Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD2391

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
247147 / KG ZA 08-375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Systematiek van het vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Geschil over uitleg en omvang van de arbeidsbeperkingen ofwel het "belastbaarheidspatroon" zoals vastgesteld door de verzekeringsgeneeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 247147 / KG ZA 08-375

Vonnis in kort geding van 21 mei 2008

in de zaak van

[eiseres],

handelende onder de naam

ADVOCATENKANTOOR [eiseres],

wonende en zaakdoende te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. J.M. van Noort,

advocaat mr. [eiseres] te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

MOVIR N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. E.J. Wervelman.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Movir genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- pleitnota en producties van [eiseres]

- pleitnota en producties van Movir.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] voert als advocaat een praktijk in Rotterdam. Zij is daarin niet met anderen werkzaam.

2.2 [eiseres] heeft bij Movir een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten voor het beroep van advocaat. De voorwaarden van de verzekering houden onder meer in dat er van arbeidsongeschiktheid pas sprake is, wanneer de verzekerde zijn werkzaamheden voor het verzekerde beroep voor ten minste 25% niet meer kan verrichten.

2.3 In 2002 heeft [eiseres] een hernia-operatie ondergaan. Na deze operatie heeft [eiseres] pijn in de rug, ter plaatse van de operatie, overgehouden. In het kader van de behandeling van die pijn is [eiseres] door diverse deskundigen onderzocht en behandeld. De behandelingen hebben niet tot vermindering van de pijnklachten geleid.

2.4. In het kader van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft Movir, met instemming van [eiseres], de volgende onderzoeken laten uitvoeren:

* twee onderzoeken door [N], orthopedisch chirurg, hierna te noemen: [N], die van zijn onderzoeken op 29 september 2003 respectievelijk 10 april 2006 rapport heeft uitgebracht;

* een onderzoek door mr. [K], verzekeringsarts en medisch adviseur, hierna te noemen: [K], die van zijn onderzoek op 16 juni 2006 rapport heeft uitgebracht;

* een onderzoek door ing. [J], arbeidsdeskundige, hierna te noemen: [J], die op 3 december 2006 rapport van zijn onderzoek heeft uitgebracht;

* een onderzoek door [S], arbeidsdeskundige, hierna te noemen: [S], die op 31 mei 2007 van zijn onderzoek rapport heeft uitgebracht.

2.5. In 2006 ontving [eiseres] van Movir reeds geruime tijd een uitkering op basis van 50% arbeidsongeschiktheid. Nadat de arbeidskundige [J] in zijn onder 2.4 genoemde rapport van 3 december 2006 tot 36,5% arbeidsongeschiktheid had geconcludeerd, heeft [eiseres] tegen dat rapport bezwaar aangetekend. Movir heeft daarop met instemming van [eiseres] opdracht gegeven voor een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek, dat door [S] is uitgevoerd. In het onder 2.4 genoemde rapport van 31 mei 2007 komt [S] op 21% arbeidsongeschiktheid uit.

2.6. Bij schrijven van 6 juli 2007 heeft Movir aan [eiseres] onder meer meegedeeld dat vanaf 7 juli 2007 haar aanspraak op een uitkering was geëindigd, nu de door [S] berekende arbeidsongeschiktheid op 21% was uitgekomen en er bij minder dan 25% geen recht op uitkering meer bestaat. Daarbij heeft Movir tevens uit coulance ter overbrugging aangeboden nog tot 1 januari 2008 een uitkering op basis van 30% arbeidsongeschiktheid te blijven verstrekken.

2.7. Tegen deze beslissing van Movir heeft [eiseres] bij schrijven van 31 juli 2007 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat de arbeidsdeskundige [S] en eerder ook de arbeidsdeskundige [J] van een onjuiste lezing van het rapport van de verzekeringsgeneeskundige [K] van 16 juni 2006 waren uitgegaan.

2.8. Bij brief van 17 augustus 2007 heeft Movir en bij brief van 1 oktober 2007 heeft ook [K] zelf nader uiteengezet hoe de bestreden passages in het rapport van [K] begrepen moesten worden.

2.9. [eiseres] heeft zich met de genoemde uitleg van Movir en [K] niet kunnen verenigen en heeft zelf bij [X], revalidatiearts, hierna te noemen: [X], een expertise laten uitvoeren. [X] heeft een dossieronderzoek en een lichamelijk onderzoek verricht, waarvan hij op 9 oktober 2007 respectievelijk 18 februari 2008 rapport heeft uitgebracht.

2.10. Movir heeft per 1 januari 2008 de uitkering aan [eiseres] geheel beëindigd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - dat Movir op straffe van verbeurte van een dwangsom tot het volgende wordt veroordeeld:

a) nakoming van de verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 50;

b) hervatting, binnen een bepaalde termijn, van de daguitkering ad 50% van EUR 15,50 en het voldoen van de achterstallige daguitkeringen;

c) toekenning, binnen een bepaalde termijn, van een premievrijstelling van 50% en terugbetaling van de te veel betaalde premie;

d) betaling, binnen een bepaalde termijn, van de kosten van de deskundige prof. Stam ad EUR 505,-- voor de eerste rekening en het bedrag van de nog te ontvangen tweede rekening.

