Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD3404

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
16-600195-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk met aftrek voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid (van een minderjarige).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600195-08

Datum uitspraak: 28 mei 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende, [woonadres], [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsvrouwe: mr. E.L. Robert.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 mei 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.G. de Koning, en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte, mr. E.L. Robert, advocate te Utrecht, en door de verdachte naar voren is gebracht. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van hetgeen door de advocate van de benadeelde partij [aangever 1], mr. M.J.E. Lenglet, advocate te Utrecht, naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank:

- verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit zou inhouden dat verdachte een ambulante behandeling volgt bij De Waag;

- de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-- , met de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag, subsidiair 42 dagen hechtenis.

De verdediging heeft:

- vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde;

- verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het belang van voortzetting van verdachtes behandeling bij De Waag;

- gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard nu deze niet eenvoudig van aard is.

De tenlastelegging

Aan bovengenoemde gedagvaarde persoon wordt - na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van deze rechtbank op 14 mei 2008 - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002

te Houten, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [aangever 2] te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestonden uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 2], hebbende verdachte die [aangever 2] gedwongen te dulden dat verdachte met zijn penis (een) duwende beweging(en) heeft gemaakt tegen en/of in (de richting van) de anus van die [aangever 2], in elk geval hebbende verdachte die [aangever 2] gedwongen te dulden dat verdachte trachtte met zijn penis in de anus van die [aangever 2] te komen en/of geraken, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [aangever 2] heeft aangesproken in de stationshal van het Centraal Station

in Utrecht en/of

- (wetende dat die [aangever 2] zich in een kwetsbare situatie bevond) die

[aangever 2] heeft uitgenodigd om mee te gaan naar de woning van verdachte om

aldaar de nacht door te brengen en/of

- (terwijl hij, verdachte, en die [aangever 2] samen in hetzelfde bed lagen) het

dekbed van die [aangever 2] heeft afgegooid, althans afgedaan, en/of

- de onderbroek van die [aangever 2] heeft uitgetrokken, en/of

- tegen die [aangever 2] heeft gezegd dat hij op zijn buik moest gaan liggen,

en/of

- het lichaam van die [aangever 2] heeft vastgepakt en/of (aldus) heeft

omgedraaid, en/of

- op het lichaam van die [aangever 2] is gaan liggen, en/of

- de benen van die [aangever 2] met zijn, verdachtes, benen heeft gespreid en/of

- (aldus) voor die [aangever 2] een bedreigende situatie hebben/heeft doen

ontstaan,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002 te

Houten, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland door

geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [aangever 2] gedwongen te dulden dat, hij, verdachte,

- het lichaam van die [aangever 2] heeft gestreeld, althans heeft aangeraakt,

en/of

- met zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [aangever 2] is gegaan en/of

- (daarbij) de penis van die [aangever 2] heeft vastgepakt en/of heeft

vastgehouden en/of (aldus) trekkende bewegingen heeft gemaakt,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [aangever] heeft aangesproken in de stationshal van het Centraal Station

in Utrecht en/of

- (wetende dat die [aangever 2] zich in een kwetsbare situatie bevond) die

[aangever] heeft uitgenodigd om mee te gaan naar de woning van verdachte om

aldaar de nacht door te brengen en/of

- (terwijl hij, verdachte, en die [aangever] samen in hetzelfde bed lagen) onverhoeds met zijn, verdachtes, hand het lichaam en/of de penis van die [aangever] heeft aangeraakt en/of betast en/of

- toen die [aangever 2] zijn, verdachtes, hand probeerde weg te duwen, toch is doorgegaan met het aanraken/betasten van de penis van die [aangever 2] en/of met het maken van trekkende bewegingen aan de penis van die [aangever 2] en/of

- (aldus) voor die [aangever 2] een bedreigende situatie hebben/heeft doen

ontstaan;

3.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot 1 juli 2006 te Houten,

althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, door geweld

en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een

andere feitelijkheid [aangever 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [aangever 1] gedwongen te dulden dat, hij, verdachte, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- uittrekken van de onderbroek/boxershort van die [aangever 1] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van de penis van die [aangever 1] en/of

- het (aldus) maken van (een) trekkende beweging(en), in elk geval het

aanraken en/of betasten van de penis van die [aangever 1], en/of

- het pijpen van die [aangever 1]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [aangever 1] heeft aangesproken op Hoog Catharijne in Utrecht en/of

