen die buiten bij de toegangsdeuren van de café’s, dan wel bij de auto’s bleven staan, namen een alerte houding aan en hielden alles nauwlettend in de gaten . Zij waren donker gekleed en hadden krachtige posturen. Ook hadden zij een woeste uitstraling, aldus observant Q31 ten overstaan van de rechter-commissaris. Hij had bovendien de indruk dat geschoten zou kunnen gaan worden .

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de inhoud van het plan een gewelddadig karakter moet hebben gehad. De exacte intentie van de verdachten kan ook aan de hand van deze feiten en omstandigheden echter niet nader worden vastgesteld.

4. Ten slotte kan uit de verklaringen van de verdachten zelf een indruk worden verkregen van de bij hen tijdens het optreden op 6 april 2006 bestaande intentie. Dat er sprake was van een vooropgezet plan, zoals uit de verklaringen van de observanten kan worden afgeleid, wordt onderschreven door de verklaring van [betrokken D]. Volgens hem werden onderweg naar Utrecht al seintjes tussen de verschillende auto’s gegeven en werd tussen de inzittenden van de verschillende auto’s getelefoneerd .

Uit de verklaringen van de overige verdachten kan, net als uit de verklaringen van de getuigen, worden afgeleid dat hun intentie inhield een zoektocht naar de daders van de mishandeling van [mishandelde man]. Zo heeft verdachte [verdachte A]verklaard dat een aantal personen een restaurant binnen is gegaan om te vragen wie [mishandelde man] in elkaar heeft geslagen . Verdachte [verdachte F] verklaarde dat hij naar een restaurant was gegaan om te vragen of de daders van de mishandeling van zijn vriend [mishandelde man] al waren aangehouden. Meer had het bezoek volgens hem niet te betekenen . Volgens verdachte [verdachte c] is de familie van [mishandelde man] naar binnen gegaan. Zelf was hij mee voor de ondersteuning . Later heeft hij verklaard dat de familie van [mishandelde man] op zoek was naar de daders, omdat gepraat moest worden over de kosten van het ziekenhuis. Eventueel wilden zij de daders ook overdragen aan de politie, aldus verdachte [verdachte c]. Dat het de bedoeling was iemand te gaan vermoorden is volgens hem niet logisch. In dat geval zouden zij immers niet met op hun eigen naam gestelde auto’s naar de Amsterdamsestraatweg zijn gekomen .

De rechtbank acht dit laatste deel van de verklaring van verdachte [verdachte c] aannemelijk. Niet aannemelijk acht zij echter dat het doel van het gehele optreden enkel was gelegen in de financiële afhandeling van de zaak. In dat geval was immers geen noodzaak geweest met een dergelijk machtsvertoon op te treden. Dat het optreden van verdachten indrukwekkend is geweest, wordt door verdachte [verdachte c] zelf ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd .

Verdachte [verdachte D] heeft over de intentie verklaard dat hij met de anderen naar de café’s was gegaan omdat zij wilden weten waarom de mishandeling had plaatsgevonden . Het doel van het optreden was volgens hem het verkrijgen van informatie. [betrokkene F] heeft verklaard dat hij mee was als portier, omdat er een vechtpartij was geweest. Er was versterking nodig bij de deur . De rechtbank is van oordeel dat in deze laatste verklaring hooguit een bevestiging kan worden gevonden voor de bereidheid tot het aangaan van een gewelddadige confrontatie.

