Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD2856

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
16/711243-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de verdachte schuldig aan openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/711243-07

Datum uitspraak: 28 mei 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken bij verstek

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboortedatum],

wonende te [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

21 september 2007, 27 november 2007, 21 februari 2008 en 14 mei 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 09 juni 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de borst(streek) en/of de (rechter)arm, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en subsidiair dat

hij op of omstreeks 09 juni 2007 te Amersfoort met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Kamp, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, steken in de borst(streek) en/of de (rechter)arm van die [slachtoffer] en/of het meermalen, althans eenmaal (met geschoeide voet) schoppen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of het slaan met een ketting/sieraad tegen het hoofd van die [slachtoffer], en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een steekwond in de borst(streek) en/of een steekwond in de rechterarm) voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte primair ten laste is gelegd. Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat het door de verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel (een steekwond in de borst(streek) en/of een steekwond in de rechterarm) voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, hetgeen aan de verdachte subsidiair mede ten laste is gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast te stellen of de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken.

De [medeverdachten 1 en 2] wijzen beiden de verdachte aan als degene die het slachtoffer [slachtoffer] zou hebben gestoken. {Medeverdachte 1} heeft verklaard dat [verdachte] ineens iets in zijn hand had, iets zwarts, en dat [verdachte] ineens met het voorwerp uithaalde naar de krantenjongen. [Medeverdachte 2} heeft verklaard dat de blanke is gestoken met het vijltje van een nagelknipper. Hij verklaart te hebben gezien dat [verdachte] iets in zijn hand had en met de hand waarin hij het “iets” had zwaaiende bewegingen maakte in de richting van de blanke jongen. Voorts verklaart hij dat [verdachte], toen ze weer met z’n drieën waren, zei: “ik denk dat ik hem heb geraakt” en dat [verdachte], terwijl hij dat zei, een nagelvijltje liet zien en zei dat hij het vijltje weg moest gooien. Twee dagen later kwam [medeverdachte 2] [verdachte] tegen en toen zei [verdachte] dat hij dacht dat hij de jongen met het vijltje in zijn hand of arm had gestoken, aldus [medeverdachte 2].

Deze verklaringen van de medeverdachten stroken evenwel niet met de verklaringen van [slachtoffer], [getuigeA] en de verdachte zelf. Integendeel, zowel [slachtoffer] als de [getuige A] wijzen een ander aan als degene die [slachtoffer] zou hebben gestoken.

Bij de vechtpartij met het slachtoffer zijn drie jongens betrokken geweest, die door het slachtoffer worden omschreven als de kleinste (dader1), de mollige (dader 2) en de langste jongen (dader 3). Bij confrontatie met de foto’s van de drie verdachten heeft het slachtoffer verklaard er zeker van te zijn dat verdachte de kleinste jongen was , terwijl [slachtoffer] herhaaldelijk heeft verklaard dat dader 3, de lange jongen, degene is die hem heeft gestoken .

[Getuige A] heeft wel verklaard te hebben gezien dat de kleinere dader een mes uit zijn rechterzak haalde, maar heeft ook verklaard dat die jongen het mes niet gebruikte en het later weer terug deed in zijn zak. Behalve dat mes heeft hij geen wapens gezien. Bovendien was de krantenjongen al gewond toen de Marokkaanse jongen (getuige doelt daarmee op de kleinste dader: verdachte) het mes uit zijn binnenzak had gehaald. Daarom, zo verklaart [getuige A], moet één van de lange jongens gestoken hebben.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen primair aan de verdachte ten laste is gelegd en hetgeen subsidiair als strafverzwarende omstandigheid ten laste is gelegd, niet overtuigend bewezen kan worden. De verdachte moet daarvan dan ook, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hieronder is vermeld, namelijk dat:

hij op 09 juni 2007 te Amersfoort met anderen, op de openbare weg, de Kamp, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het met een scherp en/of puntig voorwerp, steken in de borststreek en de rechterarm van die [slachtoffer] en het meermalen met geschoeide voet schoppen en slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank overweegt als volgt.

[Slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 9 juni 2007 aan het werk was als krantenbezorger in Amersfoort. Toen hij op zijn brommer bij de nieuwe rotonde aan de Van Randwijcklaan reed, zag hij wat jongens staan. [slachtoffer] omschrijft de drie daders als jongens met een donker uiterlijk, van Somalische afkomst. Dader 1 duidt hij aan als de kleinste dader (1.75 á 1.80 cm lang) en tenger; dader 2 als mollig (1.80 cm lang) en dader 3 met normaal postuur (1.80 á 1.85 cm lang).

Plotseling zag [slachtoffer] dat een jongen voor zijn brommer sprong (dader 1). De jongen vroeg of hij op zijn brommer mocht rijden en [slachtoffer] voelde dat de jongen tegen hem aandrukte om hem kennelijk van de brommer te laten stappen. De jongen was erg opdringerig. [slachtoffer] zag dat dader 1 hem wilde aanvliegen, maar dat hij door dader 2 werd tegengehouden.