- (wetende dat die [aangever 1] zich in een kwetsbare situatie bevond) die

[aangever 1] heeft uitgenodigd om mee te gaan naar de woning van verdachte om

aldaar de nacht door te brengen en/of

- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij de politie zou bellen en/of zou

melden aan de politie dat die [aangever 1] was weggelopen, als die [aangever 1] niet

bij hem, verdachte, in bed zou komen liggen en/of

- (terwijl hij, verdachte, en die [aangever 1] samen in hetzelfde bed lagen) de

arm van die [aangever 1] heeft vastgepakt en/of

- die [aangever 1] naar zich toe heeft getrokken en/of op zijn rug heeft geduwd

en/of tegen het bed (aan) heeft geduwd en/of

- (aldus) voor die [aangever 1] een bedreigende situatie hebben/heeft doen

ontstaan;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot 01 juli 2006 te Houten,

althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Utrecht, met [aangever 1]

, geboren op [geboortedatum] 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft

gepleegd,

bestaande in het ontuchtig

- uittrekken van de onderbroek/boxershort van die [aangever 1] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van de penis van die [aangever 1] en/of

- het (aldus) maken van (een) trekkende beweging(en), in elk geval het

aanraken en/of betasten van de penis van die [aangever 1], en/of

- het pijpen van die [aangever 1].

Vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Op 6 februari 2002 heeft [aangever 2] zich bij de politie gemeld en aangegeven dat verdachte had gepoogd hem te verkrachten. Op 8 februari 2002 heeft ook verdachte contact gehad met de politie. Verdachte verklaarde toen – kort gezegd – dat voor zover er iets zou zijn voorgevallen tussen hem en [aangever 2], dit op geheel vrijwillige basis is geschied. Naar aanleiding van deze mutaties is – voor zover de rechtbank kan overzien – door de politie op dat moment geen actie ondernomen.

Jaren later, nadat aangifte was gedaan ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit, is door de politie ook nader onderzoek gedaan naar de mutaties van 6 en 8 februari 2002. [aangever 2] is op 9 januari 2008 opnieuw gehoord en heeft een verklaring afgelegd over zijn verblijf bij verdachte in 2002. Hierop is ook verdachte op 13 februari 2008 over de gebeurtenissen gehoord.

De rechtbank gaat ervan uit dat er in of omstreeks de periode van 5 tot en met 6 februari 2002 in de woning van verdachte seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en de toen 20-jarige [aangever 2]. Daarentegen vindt de rechtbank in de bewijsmiddelen niet de overtuiging dat er sprake is geweest van de tenlastegelegde door verdachte uitgeoefende dwang op [aangever 2] tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen (feit 1) dan wel van een poging tot verkrachting (feit 2), zodat verdachte zowel van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Vaststaande feiten m.b.t. het onder 3 tenlastegelegde

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast. Omstreeks een maand voor de zomervakantie van 2006 loopt de toen 12-jarige [aangever 1] vanuit zijn tehuis weg naar station Utrecht Centraal. Op Hoog Catharijne ontmoet hij omstreeks 23.00 uur verdachte en zij raken met elkaar aan de praat. Verdachte nodigt [aangever 1] uit om met hem mee te gaan en koopt voor hem een kaartje voor de trein naar Houten. Op verzoek van verdachte stappen verdachte en [aangever 1] vervolgens afzonderlijk van elkaar in de trein. Eenmaal aangekomen in Houten ontmoeten zij elkaar weer en betreden zij samen de woning van verdachte. Nadat ze samen een film hebben gekeken, zijn ze - met enkel nog een boxershort aan – naar bed gegaan. Verdachte vraagt of [aangever 1] naast hem komt liggen. Vervolgens verricht verdachte seksuele handelingen bij [aangever 1], waarbij hij [aangever 1] onder meer aftrekt en pijpt.

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte schuldig is aan de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [aangever 1].

De verdediging heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde en voert daartoe in de kern aan dat voor zover er tussen verdachte en [aangever 1] seksuele handelingen hebben plaatsgehad, deze handelingen niet onder dwang zijn verricht.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. In zijn aangifte verklaart [aangever 1] dat hij aanvankelijk weigerde om bij verdachte in bed te komen liggen. Verdachte heeft op dat moment gedreigd de politie te bellen, omdat [aangever 1] van het tehuis was weggelopen. Toen besloot [aangever 1] toch bij verdachte in bed te gaan liggen. Verdachte zou [aangever 1] vervolgens aanvankelijk bij de arm hebben gepakt en later ook op zijn rug hebben geduwd. Hij is [aangever 1] tegen zijn borstkas tegen het bed blijven duwen, zodat [aangever 1] niets meer kon doen. Verdachte heeft [aangever 1] vervolgens betast aan zijn penis, de boxershort van [aangever 1] uitgetrokken en [aangever 1] afgetrokken. Ook heeft hij [aangever 1] gepijpt.

