Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD2695

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
223530/ H ZA 06-2883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sprintplan, aandelenlease; 30/70%, rente is (wel) schade

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 223530 / HA ZA 06-2883

Vonnis van 28 mei 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. W.P.J. Kroft,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2007;

- de akte van Spaarbeleg;

- de antwoordakte van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Bij het hiervoor onder 1.1. genoemde tussenvonnis van 19 december 2007 heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden in het geding te brengen, eventueel met een korte toelichting op die productie, en vervolgens [eiseres] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte kort op de akte van Spaarbeleg te reageren. De rechtbank heeft er daarbij nadrukkelijk op heeft gewezen dat partijen zich in hun akte hiertoe dienen te beperken en dat hen geen gelegenheid wordt geboden om nieuwe of aanvullende stellingen in te nemen. Partijen hebben zich echter niet aan deze instructie gehouden. De rechtbank slaat slechts acht op de door Spaarbeleg overgelegde samenvatting van de algemene voorwaarden en op hetgeen partijen hierover hebben opgemerkt. De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd in de door hen genomen akten.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal, waaronder de informatie uit het zogenaamde ‘welkomstpakket’.

2.3. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 19 december 2007 reeds verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB 7971) en naar de overweging van het Gerechtshof dat het door Spaarbeleg aan de deelnemers toegezonden ‘welkomstpakket’ met informatie betreffende het Sprintplan pas door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand was gekomen.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. De inhoud van dat welkomstpakket zal daarom buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van wat de deelnemer op het moment van het aangaan van de Sprintplan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het Sprintplan.

Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

2.4. Zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis van 19 december 2007, is onduidelijk of [eiseres] voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst een brochure betreffende het SprintPlan heeft ontvangen. Voorafgaand aan de totstandkoming van de SprintPlan-overeenkomst beschikte [eiseres] (in ieder geval) wel over de samenvatting van de Algemene Voorwaarden, waarvan als onbetwist vast staat dat deze was afgedrukt op de achterzijde van het inschrijfformulier.

Bij de beoordeling van wat [eiseres] op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan, zal de rechtbank zich dan ook baseren op de samenvatting van de Algemene Voorwaarden, die Spaarbeleg bij akte na tussenvonnis heeft overgelegd.

2.5. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. Het door [eiseres] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 mei 2000 tot en met 2 mei 2005. [eiseres] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van EUR 113,45 (NLG 250,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van EUR 6.807,00. Na afloop van de overeenkomst heeft [eiseres] bericht van Spaarbeleg ontvangen dat zij niets uitgekeerd zou krijgen vanwege het negatieve rendement van het SprintPlan.

4. Het geschil

4.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair

1. voor recht verklaart dat de onderhavige overeenkomst onder nummer 074.21.36.078 nietig is dan wel vernietigd is dan wel ontbonden is dan wel dat de rechtbank de overeenkomst vernietigt dan wel ontbindt;

2. Spaarbeleg (de rechtbank leest Spaarbeleg, waar [eiseres] spreekt over Aegon, nu de rechtbank deze benaming hanteert), tegen behoorlijk bewijs van kwijting, veroordeelt aan eiseres het door haar voorafgaand en gedurende de duur van de overeenkomst betaalde bedragen, voor zover deze betalingen zien op betaling van rente en/of aflossing en een kostenvergoeding ter zake de uitvoering van de onderhavige overeenkomsten, te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze door eiseres aan Spaarbeleg betaalde bedragen, ingaande het tijdstip van betaling ervan alsmede te vermeerderen met de door eiseres als gevolg van het aangaan en uitvoering van deze overeenkomst geleden gevolgschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

subsidiair

3. voor recht verklaart dat Spaarbeleg ten opzichte van eiseres toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de onderhavige overeenkomst en dat Spaarbeleg deswege aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade jegens eiseres en dat Spaarbeleg deze schade aan eiseres volledig dient te vergoeden;

meer subsidiair

4. voor recht verklaart dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van eiseres en dat Spaarbeleg deswege aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade jegens eiseres en dat Spaarbeleg deze schade aan haar volledig dient te vergoeden;

