Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5260

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
213230/ HA ZA 06-1317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sprintplan, aandelenlease.

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 213230 / HA ZA 06-1317

Vonnis van 25 juni 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.J.W. Remme,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 februari 2008

- de akte aan de zijde van Spaarbeleg

- de antwoordakte aan de zijde van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3 Bij het hiervoor onder 1.1. genoemde tussenvonnis van 13 februari 2008 heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om de huis-aan-huis folder van het Sprintplan in het geding te brengen, eventueel met een korte toelichting op die productie. Voorts werd Spaarbeleg in dat vonnis in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit blijkt welke informatie over het Sprintplan en welke algemene voorwaarden [eiser] voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst op het internet had kunnen vinden en op welke wijze deze informatie over het Sprintplan en de algemene voorwaarden op het internet toegankelijk werden gemaakt.

Vervolgens is [eiser] in de gelegenheid gesteld om daarop bij akte te reageren.

De rechtbank heeft er daarbij nadrukkelijk op heeft gewezen dat partijen zich in hun akte tot het bovenstaande dienen te beperken en dat hen geen gelegenheid wordt geboden om nieuwe of aanvullende stellingen in te nemen. Partijen hebben zich echter niet geheel aan deze instructie gehouden. De rechtbank slaat slechts acht op de door Spaarbeleg overgelegde producties, op hetgeen partijen hierover hebben opgemerkt en op hetgeen is opgemerkt over de wijze waarop de onderhavige SprintPlan-overeenkomsten zijn afgesloten. De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd in de door hen genomen akten.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2 Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal. De rechtbank acht de formulering van de voor de beoordeling relevante passages in dit informatiemateriaal inmiddels bekend en zal in dit vonnis niet opnieuw tot het citeren hiervan overgaan.

2.3 De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1 [eiser] heeft van Spaarbeleg een huis-aan-huisfolder ontvangen met betrekking tot het SprintPlan. Na het insturen van het Inschrijfformulier van Spaarbeleg heeft hij een Welkomstpakket ontvangen met daarin een Certificaat, de Algemene Voorwaarden en de Bepalingen van het Spaarbeleg Garantiefonds.

3.2 Het door [eiser] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 december 2000 tot en met 30 november 2005. [eiser] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van € 226,89 (f. 500,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van € 13.613,41. [eiser] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

4 Het geschil

4.1 [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair

- voor recht verklaart primair dat de overeenkomst nietig is dan wel subsidiair dat overeenkomst terecht is vernietigd,

subsidiair

- voor recht verklaart dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden,

meer subsidiair

- voor recht verklaart dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] dan wel wanprestatie heeft geleverd en derhalve schadeplichtig is,

en in alle gevallen

- Spaarbeleg veroordeelt tot (terug-)betaling van het totaal van de aan Spaarbeleg betaalde bedragen ad in totaal € 13.613,41, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van de betreffende deelbetaling,

- Spaarbeleg veroordeelt in de proceskosten.

4.2 Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Huis-aan-huisfolder en samenvatting Algemene Voorwaarden

5.1 In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 13 februari 2008 reeds verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB 7971) en naar de overweging van het Gerechtshof dat het door Spaarbeleg aan de deelnemers toegezonden 'welkomstpakket' met informatie betreffende het SprintPlan pas door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand was gekomen. Het Gerechtshof heeft daarom slechts in zijn oordeel betrokken een vóór het sluiten van de overeenkomst aan de deelnemers door Spaarbeleg verstrekte brochure betreffende het SprintPlan en de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden.

5.2 Tussen partijen staat vast, (rechtsoverweging nr. 2.3 van het tussenvonnis van 13 februari 2008), dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst een huis-aan-huisfolder van Spaarbeleg heeft ontvangen. Spaarbeleg stelt dat die folder dezelfde inhoud heeft als de door haar als productie 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde brochure over het SprintPlan. Spaarbeleg heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de rechtbank, een voorbeeld van de folder bij akte in het geding gebracht. Uit het gebruik van de woorden “een voorbeeld” leidt [eiser] af dat er kennelijk sprake is van andere folders, die niet zijn overgelegd. Op grond daarvan komt [eiser] tot de conclusie dat Spaarbeleg niet het bewijs heeft geleverd dat de folder, die zij heeft overgelegd, ook de folder is die door [eiser] daadwerkelijk heeft ontvangen. [eiser] stelt niet meer te beschikken over de folder die hij destijds heeft ontvangen.