De gedetailleerde verklaringen van [aangever 1] – met name daar waar er sprake zou zijn geweest van dwang – worden in belangrijke mate gesteund door het feit dat [aangever 1] zowel aan een vriend als later ook aan zijn pleegmoeder heeft verteld dat verdachte hem had misbruikt en in het feit dat [aangever 1] met een vriend nadien verhaal heeft proberen te halen bij verdachte. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever 1], met name niet waar deze zien op de door verdachte uitgeoefende dwang en het overwicht dat verdachte op [aangever 1] had.

Omtrent het bewijs van de dwang door een feitelijkheid of de bedreiging daarmee wordt nog het volgende overwogen. Voorop wordt gesteld dat een scherp omlijnde definitie van het begrip ‘feitelijkheid’ ontbreekt. In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag (TK 1989-1990, 20 930, nr. 8, p. 8) is hieromtrent ter verduidelijking de volgende passage opgenomen:

“Het gaat er immers om dat de feitelijkheid zo bedreigend moet zijn dat wanneer zij niet wordt gebezigd, het slachtoffer niet zou hebben gehandeld of nagelaten, althans niet op het ogenblik waarop en in de omstandigheden waarin hij (zij) thans gehandeld heeft of niet gehandeld heeft. Er moet dus een relatie zijn tussen het gebezigde middel en het handelen of nalaten. Als een feitelijkheid zeer bedreigend is voor het slachtoffer zal hij (zij) geen weerstand meer kunnen bieden”.

Het kan dan gaan om een geval waarin het slachtoffer onder zodanige invloed van verdachte verkeert dat het slachtoffer zich om die reden niet durft te verzetten. Het gaat om omstandigheden die een slachtoffer zo afhankelijk maken van verdachte dat het slachtoffer wordt gedwongen seksuele handelingen te plegen of te dulden.

Gelet op de geraffineerde wijze waarop verdachte [aangever 1] heeft meegenomen naar huis, het dreigement van verdachte om de politie te bellen omdat [aangever 1] uit een tehuis was weggelopen als [aangever 1] niet bij verdachte in bed kwam liggen en de uitgeoefende fysieke dwang (het uittrekken van de boxershort van [aangever 1] en het vasthouden van zijn arm en duwen tegen zijn lichaam) moet in redelijkheid te verwachten zijn geweest dat het slachtoffer, een 12-jarige jongen – de seksuele handelingen zou dulden. Vereist is een handelen van de kant van verdachte dat gelet op de omstandigheden geschikt is om het slachtoffer te dwingen de seksuele handelingen te dulden. De verdachte moet ook opzet hebben op de dwingende uitwerking van zijn handelen. Anders dan door de verdediging is gesteld, is aan deze vereisten – gelet op voornoemde omstandigheden – voldaan.

De bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor onder de vaststaande feiten en de bewijsoverweging omtrent het bewijs vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot 1 juli 2006 te Houten,

althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, door geweld

en/of een andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of een

andere feitelijkheid [aangever 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [aangever 1] gedwongen te dulden dat, hij, verdachte, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- uittrekken van de onderbroek/boxershort van die [aangever 1] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van de penis van die [aangever 1] en/of

- het (aldus) maken van (een) trekkende beweging(en), in elk geval het

aanraken en/of betasten van de penis van die [aangever 1], en/of

- het pijpen van die [aangever 1]

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [aangever 1] heeft aangesproken op Hoog Catharijne in Utrecht en/of

- (wetende dat die [aangever 1] zich in een kwetsbare situatie bevond) die

[aangever 1] heeft uitgenodigd om mee te gaan naar de woning van verdachte om

aldaar de nacht door te brengen en/of

- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij de politie zou bellen en/of zou

melden aan de politie dat die [aangever 1] was weggelopen, als die [aangever 1] niet