[slachtoffer] is daarop doorgereden naar het depot, waar hij erachter kwam dat zijn houthakkersjas uit zijn fietstas verdwenen was. [slachtoffer] is teruggereden om zijn jas te gaan zoeken. Op de Kamp zag [slachtoffer] de drie jongens lopen. Eén van de jongens, dader 1, had zijn jas aan. [slachtoffer] reed op hem af, raakte hem met zijn brommer en de jongen viel. Vervolgens zag [slachtoffer] dat de twee andere jongens hem aanvlogen en hem sloegen. [slachtoffer] weerde de slagen af, maar werd wel geraakt.

[slachtoffer] zag vervolgens dat dader 3 een scherp voorwerp in zijn handen had. Hij zag dat het een steekwapen was. [slachtoffer] zag een staal glimmend iets. Hij zag en voelde dat de mollige jongen (dader 2) hem ook schopte en sloeg. [slachtoffer] zag en voelde dat dader 3 hem stak met het steekvoorwerp.

[slachtoffer] probeerde zich te verweren, maar als hij zich op één van de drie daders richtte dan sloeg en schopte de andere weer. Hij voelde zich net een bokszak. Op een gegeven moment zag [slachtoffer] dat hij begon te bloeden. Hij hoorde dat de jongens riepen dat ze hem kapot wilden maken. Hij hoorde ze zeggen: “we maken je af”. [slachtoffer] zag dat er bloed uit zijn arm stroomde en kort daarna zag hij ook bloed op zijn borst.

Op een gegeven moment zag [slachtoffer] een man aan komen lopen met een kaal hoofd. [slachtoffer] hoorde deze man tegen de drie donkere jongens zeggen dat ze op moesten houden. Hierna zijn de jongens weggelopen. [slachtoffer] is vervolgens naar het ziekenhuis in Utrecht gegaan .

Uit de, de verdachte betreffende, medische gegevens blijkt dat bij [slachtoffer] steekwonden zijn geconstateerd in de rechter elleboog en in de borstkas. De steekwonden waren ongeveer 2 cm diep en de steekwond in de borstkas bevond zich op 5 cm van vitale organen.

Bij de rechter-commissaris is [slachtoffer] geconfronteerd met een foto van de verdachte. Bij het zien van die foto werd deze door [slachtoffer] met zekerheid herkend als de kleinste jongen .

Door [getuige A] is verklaard dat hij, toen hij op 9 juni 2007 op de rotonde Van Randwijcklaan vlakbij de Kamp liep, drie jongens met een Afrikaans uiterlijk een andere jongen zag aanvallen. [Getuige A] zag dat een jongen werd geslagen en geschopt. Hij zag dat die ene jongen ook in zijn rug werd aangevallen en dat het geweld tegen wat later de krantenjongen bleek te zijn, steeds erger werd. Van de andere drie jongens waren er twee langer en één iets kleiner. De kleinere jongen ging helemaal door het lint en zat helemaal onder het bloed. Hij bleef de krantenjongen maar slaan en schoppen. Hij hoorde dat de kleinere jongen zei: “ik maak je af”. [Getuige A] zag dat de krantenjongen bloedde aan zijn rechterarm. Toen de twee langere jongens [getuige A] zagen hielden ze op met slaan. De kleinere jongen ging maar door. Totdat de twee langere jongens hem, [getuige A], zagen, hadden ze een even groot aandeel in het schoppen en slaan van de krantenjongen .

[Getuige B] heeft verklaard op 9 juni 2007 via de buitenspiegel van een busje op de Kamp te Amersfoort te hebben gezien dat drie donkere jongens een blanke jongen schopten en sloegen. [Getuige B] zag dat de blanke jongen op de grond viel en dat alle drie de donkere jongens hem ook nog schopten. Kort daarna zag [getuige B] dat de donkere jongen met het grijze gestreepte T-shirt de blanke jongen aanvloog en dat hij de blanke jongen begon te stompen. Hierna kwam de blanke jongen naar de bus toe en zag [getuige B] dat de jongen verwondingen aan zijn rechterarm had. Hij zag dat het behoorlijk bloedde. Hierna zag [getuige B] dat de jongen zijn shirt omhoog deed en dat hij daar ook allemaal bloed had .

De verklaring van [getuige B] wordt bevestigd door [getuige C] die eveneens in het busje zat en die verder heeft verklaard dat hij ter hoogte van de rechterzijde van de borst van de jongen een wond heeft gezien, die hevig bloedde .

[Getuige D] heeft verklaard op zaterdag 9 juni 2007, tussen 07.00 en 07.30 uur, op de Kamp een “knokpartijtje” te hebben gezien. Het was drie tegen één.

De verdachte , alsmede de [medeverdachten 1 en 2] , hebben verklaard dat de krantenjongen op 9 juni 2007 in hun bijzijn op de Kamp op de verdachte is ingereden. De verdachte heeft bekend de krantenjongen te hebben geslagen en heeft verklaard dat [medeverdachten 1 en 2] ook tegen die jongen hebben gevochten . [Medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de jongen een paar klappen heeft gegeven .

