Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD4381

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
248313 KG ZA 08-450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Amateurvoetballer heeft dopingcontrole ondergaan en is daarbij positief bevonden. De tuchtcommissie van de KNVB heeft de voetballer voor 2 jaar uitgesloten

van het spelen van competitiewedstrijden. De uitspraak van de tuchtcommissie is bevestigd door de Commissie van Beroep.

De amateurvoetballer stelt onder meer dat een in zijn opdracht uitgevoerde haartest uitwijst dat hij geen doping heeft gebruikt en dat de tuchtcommissie

ten onrechte dit bewijs heeft gepasseerd. Dit verweer wordt verworpen. Er zijn verder geen andere omstandigheden gebleken die meebrengen dat het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de uitspraken van de tuchtcommissie van de KNVB en de Commissie van Beroep zal vernietigen. Vordering tot schorsing van de door de tuchtcommissie opgelegde straf wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 248313 / KG ZA 08-450

Vonnis in kort geding van 18 juni 2008

in de zaak van

[X],

wonende te Bree, België

eiser,

procureur mr. M.R. Ruygvoorn,

advocaat mr. S.F.J. Bergmans te Maastricht,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te Den Haag.

Partijen zullen hierna [X] en de KNVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 mei 2008,

- de producties 1 tot en met 15 van [X],

- de producties 1 tot en met 6 van de KNVB,

- de mondelinge behandeling van 3 juni 2008,

- de pleitnota van de KNVB.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 10 november 1999 is de World Anti Doping Agency (hierna te noemen: “WADA”) opgericht met als doel om doping in de sport tegen te gaan.

De WADA heeft een zogenaamde World Anti Doping Code (hierna te noemen: “de WADA Code”) opgesteld. Van deze code maken onder meer deel uit de International Standard for Testing en de International Standard for Laboratories.

De FIFA heeft de WADA Code en daarvan deel uitmakende International Standards geaccepteerd.

2.2. In het Dopingreglement KNVB, vastgesteld in de bondsvergadering van

11 december 1995 en laatstelijk gewijzigd in de bondsvergadering van 13 juni 2005

(hierna te noemen: “het Dopingreglement” ), is voor zover van belang,

het volgende bepaald:

Artikel 2 - Dopingverbod

1. Het is spelers verboden doping te gebruiken.

(…)

Artikel 5 - Dopingcontrole

1. a. Dopingcontroles worden uitgevoerd volgens de Internationale Standaard voor

Dopingcontroles als vastgesteld door de WADA en vinden plaats op de in titel III tot

en met V van dit reglement vermelde wijze.

(…)

Artikel 6 – Dopingcontrole-uitvoerende organisatie

1. Het bestuur amateurvoetbal respectievelijk het bestuur betaald voetbal wijst ten behoeve

van de uitvoering van dopingcontroles in het amateurvoetbal respectievelijk het betaald

voetbal een dopingcontrole-uitvoerende organisatie aan.

2. De dopingcontrole-uitvoerende organisatie wijst voor de uitvoering van de

dopingcontroles dopingcontroleofficals aan. Een dopingcontroleoffical kan zich laten

bijstaan door een of meer assistenten.

Artikel 8 – Dopingcontrolelaboratorium

1. a. Het onderzoek van het urinemonster vindt plaats in een door of namens de KNVB

aangewezen WADA geaccrediteerd dopingcontrolelaboratorium.

b. Het dopingcontrolelaboratorium voert het onderzoek van het urinemonster uit

overeenkomstig de Internationale Standaard voor Laboratoria.

(…)

Artikel 15 – De afname van de urinemonsters

1. In het dopingcontrolestation kiest de speler uit een verzameling voorverpakte

dopingcontrolematerialen een apart verpakte opvangbeker en twee flesje met

bijbehorende afsluitdoppen. Het ene flesje wordt met een “A” gemarkeerd, het andere met

een “B”.

2. Onder direct toezicht van de dopingcontroleofficial of diens assistent produceert de speler

de bij de Internationale Standaard voor Dopingcontroles bepaalde hoeveelheid urine en

vangt dit op in de daartoe bestemde beker.