3.2. Movir voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat Movir naar redelijkheid en billijkheid niet had kunnen beslissen de arbeidsongeschiktheidsuitkering te beëindigen. Zij beroept zich daarvoor op de rapporten van [N] en [X], waaruit volgens haar blijkt dat zij voor 50% arbeidsongeschikt is. Voorts stelt zij dat het rapport van [K], waarop de arbeidsdeskundigen [J] en [S] zich hebben gebaseerd, niet juist is, althans niet juist is geïnterpreteerd, waardoor [J] en [S] tot een onjuist arbeidsongeschikt-heidspercentage zijn gekomen.

4.2. Dit standpunt van [eiseres] kan niet worden gevolgd. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3. Vooropgesteld moet worden dat het hier gaat om een verzekering waarbij de arbeidsongeschiktheid in het beroep waarvoor de verzekering geldt, is verzekerd en waarbij een recht op uitkering ontstaat wanneer de arbeidsongeschiktheid voor dat beroep 25% of meer bedraagt. Het percentage van de arbeidsongeschiktheid wordt - blijkens de onweersproken stellingen van Movir op dit punt - niet door de medici vastgesteld, doch op de volgende wijze bepaald:

1) Allereerst stelt een medisch deskundige door onderzoek vast op welke wijze de verzekerde door de ontstane klachten of stoornissen in zijn of haar functioneren wordt beperkt.

2) Vervolgens stelt een verzekeringsgeneeskundige op basis van de door de medicus vastgestelde functionele beperkingen en een eigen onderzoek vast in hoeverre de verzekerde als gevolg van die beperkingen al dan niet kan worden belast bij verrichtingen die zich bij arbeidswerkzaamheden voordoen. De beoordeling vindt plaats aan de hand van een lijst met uiteenlopende aspecten van arbeidswerkzaamheden.

3) Ten slotte maakt de arbeidsdeskundige op basis van de beperkingen in de belastbaarheid, zoals vastgesteld door de verzekeringsgeneeskundige, in een eigen onderzoek een inschatting van de mate waarin de verzekerde de werkzaamheden van zijn of haar beroep niet meer kan verrichten. Daarbij wordt nagegaan (i) welke werkzaamheden ofwel “taken” voor dat beroep verricht worden; (ii) hoeveel tijd de afzonderlijke taken in beslag nemen; en (iii) in hoeverre het uitvoeren van die afzonderlijke taken wordt beperkt door de genoemde beperkingen in de belastbaarheid. Met deze gegevens wordt vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid berekend.

4.4. In dit geval zijn rapporten opgemaakt door de medisch deskundigen [N] en [X], door de verzekeringsgeneeskundige [K] en door de arbeidsdeskundigen [J] en [S]. Het rapport van [J] is thans niet meer relevant, nu daarna met instemming van [eiseres] een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek door [S] is verricht.

4.5. [eiseres] beroept zich voor het percentage van de arbeidsongeschiktheid op het oordeel van de medisch deskundigen [N] en [X]. Hun oordeel op dat punt kan echter niet in aanmerking worden genomen. Zoals uit de onder 4.3 genoemde systematiek blijkt, zijn het niet de medisch deskundigen, die het percentage van de arbeidsongeschiktheid bepalen. Hun deskundigheid betreft het beoordelen van de functionele beperkingen die uit de geconstateerde medische stoornissen voortvloeien. Aannemelijk is dat zij niet beschikken over de deskundigheid om te kunnen beoordelen welke gevolgen die functionele beperkingen meebrengen voor de werkzaamheden die voor het verzekerde beroep verricht moeten worden. De enkele constatering dat de persoon in kwestie beperkt is in langer durend zitten of staan, brengt op zich zelf nog niet mee in welke mate die persoon daardoor wordt beperkt in de uitvoering van zijn beroepsarbeid. Om dat te kunnen bepalen, moet eerst nog - zoals onder 4.3 is vermeld - een (algemeen) “belastbaarheidspatroon” opgesteld worden door een verzekeringsgeneeskundige, die deskundig is op het gebied van de invloed van functionele beperkingen op arbeidsverrichtingen, en moet vervolgens nog door een arbeidsdeskundige beoordeeld worden welke gevolgen dat belastbaarheidspatroon meebrengt voor de werkzaamheden die voor het specifieke beroep in kwestie uitgevoerd moeten worden. Een oordeel van [N] en [X] over de mate van arbeidsongeschiktheid kan derhalve niet als een deskundig oordeel worden aangemerkt.

Overigens moet getwijfeld worden of [N] een oordeel over het percentage van arbeidsongeschiktheid heeft gegeven, nu de passage waarop [eiseres] zich beroept, veeleer de door [eiseres] zelf aangegeven situatie lijkt weer te geven.

