Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD4457

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
250284/ KG ZA 08-588
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

tijdelijke schorsing van machtiging uithuisplaatsing, onder voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 250284 / KG ZA 08-588

Vonnis in kort geding van 12 juni 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.C. Smit,

tegen

de stichting BUREAU JEUGDZORG UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde.

Partijen zullen hierna de vader en Bureau Jeugdzorg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. In deze zaak gaat het om het volgende. De vader heeft samen met mevrouw [moeder] (hierna te noemen: de moeder) een dochter, genaamd [minderjarige]. [minderjarige] is geboren op [geboortedatum]. Zij is op 7 mei 2008 voorlopig onder toezicht gesteld en met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst; de machtiging is verlengd bij beschikking van 16 mei 2008. [minderjarige] verblijft in een crisispleeggezin. De Raad voor de Kinderbescherming is bezig met een onderzoek naar de opvoedingssituatie van [minderjarige] en de twee oudere kinderen van de moeder. De achtergrond van de problemen ligt in de relatie tussen de ouders, die al lang problematisch is en gepaard gaat met heftige ruzies en grote communicatieproblemen. De directe aanleiding om [minderjarige] uit huis te plaatsen was een incident tussen de vader en de politie, toen zij bij hem verbleef; de politie zag gevaar voor de veiligheid van [minderjarige] (toen zes weken oud).

2.2. De aanleiding voor het kort geding is dat het pleeggezin waar [minderjarige] verblijft op 13 juni 2008 een week met vakantie gaat en haar niet kan meenemen. Bureau Jeugdzorg wil haar in die week in een ander pleeggezin laten logeren. De vader heeft daartegen bezwaar; Zijn vordering, zoals op de zitting nader gespecificeerd, houdt in dat de machtiging tot uithuisplaatsing beëindigd wordt, of althans dat [minderjarige] in die week bij de moeder mag verblijven. De moeder is mede verschenen; zij staat hier helemaal achter.

2.3. Bureau Jeugdzorg erkent dat de vader belanghebbende is. Dat de zaak spoedeisend is, is ook duidelijk; daaraan staat niet in de weg dat de vader mogelijk ook een andere procedure had kunnen kiezen. Bureau Jeugdzorg erkent tenslotte dat een tijdelijke overplaatsing in [minderjarige] belang niet optimaal is.

2.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat [minderjarige] tot de uithuisplaatsing woonde bij de moeder, die alleen het gezag over haar heeft. Van bezwaren met betrekking tot de feitelijke verzorging door de moeder op zich is niet gebleken. De problemen hebben betrekking op de verhouding tussen de ouders en de hoog oplopende spanningen tussen hen. De voorzieningenrechter heeft geen bezwaren gehoord tegen verblijf bij de moeder wanneer er geen enkel contact zou zijn tussen de ouders. De vader heeft toegezegd dat hij zolang als dat nodig is bij de moeder en [minderjarige] uit de buurt wil blijven, desnoods jaren lang, als [minderjarige] maar bij haar moeder mag opgroeien.

2.5. Bureau Jeugdzorg heeft geen vertrouwen in deze toezegging. Op de zitting is gebleken dat de ouders herhaaldelijk met de gezinsvoogd hebben afgesproken om geen contact met elkaar te hebben, en dat zij dat toch gedaan hebben. De ouders geven in hun beleving goede redenen op waarom dat contact gewoon nodig was. Bureau Jeugdzorg betwijfelt echter of de ouders een toezegging nu wel zullen nakomen, en of zij niet toch met elkaar contact zullen opnemen wanneer zij daarvoor een reden zien.

2.6. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op de zitting verklaard geen uitspraken over het onderzoek te kunnen doen zolang dat niet is afgerond.

2.7. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. In beginsel moet het in [minder[minderjarige] belang worden geacht, en in overeenstemming met het recht op bescherming van het gezinsleven dat zowel de ouders als [minderjarige] hebben, dat [minderjarige] bij haar eigen moeder opgroeit. Het is zeker voor een zo jong kind niet wenselijk om haar langer dan nodig is in een pleeggezin te laten verblijven, en zeker niet om haar nog eens tijdelijk van pleeggezin te laten wisselen; continuïteit in de verzorging is juist voor een kind van deze leeftijd zeer belangrijk. Aan de andere kant is duidelijk geworden dat de problemen tussen de ouders serieus zijn. De ouders reageren zo heftig, niet alleen op Bureau Jeugdzorg maar kennelijk ook op elkaar, dat de zorg van Bureau Jeugdzorg en van de Raad voor de Kinderbescherming begrijpelijk is.

2.8. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat Bureau Jeugdzorg onrechtmatig handelt door [minderjarige] niet nu al bij de moeder terug te plaatsen. Wanneer de vader echter zijn toezeggingen om uit de buurt te blijven nakomt, ziet de voorzieningenrechter geen overwegend bezwaar tegen tijdelijke terugplaatsing (voor de duur van de betreffende vakantieweek). Dat wil zeggen: de voorzieningenrechter ziet in dat geval geen bezwaar dat opweegt tegen het voordeel dat [minderjarige] dan tenminste niet bij een wildvreemde verblijft maar bij haar moeder, die tot de uithuisplaatsing haar centrale opvoeder was en die haar daarna wekelijks heeft gezien. De voorzieningenrechter ziet daarom reden voor toewijzing van de subsidiaire vordering, maar wel onder strikte voorwaarden. Wanneer de ouders deze voorwaarden niet naleven, zal Bureau Jeugdzorg [minderjarige] direct weer bij de moeder mogen weghalen. Bovendien is dan meteen duidelijk dat de ouders hun eigen behoeften voorrang geven boven het belang van hun kind.

2.9. De voorzieningenrechter wijst er nog op dat de schorsing van de machtiging tot uithuisplaatsing alleen geldt voor de vakantieweek en van rechtswege na die week vervalt, zonder dat een nieuwe beslissing daarover nodig is. Wanneer de ouders vooraf al besluiten zich niet aan de voorwaarden te kunnen of te willen houden, dan vervalt de schorsing meteen.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1. schorst de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderrechter Utrecht, gedateerd 16 mei 2008, gedurende een week met ingang van vrijdag 13 juni 2008, zodat [minderjarige] in die week bij de moeder mag verblijven, onder de volgende voorwaarden:

- de vader verblijft gedurende die week buiten Utrecht en komt niet in Utrecht;

- de moeder komt niet in de buurt van enige plaats waar de vader verblijft;

- de vader ziet [minderjarige] in die week dus niet;

- de ouders nemen op geen enkele manier direct of indirect contact met elkaar op, onder geen enkele voorwaarde en over geen enkel onderwerp;

- wanneer het absoluut nodig is dat tussen de ouders overleg plaatsvindt, gebeurt dat alléén via Bureau Jeugdzorg of via de advocaat van de vader mr. Smit.

.

3.2. bepaalt dat de schorsing vervalt zodra Bureau Jeugdzorg vaststelt dat één van de ouders één van deze voorwaarden overtreedt, zodat in dat geval Bureau Jeugdzorg gerechtigd is [minderjarige] op grond van de oorspronkelijke machtiging tot uithuisplaatsing, zo nodig met de sterke arm, bij de moeder op te halen en haar te plaatsen in een door Bureau Jeugdzorg te kiezen pleeggezin.

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

3.5. bepaalt dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, rechtdoend als voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2008.?