5.3 De rechtbank stelt vast dat de inhoud van deze folder inhoudelijk niet of nauwelijks verschilt van de bij conclusie van antwoord overgelegde brochure over het SprintPlan. De verschillen die er zijn, - zoals andere telefoonnummers - zijn niet van belang voor de beoordeling van het geschil. Anders dan [eiser] leidt de rechtbank uit de door Spaarbeleg in de akte gebruikte bewoordingen geenszins af, dat Spaarbeleg destijds ook andere huis-aan-huisfolders zou hebben gebruikt, laat staan dat die andere folders een geheel andere inhoud zouden hebben gehad dan het thans overgelegde exemplaar. [eiser] onderbouwt zijn stelling dat Spaarbeleg destijds folders met verschillende inhoud gebruikte, ook niet verder. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat het de door Spaarbeleg bij akte overgelegde productie een kopie is van een exemplaar van de destijds gebruikte huis-aan-huis folder en dat [eiser] een dergelijke folder heeft ontvangen.

5.4 Wat betreft de samenvatting van de algemene voorwaarden is Spaarbeleg bij meergenoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit blijkt op welke wijze de algemene voorwaarden op het internet toegankelijk werden gemaakt.

5.5 Spaarbeleg stelt dat [eiser] niet het bij de folder gevoegde inschrijfformulier heeft gebruikt, maar zijn inschrijfformulier heeft gedownload van het internet. Dit internetformulier bevat een link naar de een op de website van spaarbeleg gepubliceerd samenvatting van de algemene voorwaarden. Spaarbeleg legt deze de samenvatting over als productie 9 bij de akte.

5.6 [eiser] erkent het internetinschrijfformulier te hebben gebruikt, maar betwist bij gebrek aan wetenschap (en herinnering) dat de samenvatting op internet heeft gestaan en dat hij daartoe gemakkelijk toegang had.

5.7 Het internetinschrijfformulier dat door [eiser] is gebruikt, vermeldt met zoveel woorden de link naar de samenvatting van de algemene voorwaarden. [eiser]s verweer dat deze samenvatting desondanks niet op het internet was gepubliceerd, is niet verder onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. [eiser] heeft op de terechtzitting van 6 maart 2007 verklaard dat hij het formulier van internet heeft gehaald en dat hij destijds een internetaansluiting had, zodat geoordeeld moet worden dat [eiser] destijds op eenvoudige wijze toegang had tot de samenvatting.

5.8 Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van hiervoor onder rechtsoverweging nr. 5.1 weergegeven oordeel van het Gerechtshof. Bij de beoordeling van wat [eiser] op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan, zal de rechtbank uitgaan van de inhoud van de huis-aan-huisfolder/brochure en de samenvatting van de algemene voorwaarden, die Spaarbeleg bij akte na tussenvonnis heeft overgelegd.

Nietigheid wegens strijd met Wet op het consumentenkrediet (Wck)

5.9 De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007 (LJN BB9779) overeenkomstig geoordeeld. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiser], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig of vernietigbaar is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.10 [eiser] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat hij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan. Ter comparitie heeft [eiser] nog aangevoerd dat hij gefixeerd was op de "Garantiewaarde" en er vanuit ging dat hij na vijf jaar gegarandeerd een uitkering gedaan zou worden ter hoogte van het ingelegde bedrag , in zijn geval van NGL 30.000,-.

5.11 De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, recent nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. De rechtbank nam de tekst van de Algemene Voorwaarden hierbij als uitgangspunt. Echter, in navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze Algemene Voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst. Uitgegaan dient te worden van de informatie die [eiser] heeft ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming ervan, te weten de huis-aan-huisfolder en de samenvatting van de Algemene Voorwaarden als gepubliceerd op internet en waarvan hij op eenvoudige wijze kennis heeft kunnen nemen door middel van het aanklikken van de link op het internetformulier. In de samenvatting van de Algemene Voorwaarden staat met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem of haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn. Tot slot is vermeld dat als het eindsaldo bij de eindafrekening negatief is, de deelnemer verplicht is tot bijbetaling van het negatieve saldo.

In de huis-aan-huisfolder is vermeld dat Spaarbeleg direct een groot bedrag voorschiet en dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts wordt aangegeven dat het bedrag in het Aegon Garantiefonds wordt belegd en dat de deelnemer alleen risico loopt over de rentebetalingen. De looptijd is vijf jaar en nadien wordt de waarde van de belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag. Tot slot is vermeld dat bij tussentijdse beëindiging de garantie op het voorgeschoten bedrag komt te vervallen.