Uit het bovenstaande concludeert de rechtbank het volgende.

Vast staat dat, nadat de verdachte [slachtoffer] op de rotonde aan de Van Randwijcklaan tegen had gehouden, de jas van [slachtoffer] uit de tas op de bromfiets van [slachtoffer] had gepakt en [slachtoffer] vervolgens op de Kamp op hem was ingereden, tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en[ medeverdachte 2] enerzijds en [slachtoffer] anderzijds, een vechtpartij is ontstaan, waarbij alle drie de verdachten [slachtoffer] hebben geschopt en geslagen. Vast staat ook dat [slachtoffer] tijdens die vechtpartij steekwonden in zijn borst en zijn rechterarm heeft opgelopen en dat geen van de verdachten zich -ook nadat zij zagen dat [slachtoffer] gewond was en hevig bloedde- aan de vechtpartij heeft onttrokken. Gelet op deze feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is, dat verdachte met anderen op de Kamp te Amersfoort openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In het voorgaande zijn reeds de omstandigheden genoemd waaronder de vechtpartij tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer [slachtoffer] anderzijds is ontstaan.

Bij deze vechtpartij, die op straat plaats heeft gevonden en waarvan verschillende mensen getuige zijn geweest, heeft het slachtoffer steekwonden in de borst en in de arm opgelopen.

Openlijk geweld draagt bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, nog lang de lichamelijke en/of psychische gevolgen daarvan kunnen dragen. Het slachtoffer is een jonge man, die naar het zich laat aanzien nog gedurende lange tijd, zo niet de rest van zijn leven, dagelijks zal worden geconfronteerd met de gevolgen van de daad van verdachte en de medeverdachten, aangezien - zo blijkt uit de vordering benadeelde partij- zijn lichaam wordt ontsierd door littekens op de borst en de arm van respectievelijk tien en vijf centimeter lengte.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

• de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 juni 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest;

• een afloopbericht van het als schorsingsvoorwaarde opgelegde toezicht door de reclassering betreffende de verdachte, van Brijder Verslavingsreclassering d.d. 10 april 2008, opgemaakt door M.J.A. van Dantzig, reclasseringswerker, waaruit blijkt dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de Reclassering;

• een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Justitiële Verslavingszorg Centrum Maliebaan d.d. 30 augustus 2007, opgemaakt door A. Schreurs, reclasseringswerker, waaruit naar voren komt dat verdachte veel schulden en geen huisvesting heeft, beperkt Nederlands spreekt en behoefte heeft aan hulp. De verdachte heeft enkele weken productiewerkzaamheden verricht en wil dat na de detentie opnieuw gaan doen. Verdachte kauwt dagelijks khat bladeren. De Reclassering acht het van groot belang dat betrokkene hulpverlening krijgt bij praktische zaken, uit te voeren door maatschappelijk werk, omdat hij zich, mede door zijn beperkte Nederlands, moeilijk staande kan houden in het maatschappelijk verkeer.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Ten aanzien van het beslag: teruggave van de in beslaggenomen voorwerpen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij: gedeeltelijke, hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 2.007,54 (materiële schade: € 982,54 en immateriële schade: € 1.025,-), voor het overige niet-ontvankelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog en acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur geboden. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank enerzijds de ernst van het feit - in vereniging openlijk geweld plegen, waarbij gebruik is gemaakt van een steekvoorwerp - in aanmerking genomen en heeft de rechtbank anderzijds aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een mobiele telefoon, merk Nokia, type 3310, kleur blauw;

- een pet, kleur wit, merk New Era 59 Fifty;

- een pet, kleur bruin met afbeelding Che Guavara en legermotieven, merk: Robin Ruth,

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van

€ 1.087,20 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.025,- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.000,- en de materiële schade wordt begroot op € 1.052,54. De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 2.052,54 worden toegewezen.

Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd als materiële schade, te weten

€ 21,16 aan apothekerskosten in januari 2007 als onderdeel van het no-claim bedrag en € 13,50 aan huur voor dvd’s, zal worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat deze schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde feit.

Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd als immateriële schade, te weten een bedrag van € 25,- verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk omdat dat gedeelte van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 10 (tien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de in beslaggenomen voorwerpen aan de verdachte van:

- een mobiele telefoon, merk Nokia, type 3310, kleur blauw;

- een pet, kleur wit, merk New Era 59 Fifty;

- een pet, kleur bruin met afbeelding Che Guavara en legermotieven, merk: Robin Ruth.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats] ten dele toe tot een van bedrag € 2.052,54 (zegge: tweeduizendtweeënvijftig euro en vierenvijftig cent), bestaande uit een bedrag ad € 1.052,54 (zegge: éénduizendentweeënvijftig euro en vierenvijftig cent) aan materiële schade en een bedrag ad € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af, voor zover dit betreft de materiële schade.

Bepaalt ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 2.052,54 (zegge tweeduizendtweeënvijftig euro en vierenvijftig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L.E. Verschoor, I. Bruna en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. A. Emmens als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2008.

Mr I. Bruna is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.