(…)

6. Zodra de speler aan zijn verplichting, genoemd in lid 2 heeft voldaan, verdeelt de

dopingcontroleofficial of diens assistent, in aanwezigheid van de speler, de

geproduceerde urine over de beide door hem uitgekozen flesjes. De urine die in het met

een “A” gemarkeerde flesje wordt gegoten wordt in het vervolg aangeduid als het

A-monster, de urine die in het met een “B” gemarkeerde flesje wordt gegoten als het

B- monster.

7. In aanwezigheid van de speler sluit de dopingcontroleofficial of diens assistent de flesjes

af en verzegelt hij deze dan wel de voor de flesjes bestemde verpakking.

(…)

Artikel 20 – De bindende uitslag

1. Indien de uitslag van het onderzoek van het A-monster positief is en geen gebruik wordt

gemaakt van het recht op onderzoek van het B-monster, wordt de uitslag van het

onderzoek van het A-monster als bindend aangemerkt.

2. Indien de uitslag van het onderzoek van het A-monster wordt bevestigd door de uitslag

van het onderzoek van het B-monster, wordt de uitslag van het onderzoek van het A-

monster als bindend aangemerkt.

3. Indien de uitslag van het onderzoek van het A-montser niet wordt bevestigd door de

uitslag van het onderzoek van het B-monster, wordt de uitslag van het onderzoek van het

B-monster als bindend aangemerkt.

2.3. De Stichting Anti Doping Autoriteit Nederland (hierna te noemen: “de Dopingautoriteit”) is aangewezen als de dopingcontrolerende uitvoerende organisatie als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Dopingreglement.

2.4. Het dopinglaboratorium van de Universiteit van Gent (België) is, op grond van een daartoe met de Dopingautoriteit gesloten overeenkomst, belast met het onderzoek van

de urinemonsters. Dit laboratorium staat onder leiding van [naam professor]

(hierna te noemen: [professor]).

2.5. [X] is amateurvoetballer. In het seizoen 2006/2007 was hij lid van de voetbalvereniging EVV te Echt en speelde hij in het eerste elftal, zondag hoofdklasse B van EVV.

2.6. Op 25 maart 2007 heeft [X] met zijn team tegen JVC Cuyk 1 gespeeld. Na deze wedstrijd heeft [X] een dopingcontrole ondergaan.

Het afnemen van de urinemonsters A en B en het verzegelen daarvan heeft in het bijzijn van één dopingcontroleofficial plaatsgevonden. Vervolgens zijn de urinemonsters A en B door het dopinglaboratorium van de Universiteit van Gent onderzocht. In beide urinemonsters

is de stof amfetamine aangetroffen, welke stof voorkomt op de van het Dopingreglement deel uitmakende lijst van verboden farmacologische groepen van stoffen en verboden methoden.

2.7. Op 16 april en 24 april 2007 is [X] naar zijn huisarts, [naam huisarts], geweest alwaar bloed en urine is afgenomen. Daarnaast heeft [X] op advies van zijn huisarts een haartest laten uitvoeren door het Medisch Centrum in Tessenderlo (België). [X] heeft daartoe zelf een haar aan dit Medisch Centrum verzonden.

Op 25 april 2007 heeft dit Medisch Centrum aan de huisarts van [X] bericht dat geen sporen van amfetamine in het door haar onderzochte haar zijn aangetroffen.

2.8. Bij brief van 30 mei 2007 heeft het Bestuur Amateurvoetbal van de KNVB bij de tuchtcommissie van de KNVB (hierna te noemen: “de tuchtcommissie”) aangifte gedaan van de positieve uitslag van de urinemonsters van [X].

De tuchtcommissie heeft vervolgens [X] bij brief van 1 juni 2007 het overtreden van artikel 2 lid 1 van het Dopingreglement ten laste gelegd.

[X] heeft zich tegen deze tenlastelegging verweerd en is daarbij bijgestaan door

[naam advocaat], advocaat te Gent, België (hierna te noemen: [advocaat]).

2.9. Op 25 juli 2007 heeft een mondeling onderzoek (behandeling) plaatsgevonden in een hotel in Eindhoven. [X] is daarbij bijgestaan door [advocaat].

Op uitnodiging van de tuchtcommissie is de heer [naam deskundige] (hierna te noemen: [deskundige]) als deskundige bij dit mondeling onderzoek aanwezig geweest en door de tuchtcommissie gehoord.