Conclusie

Alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat de hiervoor besproken bewijsmiddelen geen eenduidige en concrete aanwijzingen bieden op grond waarvan de rechtbank boven gerede twijfel tot het oordeel kan komen dat de voorwerpen bestemd waren voor het plegen van één of meer van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. Op grond van het bovenstaande kan enkel worden vastgesteld dat de groep bereid was een gewelddadige confrontatie aan te gaan en dat door hun manier van handelen de openbare orde op ernstige wijze is verstoord. Alhoewel de rechtbank dit ten zeerste afkeurt, is zij om tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit te komen, gebonden aan de grondslag van de tenlastelegging zoals door de officier van justitie voorgelegd. Nu het hierin neergelegde misdrijf niet kan worden bewezen, zal verdachte van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De verdere beoordeling van het bewijs voor feit 2

Uit hetgeen de rechtbank in het kader van feit 1 heeft overwogen, kan worden afgeleid dat een aantal mannen met veel machtsvertoon onder meer koffiehuis Magic en café Hellas aan de Amsterdamsestraatweg en restaurant Mykonos aan de Drakenburgstraat heeft betreden. Daarbij is gevraagd naar de daders van de mishandeling van [mishandelde man]. Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij, tezamen en in vereniging met anderen, de eigenaren en/of medewerkers van voornoemde etablissementen heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen of goederen en/of met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de wijze waarop in elk van de horecagelegenheden naar de daders van de mishandeling van [mishandelde man] is gevraagd, als een zodanige bedreiging is aan te merken.

De bedreiging in koffiehuis Magic

In koffiehuis Magic zou de bedreiging hebben bestaan uit het toevoegen van de woorden: "Waar is [A], wie kent hem, laat me weten waar hij is. Hij moet tevoorschijn komen, anders wordt het alleen maar erger", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. De bewoordingen zoals in de tenlastelegging gebruikt, zijn gebaseerd op de verklaring van de anonieme getuige. Gelet op hetgeen de rechtbank in het kader van feit 1 ten aanzien van de anonieme getuige heeft overwogen, kan zij deze verklaring ook ten aanzien van feit 2 niet als bewijsmiddel hanteren.

Afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte wordt verweten niet zonder meer geacht kan worden een bedreiging met een misdrijf als voornoemd op te leveren . Een strafbare bedreiging moet concreet zijn, het moet duidelijk zijn waarmee het slachtoffer bedreigd wordt. De woorden “anders wordt het erger” zijn derhalve onvoldoende specifiek. Er is geen sprake van omstandigheden of handelingen die aan die woorden wel een specifieke lading geven. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

De bedreiging in café Hellas

In café Hellas zou de bedreiging aldus hebben geluid dat aan de barmedewerker [getuige y] de woorden zijn toegevoegd dat ze [A] en [G] zochten en/of "Als je ze kent of ziet, zeg maar dat ik ze zoek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Deze bewoordingen zijn gebaseerd op de verklaring van getuige [getuige y], zoals afgelegd bij de politie . Getuige [getuige x], de eigenaar van café Hellas, heeft bevestigd dat zijn barmedewerker die avond door de mannen is aangesproken . Ook voor dit feit geldt echter dat hetgeen verdachte wordt verweten niet zonder meer geacht kan worden een bedreiging met een misdrijf als ten laste gelegd op te leveren. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen zij in het kader van de bedreiging in koffiehuis Magic heeft overwogen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat verdachte eveneens van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

De bedreiging in restaurant Mykonos

De eigenaar van restaurant Mykonos heeft verklaard dat één van de mannen die zijn zaak de avond van 6 april 2006 waren binnen gekomen tegen hem zei: “Misschien gaat plat hier de zaak” en “Wie of waar is de Griek die hier komt eten” . De zaak zou plat gaan als de man die zij zochten zich niet bij hen zou melden. Hij moest van de mannen aan de Griek doorgegeven dat zij hem zochten, aldus de verklaring van getuige [getuige A] .

