Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD4908

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
SBR 08-1376
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag vanwege meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim. Verzoek tot schorsing besluit toegewezen. Wel sprake van plichtsverzuim, maar kan niet geduid worden als meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim Onvoldoende om het bestreden besluit te dragen. Ook de overgie verweten gedragingen zijn onvoldoende om het besluit te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/1376

1a

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2008

inzake

[verzoeker]

wonende te Leusden,

verzoeker,

tegen

[verweerder],

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 29 april 2008, waarbij verweerder verzoeker

met ingang van 3 mei 2008 onvoorwaardelijk strafontslag heeft verleend vanwege het door verzoeker gepleegd meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim.

1.2 Het verzoek is op 16 mei 2008, gelijktijdig met de verzoekprocedure SBR 08/1098, ter

zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D. Simons, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.P.F. van Duren, advocaat te 's-Hertogenbosch, en D. van der Sleen (hierna: Van der Sleen), directeur sector Samenleving van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Aan het eind van de zitting is de behandeling geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven nader overleg te voeren. Nadat partijen hebben aangegeven dat dit overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, is met toestemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Verzoeker is op 1 februari 2003 in dienst getreden van de voormalige gemeente Doorn in de functie van senior medewerker bouw- en woningtoezicht op de afdeling Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting van de sector Grondgebied. Per 1 januari 2006 is eiser in het kader van de gemeentelijke herindeling overgegaan naar de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de functie van adviseur Accommodaties op de afdeling Accommodaties binnen de sector Samenleving. In die functie was verzoeker belast met de coördinatie van bouwprojecten en het beheer van financiële budgetten in verband met die bouwprojecten en het beheer en onderhoud van gemeentelijke gebouwen.

2.4 Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 29 april 2008 ontslagen wegens meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de kwestie van de rekening van het restaurant Brocante, de kwestie rond het beoordelingsformulier en de budgetoverschrijdingen.

2.5 Het zwaartepunt van het aan verzoeker verweten plichtsverzuim ligt, naar in het besluit van 29 april 2008 is aangegeven, bij de kwestie van de rekening van het restaurant Brocante, alwaar verzoeker met zijn gezin en twee onderaannemers op 13 september 2007 na de opening van de nieuwe aula in Doorn, heeft gegeten. Voor de bewering van verzoeker dat het initiatief daartoe niet van hem, ma[aannemer] aannemer [aannemer]] is uitgegaan, heeft verzoeker volgens verweerder geen enkele feitelijke grondslag aangedragen. Bovendien is de bewering van verzoeker in strijd met de uitdrukkelijke verklaring van [aannemer]. Afgezien van wie het initiatief heeft genomen tot het etentje, hecht verweerder nog meer gewicht aan het feit dat verzoeker met zijn familie uit eten is geweest en heimelijk heeft getracht de rekening daarvan ten laste van de gemeente te laten komen. Voorts heeft dit etentje plaatsgehad zonder de daarvoor vereiste toestemming van de leidinggevende en heeft verzoeker de rekening op zodanige wijze naar de financiële administratie doorgeleid, dat de betaling daarvan na accordering door verzoeker ten laste van de gemeente kon plaatsvinden, zonder dat de leidinggevende daarover is geïnformeerd. Voorts verwijt verweerder verzoeker dat hij over deze kwestie herhaaldelijk onjuiste en onvolledige verklaringen heeft afgelegd, met het kennelijke oogmerk om daarmee zijn handelen uit het zicht te houden. Bovendien heeft verzoeker getr[leidinggevende]leidinggevende [leid[leidinggevende]] over de feitelijke gang van zaken te misleiden door tegenover haar in strijd met de waarheid te verklaren dat hij met de aannemer had gegeten, terwijl dit twee onderaannemers en het gezin van verzoeker waren. Daarnaast heeft verzoeker in strijd met de waarheid verklaard dat [leidinggevende] ermee zou hebben ingestemd dat de declaratie van de rekening ten laste van gemeente mocht worden gebracht.

Bovendien rekent verweerder verzoeker aan dat hij heeft getracht [leidinggevende] te misleiden over de status van een beoordelingsformulier, door haar voor te spiegelen dat de door verzoeker zelf opgestelde E-beoordeling een door de voor[X]leidinggev[X]] geaccordeerde beoordeling betrof.