2.10. De tuchtcommissie heeft een verslag van dit mondeling onderzoek opgesteld.

2.11. Na afloop van het mondelinge onderzoek van 25 juli 2007 heeft de voorzitter van de tuchtcommissie in de lobby van het hotel aan [advocaat] meegedeeld dat de tuchtcommissie mogelijk een nader onderzoek bij [professor] zal instellen.

2.12. Bij e-mailbericht van 26 juli 2007 heeft de tuchtcommissie het volgende aan [professor] geschreven:

(…)

Op verzoek van de Nederlandse Dopingautoriteit heeft u onlangs een urinemonster onderzocht (1759808 DCN) van een in Nederland spelende Belgische voetballer. Zowel de A-staal als ook de

B-staal wezen op het gebruik van Amfetamine. Op grond hiervan werd aangifte gedaan bij ons als tuchtcommissie en hebben wij de speler in staat van beschuldiging gesteld.

Direct na het vernemen van de eerste bevindingen heeft de betrokken speler via zijn huisarts een haartest laten doen waarbij geen amfetamine werd aangetroffen.

Zowel uw bevindingen als ook die van de haartest hechten wij aan dit bericht.

Mede gezien de door u vastgestelde concentratie Amfetamine in de urine is onze vraag of het verklaarbaar is dat na enkele weken er geen enkel spoor van Amfetamine meer in het haar te vinden zou kunnen zijn.

Overigens zijn wij ons er ten volle van bewust dat de behandeling van het haar (vanaf het knippen tot aan de aankomst op het laboratorium) zeer onzorgvuldig is verlopen. Desalniettemin willen wij zo mogelijk elke onzekerheid uitsluiten alvorens tot een oordeel te komen.

Uw bevindingen zien wij met grote belangstelling tegemoet.

(…).

2.13. [professor] heeft bij e-mailbericht van dezelfde dag het volgende aan de tuchtcommissie geantwoord:

In deze wil ik verwijzen naar Art 5.2.4.4.2 uit de WADA International Standard for Laboratories (ISL) dat stelt:

“Any testing results of hair, nails, oral fluids or orher biological material shall not be used to counter Adverse Analytical Findings from urine”.

(…)

2.14. Bij e-mailbericht van 27 juli 2007 heeft de tuchtcommissie het volgende aan [X] geschreven:

Zoals na afloop van het mondelinge onderzoek van woensdag jl. aan u meegedeeld hebben wij n.a.v. de haartest nadere vragen gesteld aan [professor] van de Universiteit Gent.

Zijn antwoord is helder: de WADA regelingen

(http;//www.wada-ama.org/rtecontent/document/lab_aug_04.pdt)

verbieden ons de uitkomst van de haartest in onze beoordeling te betrekken.

Wij geven u de gelegenheid hierop te reageren alsmede uw verweer desgewenst nader aan te vullen. Uw (aanvullende) verweer dient vóór maandag 6 augustus a.s. te worden verzonden aan de tuchtcommissie, t.a.v. [naam commissielid] van de KNVB Zuid 2.

(…)

[X] heeft dit e-mailbericht op 31 juli 2007 gelezen.

2.15. Op 3 augustus 2007 heeft [advocaat] namens [X] een aanvullend verweerschrift bij de tuchtcommissie ingediend.

2.16. Bij uitspraak van 15 augustus 2007 heeft de tuchtcommissie op grond van de uitkomst van het onderzoek van de urinemonsters A en B bewezen verklaard dat [X] artikel 2.1 van het Dopingreglement heeft overtreden en hem als straf een uitsluiting van deelname aan alle bindende competitie- en bekerwedstrijden van 15 april 2007 tot en met

15 april 2009 opgelegd.