subsidiair en meer subsidiair

5. voor recht verklaart dat deze schadevergoeding als volgt berekend moet worden:

a. terugbetaling van de totaal van de gedurende de looptijd van de overeenkomsten door eiseres aan Spaarbeleg betaalde maandtermijnen;

b. vergoeding aan eiseres van de wettelijke rente over het onder 5a. bedoelde bedrag, zulks vanaf de datum van betaling ervan;

c. betaling van de door eiseres als gevolg van het aangaan en uitvoeren van de overeenkomst geleden gevolgschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

in alle gevallen:

Spaarbeleg veroordeelt in de proceskosten.

4.2. [eiseres] heeft -kort samengevat- aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigbaar is op grond van handelen in strijd met artikel 7 van de Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (Wte 1995) en op grond van handelen in strijd met de artikelen 9, 26, 28, 30 lid 3 sub c en 33 sub b onder 1 van de Wet Consumentenkrediet (Wck), dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling, dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden, en dat Spaarbeleg haar zorgplicht ten opzichte van [eiseres] heeft geschonden door na te laten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst inlichtingen bij [eiseres] in te winnen omtrent haar financiële positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstelling en door [eiseres] onvoldoende te informeren over de risico’s van het product.

4.3. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De verdere beoordeling

Nietigheid wegens strijd met de Wte 1995

5.1. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van strijd met de wet, waardoor de rechtshandeling nietig is in de zin van artikel 3:40 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiseres] is er sprake van strijd met de Wte 1995 en het daarop gebaseerde Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 (Bte 1995). [eiseres] stelt dat zij de SprintPlan-overeenkomst heeft afgesloten via een tussenpersoon, Budget Polis. Zij stelt dat Budget Polis niet (slechts) is opgetreden als cliëntenremisier maar haar ook heeft geadviseerd, echter zonder te beschikken over een vergunning op grond van artikel 7 Wte. Voorts heeft Budget Polis volgens [eiseres] gehandeld in strijd met artikel 24 Bte 1995 door haar niet adequaat voor te lichten, geen risicoprofiel op te stellen en niet na te gaan of het SprintPlan wel bij haar beleggingsdoelstelling paste. [eiseres] stelt dat Spaarbeleg behoorde te weten dat sprake was van verboden advisering door Budget Polis en dat Budget Polis in strijd met artikel 24 Bte 1995 handelde en op grond daarvan had moeten afzien van het sluiten van de onderhavige SprintPlan-overeenkomst. [eiseres] stelt voorts dat Spaarbeleg aansprakelijk is voor de gedragingen van Budgetpolis, nu de bemiddeling van Budget Polis ten voordele van Spaarbeleg geschiedde.

5.2. Ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW leidt strijd met een dwingende rechtsbepaling tot nietigheid van de rechtshandeling, en in het geval de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit. Lid 3 bepaalt vervolgens dat het bepaalde in het tweede lid alleen geldt indien de wetsbepaling de strekking heeft om de geldigheid van de daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de Wte 1995 als de daarop, door delegatie, gebaseerde Bte 1995, ook zoals die wet en dat besluit luidden tot 1 januari 2007, niet de strekking hebben om de geldigheid als zodanig van een rechtshandeling, in het onderhavige geval, het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst aan te tasten. Wel wordt in de Bte 1995 een aantal regels voorgeschreven ten aanzien van hetgeen in de overeenkomsten moet zijn bepaald. Noch de Wte 1995, noch de Bte 1995 bevatten echter verbodsbepalingen waaruit kan worden afgeleid dat de strekking daarvan is dat de geldigheid van het sluiten van de overeenkomst wordt aangetast indien niet aan alle regels uit de Bte 1995 is voldaan. Dit betekent dat in het onderhavige geval op grond van lid 3 van artikel 3:40 BW, artikel 3:40 lid 2 BW geen gelding heeft. De vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen voor zover deze is gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig is wegens strijd met de Wte 1995.