Tenslotte verwijt verweerder verzoeker dat hij budgetoverschrijdingen niet volgens de geëigende kanalen aan daartoe aangewezen functionarissen heeft gemeld en zijn opstelling inzake de kritiek op zijn budgetbeheer tot een ernstige escalatie heeft geleid. Deze functioneringsproblematiek draagt bij tot de overtuiging van verweerder dat verzoeker niet in dienst van de gemeente is te handhaven en de zwaarste disciplinaire straf niet disproportioneel is te achten.

2.5 Verzoeker heeft gesteld dat het initiatief voor het etentje van 13 september 2007 is uitgegaan van [aannemer], dat [aannemer] vervolgens heeft aangegeven niet mee te kunnen, waarna verzoeker het etentje toch heeft laten doorgaan en aan het restaurant heeft verzocht de rekening naar de gemeente te sturen. Deze uitleg heeft verzoeker, naar hij heeft gesteld, ook gegeven toen [leidinggevende] hem op 23 oktober 2007 met de declaratie confronteerde. Verzoeker heeft gesteld dat hij de betaling van de bon niet buiten zijn leidinggevende om heeft geregeld en dat hij de medewerker van de afdeling Financiën, [Y] geen opdrachten heeft gegeven over de boeking en betaling van de rekening, nog daargelaten dat deze medewerker tot dergelijke handelingen niet bevoegd was.

Met betrekking tot het beoordelingsformulier heeft verzoeker ontkend dat hij heeft getracht zijn leidinggevende te misleiden.

Ten aanzien van de budgetoverschrijdingen heeft verzoeker gesteld dat, voor zover verweerder dit verwijt aannemelijk kan maken, gekozen had moeten worden voor een andere ontslaggrond neergelegd in artikel 8:6 van het CAR/UWO.

2.6 Ten aanzien van het etentje op 13 september 2007 overweegt de voorzieningenrechter dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoeker zonder toestemming vooraf, dan wel melding daarvan aan zijn leidinggevende kort daarna, met zijn gezin en twee onderaannemers in een restaurant heeft gegeten, terwijl hij kennelijk heeft beoogd de rekening daarvan ten laste van de gemeente te laten komen. Mede gelet op de gedragscode voor ambtenaren van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, dient dit feit naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden bestempeld als plichtsverzuim, dat verzoeker kan worden toegerekend. Dit enkele feit kan echter niet worden geduid als meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim en is op zichzelf onvoldoende om het bestreden besluit te dragen. Met betrekking tot de vraag of de andere aan verzoeker verweten gedragingen het bestreden besluit kunnen dragen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.7 Wat betreft het verwijt aan verzoeker dat hij herhaaldelijk onjuiste verklaringen over de gang van zaken rond het etentje heeft afgelegd en dat verzoeker heimelijk heeft getracht de rekening daarvan ten laste van de gemeente te laten komen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Vast staat dat de verklaringen van bij de verschillende feiten betrokken personen op verschillende punten van elkaar afwijken. Tegenover de verklaring van verzoeker dat het etentje op initiatief van [aannemer] heeft plaatsgehad, staat de verklaring van [aannemer] dat hij die uitnodiging niet heeft gedaan. Tegenover de verklaring van verzoeker dat hij op 23 oktober 2007 [leidinggevende] heeft uitgelegd hoe de uitnodiging voor het etentje in zijn visie tot stand is gekomen, staat de verklaring van [leidinggevende] dat verzoeker (enkel) heeft aangegeven dat hij met de aannemer van de aula heeft gegeten ter afsluiting van het project.

Gegeven het feit dat het hier gaat om verklaringen van één persoon tegen over die van één ander en in aanmerking genomen het geheel van omstandigheden waaronder de door verzoeker gestelde feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet worden gesproken van deugdelijk vastgestelde gegevens die rechtens tot de overtuiging kunnen leiden dat verzoeker zich aan het hem verweten meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

Daartoe wordt overwogen dat aan de lezing van de feiten van verweerder weliswaar op één punt een verklaring van de leidinggevende en op een ander punt een verklaring van [aannemer] ten grondslag ligt, maar daar staat tegenover dat de lezing van verzoeker naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet als zonder meer ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven.