De motivering van de tuchtcommissie luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

Op advies en verzoek van [naam huisarts], de huisarts van betrokkene, heeft er onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van genoemde stof (de voorzieningenrechter lees: amfetamine) in haar, dat volgens betrokkene van hem afkomstig was. Deze stof werd niet aangetroffen. Tijdens het mondelinge onderzoek heeft de heer [X] beschreven op welke wijze het haar door de kapper werd afgeknipt en vervolgens naar het instituut werd gebracht. Bij dat mondelinge onderzoek werd al vastgesteld dat dit onvoldoende zorgvuldig is gebeurd om als tegenbewijs te gelden. Verwisseling van het haar van betrokkene en het onderzochte haar is niet onmogelijk. De raadsvrouwe van betrokkene heeft ter zitting verklaard dat deze onzekerheid kan worden opgelost door het laten verrichten van DNA-onderzoek, daarbij ervan uitgaande, dat het onderzochte haarmonster nog beschikbaar zou zijn. Wat daarvan moge zijn, het is niet aan de tuchtcommissie dit nadere onderzoek te laten verrichten. Bovendien is niet gebleken dat het door betrokkene ingeschakelde instituut door de WADA als zodanig is erkend.

Naar aanleiding van deze haartest heeft de tuchtcommissie de onderzoeker van de urine,

[professor] gevraagd of het verklaarbaar is dat na enkele weken er geen spoor van Amfetamine in het haar terug te vinden zou zijn.

[professor] is aan de beantwoording van deze vraag niet toegekomen omdat hij gewezen heeft op artikel 5.2.4.4.2 van de WADA International Standard for Laboratories waarin het gebruik van een haartest als tegenbewijs wordt uitgesloten. Anders dan de raadsvrouwe van betrokkene stelt is de tuchtcommissie van mening dat het haar vrij stond Prof. [professor] genoemde nadere informatie te vragen. Er is hierdoor geen enkele sprake van inmenging van Prof. [professor] in de besluitvorming van de tuchtcommissie waardoor een objectieve beoordeling zijdens de tuchtcommissie negatief zou kunnen worden beïnvloed. Evenals het de betrokkene vrij staat de tuchtcommissie te wijzen op mogelijk relevante bepalingen staat het de (indirect via de Nederlandse Dopingautoriteit) door de KNVB ingeschakelde deskundige vrij de tuchtcommissie van nadere informatie te voorzien. Wat er met deze informatie wordt gedaan blijft alleen ter beoordeling van de tuchtcommissie.

2.17. [X] is tegen deze uitspraak van de tuchtcommissie in beroep gekomen bij de commissie van beroep.

2.18. In zijn beroepschrift heeft [X] om een mondelinge behandeling verzocht.

Bij brief van 10 september 2007 is [X] uitgenodigd dit verzoek nader schriftelijk te motiveren.

Bij brief van 21 september 2007 heeft [advocaat] namens [X] het verzoek om het houden van mondelinge behandeling nader toegelicht.

Bij brief van 28 september 2007 heeft de commissie van beroep het verzoek van [X] om een mondelinge behandeling te houden afgewezen. [X] is bij deze brief tevens in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verslag van het door de tuchtcommissie gehouden mondeling onderzoek van 25 juli 2007 te Eindhoven, welk verslag de commissie van beroep bij e-mail van 10 september 2007 aan [X] heeft verzonden. [X] heeft bij brief van 8 oktober 2007 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.19. Bij uitspraak van 14 november 2007 heeft de commissie van beroep de uitspraak van de tuchtcommissie bevestigd.

3. Het geschil

3.1. [X] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de KNVB wordt veroordeeld:

a) om de aan [X] opgelegde schorsing niet langer ten uitvoer te leggen c.q. op te

schorten, dit vanaf de dag waarop het in deze zaak te wijze vonnis aan de KNVB zal zijn

betekend tot aan de dag waarop in de door [X] aanhangig te maken

bodemprocedure een onherroepelijke einduitspraak zal zijn gewezen, althans tot aan dag

dat in de eerste aanleg van de bodemprocedure eindvonnis is gewezen,

b) in de proceskosten.

3.2. [X] baseert deze vordering op de stelling dat de bodemrechter in een nog door hem aanhangig te maken bodemprocedure de beslissingen van de tuchtcommissie en de commissie van beroep zal vernietigen omdat zij in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegegeven omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. [X] beroept zich daarbij op de volgende omstandigheden:

a) Er is geen sprake van onafhankelijke tuchtrechtspraak omdat de tuchtcommissie zowel de

rol van aanklager als die van rechtsprekende instantie heeft vervuld;

b) De tuchtcommissie en de commissie van beroep hebben in redelijkheid niet tot de

bewezenverklaring van het aan [X] ten laste gelegde kunnen komen;