Nietigheid wegens strijd met de Wck

5.3. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007

(LJN BB9779) overeenkomstig geoordeeld. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiseres], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig dan wel vernietigbaar is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.4. [eiseres] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat zij niet wist dat zij een lening was aangegaan en dat de maandelijkse betalingen die zij deed, rentebetalingen waren. Zij heeft voorts aangevoerd dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan. Daarnaast heeft zij gesteld dat gedurende de duur van de SprintPlan-overeenkomst hoge koerswinsten gemaakt moeten worden om het break-evenpunt te bereiken, dat het risico op verlies bij beëindiging van de overeenkomst eerder te verwachten is dan het behalen van winst en dat het te verwachten rendement van het Sprintplan zeer laag is. [eiseres] stelt dat Spaarbeleg hiervoor had moeten waarschuwen.

Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiseres] bij brief een rendementsberekening in het geding gebracht, naar de rechtbank begrijpt met het doel om haar stellingen betreffende het break-evenpunt en het te verwachten rendement te onderbouwen.

Spaarbeleg heeft bij akte op deze berekening gereageerd en de juistheid daarvan betwist.

5.5. Spaarbeleg heeft primair tot haar verweer aangevoerd dat de vordering tot vernietiging op grond van dwaling is verjaard. Het antwoord op de vraag of het beroep op dwaling al dan niet is verjaard kan echter in het midden blijven, nu de rechtbank, ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat van verjaring geen sprake is, van oordeel is dat de (gestelde) dwaling voor rekening van [eiseres] dient te blijven en niet kan leiden tot vernietigbaarheid van de overeenkomst. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.6. Zoals hiervoor onder 2.4 overwogen, dient bij de beoordeling van het beroep op dwaling te worden uitgegaan van de informatie die [eiseres] heeft ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst, te weten de samenvatting van de Algemene Voorwaarden, waarvan Spaarbeleg bij akte na tussenvonnis een afschrift in het geding heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] bij oplettende bestudering van de samenvatting van de Algemene Voorwaarden had kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van haar participaties zou kopen in het GarantieFonds. In de samenvatting van de Algemene Voorwaarden op de achterzijde van het inschrijfformulier staat immers met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem of haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn. Tot slot is vermeld dat als het eindsaldo bij de eindafrekening negatief is, de deelnemer verplicht is tot bijbetaling van het negatieve saldo. Dat koersschommelingen zouden kunnen optreden en dat de koersen ook zouden kunnen dalen, is inherent aan het feit dat het Sprintplan, zoals uit de beschikbare informatie bleek, een beleggingsproduct betrof en wordt als algemeen bekend verondersteld. Het beroep van [eiseres] op de door haar overgelegde rendementsberekening -wat er ook zij van de juistheid daarvan- kan haar daarom niet baten.

Van [eiseres] mocht worden verwacht dat zij dit informatiemateriaal zou lezen alvorens de SprintPlan-overeenkomst aan te gaan. Als zij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor haar eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden

5.7. Om aan te kunnen nemen dat sprake is van misbruik van omstandigheden is onder andere vereist dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat [eiseres] door de door haar gestelde onervarenheid tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen. Van een dergelijke kenbaarheid is de rechtbank evenwel niet gebleken. De overeenkomst is tot stand gekomen kennelijk zonder dat er enig inhoudelijk contact tussen partijen heeft plaatsgevonden. [eiseres] heeft volstaan met het inzenden van een inschrijfformulier en Spaarbeleg met het toezenden van het welkomstpakket. Nu niet gesteld kan worden dat alleen onervaren consumenten zullen worden bewogen tot het afsluiten van een SprintPlan op de wijze zoals in dit geval is geschied, kan niet worden geconcludeerd dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat haar onervarenheid [eiseres] bewoog tot het inzenden van het inschrijfformulier en dat dit Spaarbeleg van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt derhalve.

5.8. De slotsom van hetgeen hiervoor is overwogen is dat de primaire vordering onder 1. zal worden afgewezen voor zover daarbij gevorderd is om voor recht te verklaren dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigd is, en eveneens voor wat betreft de vordering om de overeenkomst alsnog te vernietigen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.9. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen.