Voorts zijn er een aantal punten die, zo zij al niet de lezing van verzoeker ondersteunen, vragen oproepen ten aanzien van het door verweerder geschetste feitenverloop. Dit betreft het feit dat [aannemer] het aanbod heeft gedaan de rekening te betalen en het feit dat de rekening van het restaurant blijkens de stukken op 1 oktober 2007 bij de gemeente is binnengekomen, zodat verzoeker, indien het zijn intentie was de rekening heimelijk ten laste van de gemeente te laten komen, voor zijn ziekmelding de gelegenheid heeft gehad om als budgethouder de rekening zelf af te boeken, wat niet is gebeurd. Voorts is onweersproken gebleven dat de medewerker Arab niet bevoegd was de rekening af te boeken, zodat niet duidelijk is welk (afzonderlijk) verwijt verweerder verzoeker dienaangaande maakt.

Daarbij komt dat de door verweerder gestelde verklaring van verzoeker over (de uitnodiging voor) het etentje is gedaan in een gesprek met zijn leidinggevende op 23 oktober 2007. Verzoeker werd toen voor het eerst door zijn leidinggevende met de rekening geconfronteerd, terwijl dit het eerste gesprek was na ziekmelding van verzoeker op 16 oktober 2007 naar aanleiding van een verschil van mening over geconstateerde budgetoverschrijdingen. Gezien het onderwerp en de lading van dit gesprek, is het niet onbegrijpelijk dat verzoeker niet direct het belang van een precieze formulering van zijn woorden over de rekening van het restaurant heeft onderkend en evenmin kan worden uitgesloten dat de daarbij aanwezigen de in het gesprek gebezigde bewoordingen nadien niet geheel juist weergeven.

Voorts is de door verzoeker gestelde uitnodiging door [aannemer] gedaan aan het einde van een drukke, feestelijke, bijeenkomst, terwijl [aannemer] eerst circa twee maanden later is geconfronteerd met de lezing van verzoeker. Daarbij komt dat de twee onderaannemers, die bij de gelegenheid aanwezig waren en hebben meegegeten, door verweerder niet zijn gehoord.

Gelet op het vorenstaande zijn er naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wat betreft de kwestie van de rekening van het restaurant onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat sprake is van meervoudig zeer ernstig plichtsverzuim.

Met het vorenstaande is overigens niet gezegd dat de leidinggevende van verzoeker en [aannemer] in strijd met de waarheid hebben verklaard, maar enkel dat onder de gegeven omstandigheden aan die verklaringen geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

2.8 Ten aanzien van de beoordeling is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor de conclusie dat verzoeker op dit punt ernstig plichtsverzuim kan worden verweten. Naar door verweerder niet wordt betwist, is verzoeker eind 2006 in de functionele schaal 11 geplaatst en is hem vervolgens door zijn toenmalige leidinggevende [X] verzocht een voorstel voor zijn beoordeling uit te werken. Dat verzoeker vervolgens een E-beoordeling - gelijk aan die van een collega - heeft opgesteld, kan hem niet worden verweten.

Vervolgens is deze beoordeling kennelijk door [X] niet ondertekend en heeft [X] niet tijdig zorg gedragen voor een andere, zijn inziens juiste, beoordeling. Evenmin heeft hij in de overdracht van zijn taken aan [leidinggevende] over deze kwestie gerapporteerd. [leidinggevende] heeft vervolgens de niet ondertekende versie van de beoordeling blind getekend en is daarna door de afdeling Personeelszaken gewezen op de uitzonderlijk hoge score.

Bij deze stand van zaken voert het naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver verzoeker zwaarwegende verwijten te maken over de wijze waarop hij [leidinggevende] over de niet getekende beoordeling heeft geïnformeerd, namelijk dat hij had moeten melden dat hij en [X] daarover een meningsgeschil hadden.

Ook op dit punt kan naar voorlopig oordeel het bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde feiten.

2.9 Wat betreft het handelen van verzoeker inzake de budgetoverschrijdingen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit niet een verwijt van plichtsverzuim is, maar een verwijt van disfunctioneren. Nu dit onderdeel niet ten grondslag is gelegd aan het plichtsverzuim, laat de voorzieningenrechter dit aspect verder onbesproken.

2.10 De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om het besluit van verweerder van 29 april 2008 te schorsen tot 2 weken nadat verweerder heeft beslist op verzoekers bezwaar tegen dat besluit.

2.11 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het besluit van verweerder van 29 april 2008 tot twee weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

3.3 bepaalt dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- aan hem vergoedt;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

(de griffier is verhinderd

deze uitspraak te tekenen)

mr. M.S.D. de Weerd mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Zaaknummer: SBR 08/1376 blad 5

uitspraak