Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD4906

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
SBR 08/910 en SBR 08/1098
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep tegen schorsingsbesluit ongegrond. Verweerder heeft aanleiding kunnen zien om nader onderzoek te doen naar de gang van zaken en eiser hangende het onderzoek te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/1098 VV en SBR 08/910

1a

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2008 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[eiser]

wonende te Leusden,

eiser,

tegen

[verweerder],

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 27 februari 2008, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 november 2007 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang geschorst.

1.2 Het verzoek is op 16 mei 2008, gevoegd met de verzoeksprocedure SBR 08/1376, ter zitting behandeld, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D. Simons, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, advocaat te 's-Hertogenbosch, en D. van der Sleen (hierna: Van der Sleen), directeur sector Samenleving van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 08/910):

2.3 Eiser is op 1 februari 2003 in dienst getreden van de voormalige gemeente Doorn in de functie van senior medewerker bouw- en woningtoezicht op de afdeling Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting van de sector Grondgebied. Per 1 januari 2006 is eiser in het kader van de gemeentelijke herindeling overgegaan naar de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de functie van adviseur Accomodaties op de afdeling Accomodaties binnen de sector Samenleving. In die functie was eiser belast met de coördinatie van bouwprojecten en het beheer van financiële budgetten in verband met die bouwprojecten en het beheer en onderhoud van gemeentelijke gebouwen.

2.4 Bij het besluit van 15 november 2007, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder eiser met toepassing van het bepaalde in artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO in het belang van de dienst geschorst voor de duur van het onderzoek en het daaropvolgende besluitvormingsproces met behoud van aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging. Daarbij is overwogen dat er op 15 november 2007 sprake was een zwaarwegend vermoeden van ernstige schending van de ambtelijke integriteit van verzoeker en dat daartoe nader onderzoek noodzakelijk was. De directe aanleiding van dit vermoeden was de kwestie van de rekening van het restaurant Brocante, alwaar verzoeker en zijn gezin en twee onderaannemers op 13 september 2007 hadden gegeten. De verklaring van verzoeker daarover week af van de verklaring van de aannemer [aannemer] Mede gelet hierop is besloten een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken rondom de declaratie van de kosten van het betreffende diner in het bijzonder en eisers declaratiegedrag in het algemeen. In het belang van het onderzoek en gezien de financiële verantwoordelijkheden van eiser, diende dit buiten zijn aanwezigheid te kunnen plaatsvinden.

Met betrekking tot de vraag of eiser in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn zienswijze tegen de schorsing in te brengen, heeft verweerder gesteld dat op adequate wijze toepassing is gegeven aan artikel 4:11, gelezen in samenhang met artikel 4:8 van de Awb.

2.5 Eiser heeft in beroep onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie personele aangelegenheden van de gemeente Utrechtse Heuvelrug betoogd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over het besluit tot schorsing.

Voorts heeft eiser gesteld dat in het bestreden besluit weliswaar wordt gesteld dat de reden dat eiser op 15 november 2007 moest verschijnen verband hield met ongeoorloofd werkverzuim, maar dat in dat gesprek dit werkverzuim niet aan de orde is geweest en dat eiser op 9 november 2007 nog een uitnodiging heeft gehad van de bedrijfsarts. Eiser acht de schorsing onevenredig, mede gezien het resultaat van het afgeronde onderzoek. Daarnaast heeft eiser in beroep zijn visie over de uitnodiging voor het etentje van 13 september 2007 uiteen gezet.

2.6 Ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO kan de ambtenaar onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 door burgemeester en wethouders worden geschorst in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Ingevolge artikel 8:15:1, tweede lid, van het CAR/UWO bevat het schorsingsbesluit in ieder geval:

a. een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

b. een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

c. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Ingevolge artikel 4:11 van de Awb kan het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 achterwege laten voor zover:

a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;

b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of

c. het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.

2.7 Gelet op de omstandigheid dat toen eiser bij brief van 12 november 2007 is gelast om te komen werken, zijn schorsing een van de opties was die door zijn leidinggevende werd overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er wel degelijk de tijd was om verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze over een schorsing naar voren te brengen. Dat eerst hetgeen eiser in het gesprek van 15 november 2007 over (de rekening van) het diner heeft verklaard de onmiddellijke schorsing in de ogen van verweerder noodzakelijk maakte, betekent niet dat voorafgaand aan dit moment eiser niet van - de mogelijkheid van - het voorgenomen schorsingsbesluit op de hoogte kon worden gebracht. Met de adviescommissie is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in dit geval ten onrechte beroept op artikel 4:11 van de Awb. Nu eiser echter in het kader van de bezwaarprocedure zijn zienswijze schriftelijk en mondeling naar voren heeft gebracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad en dat de beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten.

2.8 Ten aanzien van de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot schorsing heeft kunnen besluiten, overweegt de voorzieningenrechter dat schorsing niet een op zichzelf staande bestraffing inhoudt doch een ordemaatregel betreft waarbij centraal dient te staan de vraag of het belang van de dienst zich (hangende nader onderzoek naar eisers gedragingen) tegen voortzetting van de uitoefening van zijn functie verzette. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot een bevestigende beantwoording van die vraag heeft kunnen komen. Gezien de verschillende lezingen over (de uitnodiging van) het etentje op 13 september 2007 heeft verweerder aanleiding kunnen zien om nader onderzoek te doen naar de gang van zaken rond dit etentje en eisers declaratiegedrag en eiser hangende dit onderzoek te schorsen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede in aanmerking genomen aard van de functie van eiser en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Bovendien acht de voorzieningenrechter niet zonder belang dat eiser de mogelijkheid van vrijwillige non-activiteit in de vorm van buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging heeft afgewezen, waarmee de door eiser als diffamerend ervaren maatregel als schorsing had kunnen worden voorkomen.

2.9 Het beroep is, gelet op het voorgaande, ongegrond. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 08/1098):

2.10 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

(de griffier is verhinderd

deze uitspraak te tekenen)

mr. M.S.D. de Weerd mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.