c) Er is sprake van een onzorgvuldig/oneerlijk proces aangezien de tuchtcommissie een

nadere vraag aan [professor] heeft gesteld zonder [X] daarin vooraf te kennen en in de

gelegenheid te stellen zijn mening op de vraagstelling aan [professor] te geven. [X] is

hierdoor in zijn verdediging geschaad. Er had bovendien geen nadere vraag aan [professor]

als deskundige mogen worden gesteld omdat [professor] gelet op zijn betrokkenheid bij de

uitvoering van het urineonderzoek van [X] niet als onafhankelijke deskundige kan

worden aangemerkt;

d) Er is geen sprake van onafhankelijke besluitvorming door de tuchtcommissie aangezien

de tuchtcommissie zich bij haar beslissing heeft laten leiden door het antwoord dat

[professor] op haar vraag heeft gegeven;

e) Er is sprake van een onzorgvuldig proces aangezien [X] het verslag van het

mondeling onderzoek van de tuchtcommissie pas in de procedure voor de commissie

van beroep heeft ontvangen en in het kader van de procedure voor de tuchtcommissie niet

op dit verslag heeft kunnen reageren tengevolge waarvan [X] in zijn verdediging is

geschaad;

f) Er is sprake van een procedurefout bij de uitvoering van het dopingonderzoek omdat het

afnemen en het verzegelen van de urinemonsters slechts in het bijzijn van één

dopingcontroleofficial is gebeurd in plaats van de volgens de WADA code

voorgeschreven twee officials;

g) Er is sprake van een onzorgvuldig proces bij de commissie van beroep aangezien de

commissie van beroep heeft beslist zonder een mondelinge behandeling te gelasten;

h) Er is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel aangezien in de zaken [P] en

[Z] (speler van NAC) een lagere straf is opgelegd.

3.3. De KNVB voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Aan de orde is de beoordeling van de vraag of het voldoende aannemelijk is dat

de bodemrechter in een nog door [X] aanhangig te maken bodemprocedure de beslissing van de tuchtcommissie van 15 augustus 2007 en de beslissing van de commissie van beroep van 14 november 2007 zal vernietigen. Dit zal het geval zijn indien kan worden geoordeeld dat gebondenheid aan deze beslissingen in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het is onvoldoende aannemelijk dat de door [X] in dit verband aangevoerde omstandigheden zoals weergegeven in 3.2 onder a tot en met h deze conclusie kunnen dragen. Dit wordt als volgt nader gemotiveerd.

Onafhankelijke tuchtrechtspraak

4.2. De stelling van [X] dat geen sprake is van onafhankelijke tuchtrechtspraak omdat de tuchtcommissie zowel de rol van aanklager als die van rechtsprekende instantie heeft vervuld, kan [X] niet baten omdat hij zich door zijn lidmaatschap van de KNVB aan de tuchtrechtelijke procedure zoals neergelegd in het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal seizoen 2006/2007 (hierna te noemen: “RTA”) heeft geconformeerd.

Bewezenverklaring van het aan [X] ten laste gelegde

4.3. [X] stelt zich – naar de voorzieningenrechter begrijpt – op het standpunt

dat de tuchtcommissie en de commissie van beroep in redelijkheid niet tot de bewezen-verklaring van het aan [X] ten laste gelegde hebben kunnen komen omdat zij:

- slechts op basis van één bewijsmiddel, namelijk de bij [X] afgenomen

urinemonsters A en B, bewezen hebben geacht dat [X] zich schuldig heeft gemaakt

aan overtreding van het Dopingreglement, terwijl op grond van artikel 76 lid 2 RTA het

bewijs van schuld dient te berusten op tenminste twee bewijsmiddelen uit verschillende

bronnen;

- acht hadden moeten slaan op de door [X] in het geding gebrachte haartest, welke

haartest erop wijst dat [X] zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het

Dopingreglement, althans gerede twijfel oplevert.

Dit door de KNVB betwiste standpunt van [X] gaat niet op. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4. [X] is als lid van de KNVB gebonden aan de statuten en de reglementen van de KNVB, waaronder het Dopingreglement en het RTA.

In artikel 76 lid 2 RTA is bepaald dat het bewijs dat betrokkene de overtreding heeft begaan, dient te berusten op ten minste twee bewijsmiddelen uit verschillende bron.