5.12 De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen althans onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken. [eiser] heeft immers de huis-aan-huisfolder ontvangen en het internetformulier gebruikt waardoor hij deze informatie over het SprintPlan heeft ontvangen. Van [eiser] mag worden verwacht dat hij dit informatie-materiaal heeft gelezen. Als hij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, omdat hij dacht dat hij ging sparen, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden

5.13 Om aan te kunnen nemen dat sprake is van misbruik van omstandigheden is onder andere vereist dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat [eiser] door de door haar gestelde onervarenheid tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen. Van een dergelijke kenbaarheid is de rechtbank evenwel niet gebleken. De overeenkomst is tot stand gekomen kennelijk zonder dat er enig inhoudelijk contact tussen partijen heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft volstaan met het inzenden van een van internet gedownload inschrijfformulier en Spaarbeleg met het toezenden van het welkomstpakket. Nu niet gesteld kan worden dat alleen onervaren consumenten zullen worden bewogen tot het afsluiten van een SprintPlan op de wijze zoals in dit geval is geschied, kan niet worden geconcludeerd dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat haar onervarenheid [eiser] bewoog tot het inzenden van het inschrijfformulier en dat dit Spaarbeleg van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt derhalve.

5.14 De slotsom van hetgeen hiervoor is overwogen is dat de primaire vordering onder zal worden afgewezen voor zover daarbij gevorderd is om voor recht te verklaren dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigd is.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.15 Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Ook de subsidiaire en de meer subsidiaire vordering, deze laatste voor zover gegrond op wanprestatie, worden daarom afgewezen.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.16 [eiser] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico's (meer in het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] en naar zijn beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiser] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiser].

5.17 De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.18 Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden (de huis-aan-huisfolder/brochure en de samenvatting van de Algemene Voorwaarden) te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico's geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.19 De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen als aanvulling op zijn salaris na zijn 57e jaar, zodat hij dan minder kon gaan werken. Hij heeft tevens verklaard dat hij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als hem duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico's verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

schade

5.20 De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geleende geld zelf, of aan een ander doel te besteden. De lening staat dus niet op zichzelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook niet het onderdeel daarvan, dat uit de rentedragende lening bestaat, zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

eigen schuld

5.21 In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren.

5.22 De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten, wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico's van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.23 Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit, dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico's (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.24 Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico's die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen. Het gaat bij deze beoordeling om factoren ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst, dus factoren die nadien, tijdens de looptijd, zijn opgekomen kunnen niet worden meegewogen.

5.25 Ten aanzien van [eiser] zijn de volgende omstandigheden gesteld dan wel gebleken. [eiser] is geboren op 20 maart 1949 en was dus ten tijde van het sluiten van de overeenkomst 51 jaar oud. Hij heeft een MULO A en B opleiding genoten en was productontwikkelaar in de kledingindustrie, waarvoor hij aanvullende opleidingen had gevolgd. Hij genoot destijds een netto inkomen van € 2.482,- per maand en was in het bezit van een eigen huis. De inleg voor het SprintPlan werd betaald uit een reeds aanwezig spaartegoed, dat groter was dan het totaal van de benodigde inleggelden. Bij de totstandkoming is geen tussenpersoon betrokken geweest.

5.26 De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor onder ro. 5.15 weergeven uitgangspunt voor de schadeverdeling, De gevorderde hoofdsom zal derhalve voor een bedrag ad € 8.168,05 worden toegewezen.

5.27 De door [eiser] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds 60 % van de maandelijks door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

5.28 Gelijk gevorderd zal de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, nu aannemelijk is dat [eiser] recht en belang heeft bij een spoedige betaling van het schadebedrag. Het daartegen door Spaarbeleg ingebracht bezwaar, inhoudende de mogelijkheid van een bij [eiser] aanwezig restitutierisico, legt onvoldoende gewicht in de schaal om anders te beslissen.

5.29 Spaarbeleg zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 84,87

- overige explootkosten € 0,00

- vast recht € 300,00

- getuigenkosten € 0,00

- deskundigenkosten € 0,00

- overige kosten € 0,00

- salarisprocureur € 1.130,00 (2,5 punten x tarief II {€ 452,00})

Totaal € 1.514,87

5.30 De rechter die het tussenvonnis van 13 februari 2008 heeft gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1 verklaart voor recht dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld,

6.2 veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.168,05 (achtduizendeenhonderdachtenzestig euro en vijf cent) vermeerderd met de wettelijke rente over 60% van de maandelijkse door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot aan de dag van volledige betaling,

6.3 veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.514,87 (eenduizendvijfhonderdveertien euro en zevenentachtig cent),

6.4 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.?

w.g. griffier w.g. rechter