4.6. Ten aanzien van het rapport van de verzekeringsgeneeskundige [K] stelt [eiseres] dat dit rapport onjuist is, althans dat dit door Movir, en later ook door [K] zelf, al dan niet met opzet onjuist is geïnterpreteerd. Het gaat daarbij met name om de beperkingen zoals vermeld in de beperkingenlijst ofwel het “belastbaarheidspatroon”, dat [K] bij zijn rapport heeft gevoegd. Duidelijk is dat in die lijst de beperkingen voor een leek op een cryptische wijze zijn geformuleerd. Volgens [K] in zijn reactie van 1 oktober 2007 zijn die formuleringen echter niet voor leken bedoeld, maar zijn deze bestemd om door een arbeidsdeskundige te worden gebruikt als basis voor het bepalen van de beperkingen in de beroepswerkzaamheden. Dit moet worden aangenomen, nu het rapport van [K] - blijkens de onder 4.3 vermelde systematiek - immers voor dat doel is opgesteld.

4.7. Wat de betekenis van de genoemde, door [K] in vaktermen gestelde, beperkingen betreft, moet - anders dan [eiseres] stelt - worden uitgegaan van de uitleg die [K] zelf daaraan in zijn reactie van 1 oktober 2007 heeft gegeven. Er is geen enkele aanwijzing dat bij [K] aanvankelijk een andere betekenis heeft voorgezeten. Het rapport van [K] was niet - zoals [eiseres] heeft aangenomen - bedoeld om Movir te adviseren omtrent de hoogte van de uitkering, doch slechts om de arbeidsdeskundige te instrueren. [eiseres] heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat [K] haar belastbaarheidsbeperkingen in met name zitten, staan en lopen, zoals deze beperkingen volgens [K] begrepen moeten worden, verkeerd heeft vastgesteld. Uit haar stellingen blijkt dat zij, afgezien van de door [K] aangegeven totale duur, uitgaat van diezelfde beperkingen en dat zij haar werkwijze en werkomgeving ook zodanig heeft aangepast dat zij die beperkingen bij haar werkzaamheden vrijwel steeds in acht kan nemen. Wel bestaat er verschil van mening over de totale duur van de op die wijze te verrichten werkzaamheden, nu [K] het “belastbaarheidspatroon” besluit met de conclusie dat er bij inachtneming van die belastbaarheidsbeperkingen verder geen beperkingen met betrekking tot het arbeidspatroon bestaan, terwijl [eiseres] stelt dat zij als gevolg van de pijn ook met inachtneming van die beperkingen niet meer dan halve dagen kan werken. Die stelling heeft [eiseres] echter niet aan haar bij Movir ingediende bezwaren en ook niet aan haar vordering in dit kort geding ten grondslag gelegd en zij heeft die stelling ook niet nader onderbouwd, hoewel het op haar weg ligt om tegenover het gemotiveerde oordeel van Movir de volgens haar bestaande mate van arbeidsongeschiktheid aannemelijk te maken.

4.8. Voor zover [eiseres] heeft gewezen op het feit dat Movir na het rapport van [K] nog geruime tijd de uitkering op basis van 50% arbeidsongeschiktheid is blijven doorbetalen, komt aan dat feit - anders dan zij meent - geen betekenis toe. Volgens de onder 4.3 vermelde systematiek moest immers na het rapport van [K] nog door arbeidsdeskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Echter, toen arbeidsdeskundige [J] daarover rapport had uitgebracht en [eiseres] daartegen bezwaar had gemaakt, is een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek gevolgd. Movir kon derhalve gedurende al die tijd de uitkering niet wijzigen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid nog niet vast stond.

4.9. Voor het rapport van arbeidsdeskundige [S] geldt dat, uitgaande van de beperkingen zoals die volgens [K] begrepen moeten worden, de beoordeling in dat rapport ook volgens [eiseres] niet onredelijk of onbegrijpelijk is. Nu de conclusie van dat rapport is dat [eiseres] haar werkzaamheden voor 21% niet meer kan verrichten en er eerst bij 25% een aanspraak op uitkering bestaat, moet geoordeeld worden dat Movir op goede gronden tot beëindiging van de uitkering aan [eiseres] heeft besloten.

4.10. Voor zover [eiseres] nog heeft gewezen op de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid door UWV, kan aan die beoordeling geen belang toekomen, nu daarvoor andere criteria gelden dan voor een beoordeling bij een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, waar het hier om gaat.

4.11. Nu uit het voorgaande volgt dat er voor geen van de gevraagde voorzieningen voldoende grond bestaat, zal de vordering in alle onderdelen worden afgewezen.

4.12. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van Movir worden begroot op:

- vast recht EUR 254,--

- salaris procureur -- 816,--

Totaal EUR 1.070,--

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Movir tot op heden begroot op EUR 1.070,--;

5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Delft-Baas en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.?

w.g. griffier w.g. rechter