In artikel 76 lid 3 sub d RTA is echter – zoals de KNVB ook aanvoert – bepaald dat in afwijking van deze bepaling het bewijs ook kan berusten op de bindende uitslag van een positief onderzoek verricht door het dopingcontrolelaboratorium in het kader van een op betrokkene uitgevoerde dopingcontrole. Op grond van artikel 103 RTA geldt artikel 76 RTA ook bij de behandeling in beroep.

Gelet hierop hebben de tuchtcommissie en de commissie van beroep op grond van enkel

de positieve uitslag van het onderzoek van de urinemonsters van [X] (in beginsel) bewezen kunnen verklaren dat [X] zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het Dopingreglement.

4.5. Het is echter vervolgens de vraag of de tuchtcommissie en de commissie van beroep bevoegd waren om – gelijk zij hebben gedaan – het door [X] aangedragen “tegenbewijs”, zijnde de haartest die in opdracht van [X] is uitgevoerd, terzijde te stellen. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.5.1. Uit artikel 20 van het Dopingreglement (zoals weergegeven in 2.2) volgt dat de uitkomst van het urineonderzoek als bindend heeft te gelden. Dit impliceert dat het leveren van tegenbewijs tegen deze bindende uitkomst van het urineonderzoek is uitgesloten.

De bepaling van artikel 20 van het dopingreglement is juridisch dan ook te kwalificeren als een bewijsovereenkomst waarbij tegenbewijs is uitgesloten. Op grond van artikel 7:900 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) staat een dergelijke bewijsovereenkomst gelijk met een vaststellingsovereenkomst. Dit betekent dat de wettelijke bepalingen betreffende de vaststellingsovereenkomst (titel 15 boek 7 BW) op de onderhavige bewijsovereenkomst van toepassing zijn.

4.5.2. Met inachtneming van het voorgaande geldt als uitgangspunt dat partijen gebonden zijn aan de uitkomst van het urineonderzoek dat is uitgevoerd door het dopinglaboratorium van de Universiteit van Gent en dat tegen die uitkomst geen tegenbewijs openstaat.

4.5.3. Dit uitgangspunt leidt echter uitzondering indien gebondenheid aan de uitkomst van het door dopinglaboratorium van de Universiteit van Gent uitgevoerde urineonderzoek in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (vgl. artikel 7:904 lid 1 BW).

4.5.4. [X] stelt zich – naar de voorzieningenrechter begrijpt – op het standpunt dat deze uitzondering zich in dit geval voordoet aangezien uit de in zijn opdracht door het Medisch Centrum te Tessenderlo uitgevoerde haartest volgt dat er op 25 maart 2007 geen verboden hoeveelheid amfetamine in zijn lichaam aanwezig was.

4.5.5. De KNVB voert daartegen als verweer dat de uitkomst van het urineonderzoek niet kan worden aangetast door de haartest waarop [X] zich beroept omdat op grond van de WADA code en meer in het bijzonder artikel 5.2.4.4.2 International Standard of Laboratories een haartest niet als “tegenbewijs” kan gelden en voor zover dit wel het geval zou zijn het maar zeer de vraag is of de haartest waarop [X] zich beroept betrekking heeft op een haar van [X].

4.5.6. Het is onvoldoende gebleken dat de bindende uitkomst van het urineonderzoek van [X] in een Nederlandse tuchtrechtelijke procedure niet zou kunnen worden aangetast met behulp van een haartest. Dat de Wada Code, en meer in het bijzonder artikel 5.2.4.4.2 International Standard of Laboratories, daaraan – zoals de KNVB aanvoert – in de weg staat, is onvoldoende gebleken. Het Dopingreglement en meer in het bijzonder artikel 8 van het Dopingreglement, biedt – in tegenstelling tot wat de KNVB aanvoert – daarvoor geen aanwijzing. In artikel 8 van Dopingreglement is slechts bepaald dat het onderzoek van het urinemonster plaatsvindt in een door of namens de KNVB aangewezen WADA geaccrediteerd dopingcontrolelaboratorium en dat het dopingcontrolelaboratorium het onderzoek van het urinemonster uitvoert overeenkomstig de Internationale Standaard voor Laboratoria. Niet valt in te zien dat op grond van deze bepaling de uitkomst van het urineonderzoek niet met behulp van een haartest kan worden aangetast. De toepasselijkheid van de International Standard of Laboratories (Internationale Standaard voor Laboratoria) ziet volgens deze bepaling enkel op het uit te voeren urineonderzoek.

Feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de haartest vanwege een andere reden

– bijvoorbeeld omdat zij een uit medisch wetenschappelijk oogpunt een ongeschikte methode is om de aanwezigheid van amfetamine aan te tonen – de bindende uitkomst van het urineonderzoek van [X] niet zou kunnen aantasten, zijn gesteld noch gebleken.

4.5.7. Het is gelet op het voorgaande niet uitgesloten dat de bindende uitkomst van

het urineonderzoek van [X] met behulp van een haartest kan worden aangetast.

4.5.8. Dit kan [X] echter niet baten omdat het in de tuchtrechtprocedure onduidelijk was of de haartest waarop [X] zich in de tuchtrechtelijke procedure heeft beroepen, betrekking heeft op een haar van [X]. Uit de uitspraak van de tuchtcommissie van

15 augustus 2007 volgt ook dat sprake was van bovengenoemde onduidelijkheid (zie 2.16).

Het had op de weg van [X] gelegen om deze onduidelijkheid (in ieder geval in het kader van het beroep bij de commissie van beroep) op te helderen en om aan te tonen dat de haartest is uitgevoerd met zijn haar. Het is immers [X] die een beroep doet op de onaanvaardbaarheid van de uitkomst van het urineonderzoek. De tuchtcommissie en de commissie van beroep behoefde gelet hierop dan ook niet – zoals [X] meent – een DNA onderzoek te gelasten. Gelet op de onduidelijkheid over de herkomst van het haar waarmee de haartest in opdracht van [X] was uitgevoerd, waren de tuchtcommissie en de commissie van beroep bevoegd om de haartest terzijde te stellen.

Het is overigens nog steeds onduidelijk of de haar waarmee de haartest is uitgevoerd van [X] is.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tuchtcommissie en de commissie van beroep in redelijkheid tot de bewezenverklaring van het aan [X] ten laste gelegde hebben kunnen komen.

Onzorgvuldig/oneerlijk proces in verband met de rol van [professor]

4.7. Het standpunt van [X] dat sprake is van onzorgvuldig/oneerlijk tuchtrechtelijk proces omdat de tuchtcommissie de in haar e-mailbericht van 26 juli 2007 genoemde nadere vraag (zie 2.12) aan [professor] heeft gesteld zonder [X] daarin vooraf te kennen en in de gelegenheid te stellen zijn mening op de vraagstelling aan [professor] te geven, wordt verworpen omdat niet valt in te zien op welke manier [X] hierdoor in zijn verdediging is geschaad.

De stelling van [X] dat de tuchtcommissie in het geheel geen nadere vraag aan [professor] als deskundige had mogen stellen omdat [professor] gelet op zijn betrokkenheid bij de

uitvoering van het urineonderzoek van [X] niet als onafhankelijke deskundige kan

worden aangemerkt, gaat evenmin op. De tuchtcommissie heeft slechts aan [professor] gevraagd of het gelet op de uitkomst van het onder zijn leiding uitgevoerde urineonderzoek verklaarbaar is dat na enkele weken geen enkel spoor van amfetamine meer in het haar te vinden zou kunnen zijn. Het betreft hier een nadere toelichting op de uitkomst van het urineonderzoek.

[professor] heeft deze vraag echter niet beantwoord. Het had gelet op de door de tuchtcommissie ingeslagen weg voor de hand gelegen dat de tuchtcommissie had aangedrongen op beantwoording van deze vraag, dan wel bij gebreke daarvan aan een andere deskundige deze vraag had voorgelegd. Dit heeft zij echter niet gedaan. In zoverre kan de handelswijze van de tuchtcommissie dan ook als minder begrijpelijk worden aangemerkt. Dit kan [X] echter niet baten omdat het zoals hiervoor is overwogen in 4.5.8 onduidelijk is of het haar waarmee de haartest is uitgevoerd van [X] afkomstig is en de tuchtcommissie om die reden de haartest terzijde mocht stellen.