5.10. Nu geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Spaarbeleg, zal de primaire vordering onder 1. ook worden afgewezen voor zover daarbij gevorderd is om voor recht te verklaren dat de overeenkomst ontbonden is dan wel om de overeenkomst alsnog te ontbinden.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.11. [eiseres] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door haar niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer in het bijzonder het risico dat zij na ommekomst van de overeenkomst haar volledige inleg kwijt zou zijn) die zij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt zij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiseres] en naar haar beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door haar dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiseres].

5.12. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer.

De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.13. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer enkele denkstappen te maken om de risico’s van het SprintPlan geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiseres] geverifieerd of zij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiseres]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.14. De rechtbank overweegt terzijde dat zij, anders dan Spaarbeleg, uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007(LJN BB7971) niet opmaakt dat het ‘welkomstpakket’ met informatie betreffende het SprintPlan wél zou moeten worden meegenomen bij de beantwoording van de vraag of Spaarbeleg de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Bij die beoordeling komt het immers, zoals het Gerechthof ook in haar (voornoemde) arrest overweegt, aan op de vraag welke informatie Spaarbeleg heeft verstrekt en ingewonnen vóór het aangaan van de overeenkomst.

causaal verband

5.15. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiseres] gestelde schade ontbreekt.

[eiseres] heeft aangevoerd dat haar doel met het SprintPlan was haar familie in Ghana geld te sturen. [eiseres] heeft verklaard dat zij niet aan het SprintPlan begonnen zou zijn als haar duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico's verbonden waren en dat zij haar inleg zou kunnen verliezen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

Het feit dat [eiseres] na het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst ook een RendementsPlan heeft afgesloten, zoals Spaarbeleg heeft aangevoerd ter betwisting van het causaal verband, leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel uit de uitlatingen van [eiseres] ter comparitie kan worden afgeleid dat zij wist dat het RendementsPlan een beleggingsproduct betrof, is het enkele feit dat zij na het SprintPlan opnieuw een beleggingsproduct heeft afgesloten onvoldoende om aan te nemen dat zij het SprintPlan ook zou hebben afgesloten als zij volledig op de hoogte was geweest van de werking daarvan en de daaraan verbonden risico’s. Spaarbeleg heeft immers ter comparitie verklaard dat bij het RendementsPlan geen lening wordt aangegaan door de deelnemer. De werking en risico’s van dat product zijn derhalve niet gelijk aan die van het SprintPlan.

De ter comparitie ingenomen stelling van Spaarbeleg dat [eiseres] voorts een WereldPlan heeft afgesloten wordt gepasseerd, nu dit door [eiseres] is betwist en nu Spaarbeleg hiervan geen bewijsstukken heeft overgelegd en bovendien bij antwoord nog heeft gesproken over een MeesterPlan. Overigens is door Spaarbeleg ook niets gesteld over de aard of werking van het WereldPlan.

schade

a) rente

5.16. Door Spaarbeleg is gesteld dat [eiseres] alle verschuldigde maandtermijnen aan Spaarbeleg heeft betaald (conclusie van antwoord, 8.49). [eiseres] heeft gesteld dat Spaarbeleg haar aan het eind van de looptijd van het SprintPlan een eindafrekening heeft gezonden, waaruit bleek dat zij geen uitkering zou ontvangen. Hieruit volgt dat [eiseres] het totaal van de maandelijks door haar betaalde bedragen is kwijtgeraakt, derhalve EUR 6.807,00.