bij hem, verdachte, in bed zou komen liggen en/of

- (terwijl hij, verdachte, en die [aangever 1] samen in hetzelfde bed lagen) de

arm van die [aangever 1] heeft vastgepakt en/of

- die [aangever 1] naar zich toe heeft getrokken en/of op zijn rug heeft geduwd

en/of tegen het bed (aan) heeft geduwd en/of

- (aldus) voor die [aangever 1] een bedreigende situatie hebben/heeft doen

ontstaan;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit zou inhouden dat verdachte een ambulante behandeling volgt bij De Waag.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het belang van voortzetting van verdachtes behandeling bij De Waag.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte op geraffineerde wijze en met behulp van zowel zijn geestelijke als fysieke overwicht een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van een kwetsbare twaalfjarige jongen. Een jongen waarvan verdachte wist dat hij in een kwetsbare en labiele positie verkeerde nu hij even daarvoor was gevlucht uit een tehuis. Onder het mom van het bieden van onderdak en hulp heeft verdachte het slachtoffer laat in de avond op Hoog Catharijne aangesproken en naar zijn huis gelokt, alwaar hij de belangen van zijn slachtoffer volledig ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn eigen lustgevoelens. Naar de ervaring leert, ondervinden slachtoffers van zedenmisdrijven nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen van wat hun is overkomen. Dat [aangever 1] met dergelijke problemen kampt, wordt nog eens bevestigd in zijn schriftelijke slachtofferverklaring van 8 mei 2008.

Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een uittreksel justitiële documentatie van 14 februari 2008 kort voor het plegen van onderhavig feit door het Arnhemse gerechtshof voor een zedenmisdrijf met een jeugdig slachtoffer is veroordeeld. Naar de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, betrof zijn toenmalig slachtoffer eveneens een jongen die hulp c.q. onderdak bij hem zocht. Deze eerdere veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden zich andermaal onder het mom van hulpverlening te vergrijpen aan een slachtoffer uit een kwetsbare doelgroep. De rechtbank rekent dit de verdachte bijzonder aan.

Over de persoon van verdachte is onder meer gerapporteerd door psychiater J. Neeleman. In de rapportage pro justitia van 6 april 2008 komt Neeleman onder meer tot de volgende bevindingen, zakelijk weergegeven:

Betrokkene lijdt aan een narcitische persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en het beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat deze mede daaruit verklaard kunnen worden. De illusoire zelfperceptie van betrokkene van zichzelf als hulpverlener bracht hem in voor hem risicovolle situaties. Betrokkene gaf vorm aan zijn behoefte aan affectie, geseksualiseerd in homoseksuele contacten met kwetsbare jongens die hem niet snel zouden afwijzen vanwege hun afhankelijkheidspositie, door zich op te werpen als hulpverlener. Zijn gebrek aan empathie, gecombineerd met zijn seksuele lust, heeft hem tot seksueel grensoverschrijdend gedrag gebracht. Zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft zijn toetsing van wat toelaatbaar is enigszins beïnvloed, hoewel de realiteitstoetsing in engere zin verondersteld wordt intact te zijn geweest, want er zijn geen aanwijzingen voor psychose t.t.v. de tenlastegelegde feiten.

Betrokkene was enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies van de deskundige over en maakt deze tot haar oordeel. Hieruit volgt dat verdachte strafbaar is. In voornoemde rapportage wordt geadviseerd bij een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde te stellen dat betrokkene zich gedurende de proeftijd richt naar de aanwijzingen van de reclassering en dat die aanwijzingen kunnen inhouden dat betrokkene zich onder behandeling laat stellen van drs. B.A. ten Hag, de Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie te Utrecht, alsmede een psychiater verbonden aan die instelling.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 14 mei 2008 en opgemaakt door M. Bongenaar, reclasseringswerker.

Alles overziende acht de rechtbank – ondanks de gegeven vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en dus hoger dan door de officier van justitie is gevorderd – een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht te stellen, ook indien dit inhoudt dat verdachte zijn ambulante behandeling bij De Waag voortzet.

Nu moet worden vastgesteld dat de verdachte in korte tijd bij herhaling zijn driften niet heeft weten te beteugelen, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Om die reden zal ten aanzien van het voorwaardelijk op te leggen strafdeel een proeftijd worden vastgesteld van drie jaar.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het tenlastegelegde feit, te weten een bedrag van € 10.000,-- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit. De immateriële schade wordt voorshands naar billijkheid begroot op € 2.500,--. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Voor zover de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, ziet het de rechtbank aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Deze maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 3 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Stelt een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde de na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de

Reclassering Nederland en zich gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van veroordeelde, ook als deze inhouden het voortzetten van een ambulante behandeling bij De Waag. De rechtbank geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], p/a [adres] te Utrecht, ten dele toe tot een bedrag van € 2.500,-- (zegge tweeduizend en vijfhonderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 2.500,-- (zegge tweeduizend en vijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs W. Foppen, M.P. Gerrits-Janssens en D.J.A. Kuipers, bijgestaan door mr. R.G.A. Beaujean als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2008.

Mr. D.J.A. Kuipers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.