Geen sprake van onafhankelijke besluitvorming door de tuchtcommissie

4.8. De stelling van [X] dat geen sprake is van onafhankelijke besluitvorming door de tuchtcommissie omdat de tuchtcommissie zich bij haar beslissing heeft laten leiden door het antwoord dat [professor] op haar vraag heeft gegeven, wordt verworpen.

[professor] heeft de tuchtcommissie slechts gewezen op een bepaling (artikel 5.2.4.4.2 International Standard of Laboratories) welke bepaling de tuchtcommissie zelf had behoren te kennen.

Verslag van het mondeling onderzoek van de tuchtcommissie

4.9. De stelling van [X] dat sprake is van een onzorgvuldig proces omdat [X] het verslag van het mondeling onderzoek van de tuchtcommissie pas in de procedure voor de commissie van beroep heeft ontvangen en in het kader van de procedure voor de tuchtcommissie niet op dit verslag heeft kunnen reageren, faalt omdat niet valt in te zien dat [X] daardoor in zijn verdediging is geschaad. Het verslag is een weergave van wat volgens de tuchtcommissie tijdens het mondeling onderzoek aan de orde is gekomen. Dat [X] op een aantal punten het niet eens is met deze weergave, betekent nog niet dat hij daarmee in zijn verdediging is geschaad. Daarbij komt dat [X] in het kader

van de procedure voor de commissie van beroep, gelijk hij ook heeft gedaan, nog uitgebreid op dit mondelinge verslag heeft kunnen reageren.

Procedurefout bij de uitvoering van het dopingonderzoek

4.10. De stelling van [X] dat sprake is van een procedurefout bij de uitvoering van het dopingonderzoek omdat het afnemen en het verzegelen van de urinemonsters slechts in het bijzijn van één dopingcontroleofficial is gebeurd in plaats van de volgens de WADA code voorgeschreven twee officials gaat niet op.

Uit het Dopingreglement en meer in het bijzonder artikel 15 lid 2, 6 en 7 (zoals weergegeven in 2.2) volgt dat de dopingcontrole onder direct toezicht van één dopingcontroleofficial of diens assistent kan plaatsvinden. Feiten en omstandigheden die erop wijzen dat ten aanzien van dit punt niet het Dopingreglement maar de WADA code

van toepassing is, zijn gesteld noch gebleken.

Overigens geldt dat het, gelet op de door de KNVB als productie 6 in het geding gebrachte verklaring van de heer K. Terlouw van de Dopingautoriteit en de door de KNVB als productie 5 in het geding gebrachte Annex C – Collection of urine Samples van de International Standard for Testing, voldoende aannemelijk is dat in het kader van de WADA code geen tweede dopingcontroleofficial vereist is bij het afnemen van urinemonsters ten tijde van een dopingcontrole.

Geen mondelinge behandeling bij de commissie van beroep

4.11. Het standpunt van [X] dat sprake is van een onzorgvuldig proces bij de commissie van beroep omdat de commissie van beroep heeft beslist zonder een mondelinge behandeling te gelasten, wordt verworpen.

Uit het RTA volgt dat de zaken voor de commissie van beroep schriftelijk worden behandeld tenzij de commissie anders beslist en dat een mondelinge behandeling alleen plaatsvindt indien de commissie die wenselijk acht (artikel 59 lid 2 jo 62 lid 1 jo 103 RTA).

De commissie van beroep heeft [X] in de gelegenheid gesteld om te motiveren waarom een mondelinge behandeling nodig zou zijn. [X] heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt waarna de commissie van beroep in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat dit niet nodig was.

Schending van het gelijkheidsbeginsel

4.12. De aan [X] opgelegde straf is in overeenstemming met de Strafnormering overtreding Dopingreglement binnen Amateurvoetbal, welke Strafnormering deel uitmaakt van de Handleiding Tuchtzaken Amateurvoetbal (zie productie 2 van de KNVB).

Het is niet gebleken dat deze straf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dat de zaken Pique en Zonneveld waarop [X] zich in dit verband beroept betrekking hebben op eenzelfde feitencomplex als dat van [X], is onvoldoende gebleken.

Slotsom

4.13. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [X] zal worden afgewezen.

4.14. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KNVB worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.070,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van KNVB tot op heden begroot op EUR 1.070,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2008.?