5.17. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geleende geld zelf, of aan een ander doel te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

5.18. Gezien het voorgaande merkt de rechtbank het in totaal door [eiseres] betaalde bedrag van EUR 6.807,00 derhalve aan als schade.

b) aflossing

5.19. In het petitum van de dagvaarding wordt weliswaar gesproken over door [eiseres] betaalde bedragen ‘voor zover die zien op rente en/of aflossing’ (primair onder 2.), maar niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] naast de maandelijkse rentebetalingen ook andere betalingen heeft verricht. Voorts staat vast dat [eiseres] geen restschuld heeft opgelopen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [eiseres] niet meer dan het hiervoor genoemde bedrag van EUR 6.807,00 aan Spaarbeleg heeft betaald.

c) gevolgschade

5.20. [eiseres] heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van gevolgschade, maar heeft op dit punt geen enkele toelichting of onderbouwing gegeven. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

5.21. Aldus moet worden vastgesteld dat [eiseres] (niet meer dan) EUR 6.807,00 aan (in beginsel) voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.

eigen schuld

5.22. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren.

5.23. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.24. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.25. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.26. Ten aanzien van [eiseres] zijn de volgende omstandigheden van belang.

[eiseres] is op [geboortedatum] geboren in Ghana en was ten tijde van het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst derhalve 47 jaar oud. Zij is in 1993 naar Nederland gekomen, na haar huwelijk met een Nederlandse man. Haar man is in 1996 overleden.

[eiseres] heeft één zoon, die in 1977 is geboren en ten tijde van het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst al meerderjarig was en op zichzelf woonde.

[eiseres] heeft verklaard dat zij na de middelbare school een cateringopleiding heeft gevolgd in Ghana. Ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan werkte zij bij Vergeer Kaas, waar zij inpakwerk deed. Haar netto salaris bedroeg destijds fl. 2.317,91

(EUR 1.051,83).

5.27. Het opleidingsniveau van [eiseres] is niet volledig duidelijk geworden, maar gezien de aard van de opleiding en gezien de functie waarin [eiseres] werkzaam is geweest, neemt de rechtbank aan dat sprake is van een vrij laag opleidingsniveau. Het inkomen van [eiseres] is eveneens laag. Zij hoeft daarvan echter alleen zichzelf te onderhouden.

Gezien het opleidingsniveau en de inkomenspositie van [eiseres] ziet de rechtbank aanleiding om iets ten voordele van [eiseres] af te wijken van het hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schaalverdeling, in die zin dat 30% van de schade voor haar rekening wordt gelaten. Dat betekent dat 70% van de schade voor rekening van Spaarbeleg komt, derhalve EUR 4.764,90 (70% van EUR 6.807,00).

5.28. De vordering van [eiseres] is niet volledig duidelijk, nu bij de aanduiding van de verschillende onderdelen van de vordering een ondergeschikte en een nevengeschikte nummering/aanduiding door elkaar zijn gebruikt en nu sommige onderdelen van de vordering gekoppeld lijken aan een enkele grondslag. De rechtbank begrijpt de vordering echter in redelijkheid aldus dat [eiseres] heeft bedoeld om ook voor de onderhavige situatie -waarin het beroep op onrechtmatig handelen van Spaarbeleg is gehonoreerd en hetgeen [eiseres] overigens aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd is verworpen- heeft bedoeld te vorderen dat de rechtbank Spaarbeleg tot schadevergoeding zal veroordelen (en niet slechts een verklaring voor recht zal geven betreffende de wijze waarop de schadevergoeding dient te worden berekend). De rechtbank zal Spaarbeleg derhalve veroordelen om het bedrag van EUR 4.764,90 aan [eiseres] te voldoen.

5.29. Anders dan Spaarbeleg stelt, is voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds 70% van de maandelijks door [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

5.30. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 234 Rv.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- overige explootkosten 0,00

- betaald vast recht 62,00

- in debet gesteld vast recht 186,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.100,87

De door [eiseres] genomen akte is bij de berekening van de proceskosten buiten beschouwing gelaten, nu daarin (vrijwel) niets is opgenomen over hetgeen waarover [eiseres] zich mocht uitlaten, doch enkel over andere onderwerpen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 4.764,90 (vierduizendzevenhonderdvierenzestig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over 70% van de maandelijks door [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst maandelijks aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.100,87, te voldoen aan de griffier,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2008.

w.g. de griffier w.g. de rechter