De rechtbank is van oordeel dat bij het slachtoffer, eigenaar [getuige A], de redelijke vrees heeft kunnen bestaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, het platgooien van zijn zaak, daadwerkelijk ten uitvoer gebracht zou kunnen worden. De rechtbank komt te meer tot dit oordeel gezien de verklaring van getuige [getuige A] bij de rechter-commissaris, waarin hij heeft aangegeven natuurlijk bang te zijn geweest. “Als mensen zeggen dat je tent de lucht in gaat en er zitten zoveel mensen binnen, dan moet je je wel zorgen maken”, aldus getuige [getuige A] . Getuige [getuige B] heeft bevestigd dat aan [getuige A] angst is aangejaagd door de bedreigingen. Volgens hem stond hij te trillen op zijn benen . Over de wijze van handelen heeft getuige [getuige C] nog verklaard dat de mannen met machtsvertoon binnen kwamen en dat zij dreigend intimiderend gedrag richting [getuige A] vertoonden . Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat voor de omstanders reeds zichtbaar was dat de mannen angst teweegbrachten bij eigenaar [getuige A]. Uit de manier waarop de bedreigingen naar [getuige A] zijn geuit en met name het fysieke machtsvertoon daarbij, volgt dat de wil van deze mannen ook op het teweegbrengen van angst gericht moet zijn geweest .

De mannen in restaurant Mykonos

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is wie de mannen waren die restaurant Mykonos hebben betreden. De rechtbank overweegt daartoe dat [betrokkene D] heeft verklaard dat [chauffeur], de chauffeur van de BMW en nog een brede gast naar binnen zijn gegaan . Met de persoon die hij [chauffeur] noemt, doelt hij op verdachte [verdachte F] en de chauffeur van de BMW betreft verdachte [verdachte B], aldus de verklaring van [betrokkene D] . Het eethuis waar deze personen naar binnen zijn gegaan, ligt volgens [betrokkene D] in een andere wijk dan de Amsterdamsestraatweg. Nadat de colonne met auto’s een aantal keer was gestopt op de Amsterdamsestraatweg, waren zij hierheen gereden . De rechtbank is van oordeel dat uit de waarnemingen van de observanten kan worden afgeleid dat het eethuis waarop [betrokkene D] doelt restaurant Mykonos betreft.

De betrokkenheid van verdachte [verdachte B] bij de bedreiging in restaurant Mykonos volgt voorts uit de verklaring van verdachte [verdachte c]. Volgens hem voerde de jongen met de paardenstaart, genaamd [verdachte B], het woord in het restaurant waar [mishandelde man] in elkaar is geslagen .

De mishandeling van [mishandelde man] heeft weliswaar plaatsgevonden in café Asya en niet in restaurant Mykonos, doch hiervoor is reeds gebleken dat de mannen meerdere etablissementen zijn binnen getreden. Nu [betrokkene C] heeft verklaard dat de mannen die bij de verschillende koffiehuizen op de Amsterdamsestraatweg naar binnen gingen in ieder geval dezelfde waren , acht de rechtbank het aannemelijk dat deze zelfde mannen, waartoe verdachte [verdachte B] kennelijk behoorde, ook naar binnen zijn gegaan bij restaurant Mykonos.

De betrokkenheid van verdachte [verdachte F] vindt steun in zijn eigen verklaring, zoals afgelegd bij de politie. Hierin heeft hij aangegeven, dat hij naar een restaurant is gegaan om te vragen of de daders van de mishandeling van [mishandelde man] al waren aangehouden . Verdachte [verdachte D] heeft bevestigd dat verdachte [verdachte F] in elk geval restaurant Asya is binnen gegaan . Dat het aannemelijk is dat hij ook behoorde tot de groep die daarna restaurant Mykonos heeft betreden, geldt op grond van hetgeen de rechtbank reeds ten aanzien van verdachte [verdachte B] heeft overwogen, eveneens voor hem.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat in ieder geval verdachten [verdachte F] en [verdachte B] in restaurant Mykonos waren op het moment dat daar de bedreigingen jegens eigenaar [getuige A] zijn geuit.

Medeplegen

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden in hoeverre de in dit restaurant geuite bedreigingen aan ieder van deze mannen en aan de mannen die op dat moment buiten het restaurant stonden kunnen worden toegerekend.

Medeplegen veronderstelt bewuste en nauwe samenwerking . Van bewuste samenwerking is sprake als de medeplegers met opzet samenwerken tot het verrichten van de delictueuze gedraging. Van opzet op de samenwerking kan reeds sprake zijn indien de verdachte aanwezig was bij de uitvoering van het delict en zich daarvan niet heeft gedistantieerd. Niet nodig is dat de medeplegers allen eigenhandig aan de uitvoering van de delictshandeling deelnemen . Wanneer de samenwerking maar bewust en nauw is geweest kunnen ondersteunende handelingen medeplegen opleveren.

