Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5451

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
16-604086-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroorzaakt in januari 2007 een dodelijk verkeersongeval. Ze verloor de macht over het stuur van haar auto, terwijl ze veel te hard reed. De auto botst tegen een boom. Drie inzittenden raken zwaar gewond een vierde inzittende overlijdt later aan zijn verwondingen. De rechtbank acht verdachte schuldig aan overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet en legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een taakstraf van 240 uur op. Ook mag de vrouw 5 jaar lang geen motorvoertuig meer besturen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604086-07

Datum uitspraak: 25 juni 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

Raadsman: mr. J. Peters.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De vaststaande feiten

Op 7 januari 2007 heeft er een ongeval plaatsgevonden op de Kardinaal de Jongweg in Utrecht waarbij verdachte als bestuurder van een personenauto (merk Saab) een ongeluk heeft veroorzaakt . De Saab reed over de Kardinaal de Jongweg te Utrecht komende uit de richting van het S. Allendeplein en gaande in de richting van het Eykmanplein. Op het Eykmanplein vervolgde de Saab zijn weg via de K. de Jongweg in de richting van het Kardinaal Alfrinkplein. Bij het oprijden van het tweede deel van de Kardinaal de Jongweg verloor de bestuurster van de Saab de controle over het voertuig en reed tegen een tweetal in de rechter berm staande bomen en kwam tot stilstand. Als gevolg hiervan zijn drie inzittenden zwaar gewond geraakt en is één andere inzittende later aan zijn verwondingen overleden . Op de rotonde is de maximumsnelheid 50 km per uur en daarna 70 kilometer per uur. Verdachte heeft deze limiet grof overschreden. Ooggetuigen hebben verklaard dat de Saab veel te hard reed, te weten rond de 100 kilometer per uur.

Geconstateerd is dat het wegdek ter plaatse nat was. Er zijn geen gebreken aan de Saab aangetroffen die van invloed kunnen zijn geweest.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd dat de verdachte schuldig is aan overtreding van artikel 6 WVW 1994, nu verdachte roekeloos heeft gereden. Daarbij acht zij van belang dat verdachte zelfs vóór de rotonde de snelheid nog heeft verhoogd. Bovendien heeft verdachte aangegeven dat het een voor haar onbekende verkeerssituatie was en dat zij over weinig rijervaring beschikt. De officier van justitie gaat ervan uit dat verdachte zich heeft laten opjutten door haar passagiers om harder te gaan rijden.

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman is van menig dat zijn cliënte zich heeft laten opjutten. Verwijzend naar de vastgestelde sociale angststoornis stelt de verdediging dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dan wel dat verdachte geen schuld aan het ongeluk heeft gehad. Ook geeft de raadsman aan dat uit diverse verklaringen naar voren komt dat [inzittende A] voorafgaand aan het ongeluk aan het stuur heeft getrokken. Naar het oordeel van de raadsman kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat de directe oorzaak van het ongeluk is geweest. Ten slotte heeft de raadsman nog aangevoerd dat zijn cliënte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het feit dat de passagiers geen gordel droegen, terwijl de gevolgen bij het dragen van een gordel wellicht minder ernstig waren geweest.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte zich heeft laten opjutten door de jongens die bij haar in de auto zaten. Verdachte heeft ter terechtzitting echter ook verklaard dat zij als bestuurster is opgetreden, omdat zij vond dat de jongens te vlot reden. Deze bewuste keuze impliceert een bepaalde stoerheid die niet rijmt met de stelling dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het harde rijden omdat zij geen weerstand kon bieden aan de opjuttende opmerkingen om harder te rijden. Een bestuurder van een auto mag niet ont-vankelijk zijn voor dergelijke opmerkingen van anderen en deze opmerkingen ontslaan verdachte dan ook niet van haar verantwoordelijkheid als bestuurster van de auto. Overigens heeft de psychiater de rechtbank geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen hetgeen dus niet inhoudt dat verdachte strafrechtelijk geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

Voor wat betreft de stelling dat [inzittende A] aan het stuur heeft getrokken wijst de rechtbank op de verklaring van [inzittende B]. Hij verklaart dat [inzittende A] probeerde de auto weer onder controle te krijgen, maar dat het al te laat was. De auto was al in de slip geraakt. De rechtbank acht verdachte verantwoordelijk voor het feit dat zij de controle over de auto verloor. Daarmee is zij verantwoordelijk voor het ongeluk ongeacht of iemand anders aan het stuur heeft getrokken in een poging een ongeluk te voorkomen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het niet dragen van de veiligheidsgordels weliswaar de verantwoordelijkheid is van de passagiers zelf, maar dat dit onverlet laat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan roekeloos rijgedrag ten gevolge waarvan de passagiers de hierboven onder de vaststaande feiten genoemde gevolgen hebben ondervonden. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verdachte schuldig aan overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. De veel te hoge snelheid waarmee verdachte heeft gereden, gelet op de ter plaatste geldende omstandigheden, en het feit dat zij de controle over het voertuig heeft verloren, terwijl er sprake was van een nat wegdek, zij ter plaatse onbekend was en zij bovendien een beginnend bestuurder is, maken in onderling verband en in samenhang bezien dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte roekeloos heeft gereden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld, namelijk dat

zij op 7 januari 2007 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de

wegen, het Eykmanplein en de Kardinaal de Jongweg, zich zodanig heeft

gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos

met genoemd motorrijtuig

vanaf het Eykmanplein

- met een gezien de situatie aldaar te hoge snelheid en

- met zodanige snelheid dat daardoor gevaar voor andere

weggebruikers kon ontstaan,

de Kardinaal de Jongweg op te rijden

en

(vervolgens)