Verdachten [verdachte B] en [verdachte F] zijn samen met nog een derde persoon in restaurant Mykonos geweest op het moment dat door één van hen, dan wel door die derde persoon, de bedreiging is geuit jegens eigenaar [getuige A]. Deze bedreiging vond plaats in de Nederlandse taal, aldus de verklaring van [getuige A] . Nu verdachte [verdachte B] steeds in de Nederlandse taal is gehoord, kan ervan worden uitgegaan dat hij de bedreigende woorden kan hebben gezegd, dan wel deze kan hebben verstaan. Verdachte [verdachte F] begrijpt de Nederlandse taal wanneer er langzaam en duidelijk wordt gesproken , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij zich ook bewust is geweest van de strekking van de geuite bewoordingen.

Volgens getuige [getuige B] kwamen de mannen met z’n drieën naar binnen. De middelste man voerde het woord. De andere twee mannen stonden erbij. Hierbij keken zij bedreigend .

De rechtbank is van oordeel dat de bedreiging, voor zover bewezen verklaard, zowel aan verdachte [verdachte F], als aan verdachte [verdachte B] kan worden toegerekend. Nu de mannen tezamen met een derde persoon met veel machtsvertoon het eethuis binnen zijn gekomen, zij tezamen voor eigenaar [getuige A] stonden op het moment dat één van hen het woord voerde, zij op dat moment alle drie een dreigende blik in hun ogen hadden en zij even later de horecazaak gedrieën weer hebben verlaten, kan het niet anders zijn dan dat bij alledrie opzet bestond op de samenwerking tot het uiten van de bedreiging jegens eigenaar [getuige A]. Het onder de hiervoor omschreven omstandigheden aanwezig zijn in het restaurant acht de rechtbank voldoende om dit opzet aan te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachten die buiten het restaurant stonden op het moment dat de bedreiging werd geuit, in een te ver verwijderd verband stonden ten opzichte van de bedreiger om als medeplegers te kunnen worden aangemerkt. Uit de wijze van hun optreden volgt weliswaar dat bij hen de bereidheid bestond tot het aangaan van een gewelddadige confrontatie, doch niet gebleken is dat hun opzet ook gericht was op de bedreiging van [getuige A]. Nu het in de andere etablissementen ook niet tot een bedreiging is gekomen, hadden de verdachten die buiten stonden er naar het oordeel van de rechtbank geen rekening mee hoeven te houden dat dit in restaurant Mykonos wel het geval zou zijn. Niet aannemelijk is derhalve dat de wil van deze verdachten, in de zin van voorwaardelijk opzet, gericht was op het teweegbrengen van een bedreiging. Daarbij komt dat [getuige A] heeft verklaard dat hij pas later heeft gehoord wat zich op dat moment buiten afspeelde . Indien de mannen die buiten stonden de bedoeling hadden gehad hem te bedreigen, had hij dat om die reden ook niet geweten. Daarmee is voor de mannen buiten het restaurant niet voldaan aan de vereisten die door de Hoge Raad aan bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht zijn gesteld en kan er ook geen sprake zijn van medeplegen .

Nu verdachte niet als medepleger van de bedreiging, zoals geuit in restaurant Mykonos, kan worden aangemerkt, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem hiervan zal vrijspreken.

Beslag:

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten het kogelwerend vest in de kleur beige, zoals vermeld op de lijst inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 29 april 2008, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie dit voorwerp in beslag is genomen.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave van het kogelwerend vest in de kleur beige, zoals vermeld op de lijst inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 29 april 2008, aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.K. van Riemsdijk, S.C. Hagedoorn en A.M.M.E. Doekes-Beijnes, bijgestaan door mr. C.W.M. Maase-Raedts als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2008.