- op de Kardinaal de Jongweg de macht over het stuur te verliezen en

- tegen gezien verdachtes rijrichting aan de rechterzijde van de

Kardinaal de Jongweg staande bomen op of aan te rijden

waardoor [inzittende C] werd gedood,

en

[inzittende B] en [inzittende D] en/of [inzittende A] zwaar lichamelijk letsel, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, meermalen gepleegd;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij de gevolgen zeer ernstig te noemen zijn. Het leven van een aantal jonge mensen, inclusief dat van verdachte zelf, is verwoest. Eén van de zwaargewonden is waarschijnlijk blijvend aangewezen op een rolstoel en heeft blijvende cognitieve beperkingen. Ook voor de nabestaanden van de overleden jongen moet het verdriet immens zijn. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf rekening gehouden met deze ernstige gevolgen. Aan de andere kant heeft de rechtbank evenals de officier van justitie en de raadsman acht geslagen op het feit dat verdachte ook zelf blijvend letsel heeft opgelopen in de vorm van een verlamde rechter hand. Ook houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte door middel van een brief getracht heeft contact te zoeken met de nabestaanden van het overleden slachtoffer.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte terzake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden geheel voorwaardelijk (proeftijd twee jaar) met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals dat is geadviseerd door de psycholoog;

- een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.

De raadsman heeft bepleit dat indien de rechtbank enige schuld bewezen acht zijn cliënte geen straf of maatregel opgelegd krijgt. De rechtbank is een ander oordeel toegedaan. Verkeersstrafrecht wordt mede bepaald door de gevolgen. Deze zijn in dit geval afschuwelijk. Daarom kan niet worden volstaan met een naar wat de rechtbank opvat als een verzoek tot toepassing van artikel 9a Wetboek van strafrecht.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een lange(re) periode opleggen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 21 december 2007, opgemaakt door F. van der Kruk, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 1 april 2008 van drs. H.A. Gerritsen, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Het geweten van betrokkene is streng en rigide. Ze heeft eerder te veel schuld- en spijtgevoelens dan te weinig. Er is sprake van een grote basale onzekerheid en angst met hieraan gekoppeld zeer grote schaamtegevoelens. Er is sprake van lage angsttolerantie in combinatie met een groot doorzettingsvermogen. Agressieve impulsen worden sterk geremd uit angst voor verlies van (liefde) van de ander. Het vermogen tot het aangaan en onderhouden van vriendschappelijke en intieme relaties is intact. Wel roept onderzochte zorg en bescherming van anderen op waarmee haar separatie- en individuatieproces belemmerd wordt. Het gedrag van onderzochte voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten kan teruggevoerd worden op een sterke onzekerheid, passend bij haar ontwijkende persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken en forse separatie- en individuatieproblematiek. Ondanks dat betrokkene zich (vrijwel) niets van het auto-ongeluk en de uren daaraan voorafgaand kan herinneren is het aannemelijk dat er een relatie bestaat tussen het ten laste gelegde feit en de psychopathologie. Onderzochte heeft zich vermoedelijk laten opjutten door opmerkingen van een of meerdere inzittenden. Het is namelijk opmerkelijk dat betrokkene onder normale omstandigheden (voor zover bekend) een rustige weggebruikster en een geremde en zeer onzekere vrouw is. Geadviseerd wordt om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op herhaling is kleiner naarmate betrokkene beter in staat is om zichzelf in progressieve zin te ontwikkelen én de gevolgen van het autoongeluk achter zich te laten. Geadviseerd wordt een psychotherapie traject in de vorm van langer durende intensieve (groeps)psychotherapeutische deeltijdbehandeling dan wel langer durende intensieve individuele psychotherapie ondersteund door (aanpassing van de huidige) medicatie. De behandeling kan het beste opgelegd worden als bijzondere voorwaarde in combinatie met verplicht reclasseringscontact.

De conclusie van de psychiater luidt dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 maanden (zegge: twaalf maanden).

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Stichting Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem, te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook als die aanwijzingen inhouden dat ver-oordeelde een psychotherapie traject in de vorm van langer durende intensieve (groeps)psychotherapeutische deeltijdbehandeling dan wel langer durende intensieve individuele psychotherapie ondersteund door (aanpassing van de huidige) medicatie zal moeten volgen.

Met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 240 uren (zegge: tweehonderdveertig uur), te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt de verdachte wegens het bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren (zegge: vijf jaren).

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.J. Veldhuijzen, P.J.G. van Osta en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. V.H. van der Horst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2008.