Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD1950

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
SBR 07-1515
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijving bouwvergunning op naam van de rechtverkrijgende. Belastende wijziging van het recht. Uitzondering op de hoofdregel dat bij het nemen van de beslissing op bezwaar het recht wordt toegepast zoals dat op de moment geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/1515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2008

inzake

[eiser],

wonende te Ouderkerk aan de Amstel,

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Op 11 juni 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 8 maart 2007 gericht tegen het besluit van 15 januari 2007, waarbij verweerder heeft geweigerd de bij besluit van 5 februari 2002 aan [J.V.] verleende bouwvergunning, nr. 2001/607, over te schrijven op naam van eiser.

1.2 Bij besluit van 19 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 januari 2007 alsnog ongegrond verklaard.

1.3 Bij brief van 14 november 2007 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het op 11 juni 2007 ingestelde beroep geacht wordt mede te zijn gericht het besluit van 19 juni 2007.

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van 27 maart 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Vink, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.

Overwegingen

2.1 Nu verweerder inmiddels heeft beslist op het bezwaarschrift van 8 maart 2007 heeft eiser thans geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Eisers beroep is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. De rechtbank ziet wel aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep in zoverre heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 80,50 als kosten van verleende rechtsbijstand (1/4 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen de fictieve weigering).

2.3 De rechtbank overweegt met betrekking tot het besluit van 19 juni 2007 als volgt. [J.V.] (hierna: de vergunninghouder) heeft in 1994 een deel van het perceel [adres 1] van zijn ouders in eigendom verkregen. De bouwvergunning van 5 februari 2002 betreft het oprichten van een bedrijfswoning op het aan vergunninghouder toebehorende, aangrenzende perceel [adres 2] ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning op het deel van het perceel [adres 1], dat in eigendom van de moeder van vergunninghouder is gebleven. Aan de bouwvergunning is de voorwaarde verbonden dat de oude woning binnen één maand dient te worden gesloopt conform de overeenkomst die als bijlage bij de vergunning is gevoegd. In de betreffende overeenkomst van 12 november 2001 tussen de gemeente en de vergunninghouder verplicht laatstgenoemde zich, onder verbeurte van een boete van f 1.000,-- (€ 453,78) per dag tot een maximum van f 250.000,-- (€ 113.445,05), de op het perceel [adres 1] aanwezige bedrijfswoning te slopen binnen een maand na het gereedkomen van de nieuwe bedrijfswoning, en die verplichting in de vorm van een kettingbeding op te leggen bij vervreemding van het onroerend goed aan de rechtverkrijgenden onder bijzondere titel, onder verbeurte van een direct opeisbare boete van f 250.000,-- (€ 113.445,05).

2.4 Op 18 juni 2004 hebben eiser en de vergunninghouder een koopovereenkomst betreffende [adres 2] gesloten. De levering heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 31 augustus 2004. Op 21 februari 2005 heeft eiser verweerder verzocht om overschrijving van de bouwvergunning van 5 februari 2002 op zijn naam. Verweerder heeft dit bij zijn besluit van 15 januari 2007 geweigerd op de grondslag dat eiser geen rechtverkrijgende is van de bouwvergunning aangezien met de overdracht van de eigendom van het perceel niet het in de bouwvergunning neergelegde recht aan hem is overgedragen.

2.5 Eiser heeft aangevoerd dat het wel de uitdrukkelijke bedoeling van vergunninghouder en hem was dat de rechten uit hoofde van de bouwvergunning werden overgedragen. Om die reden heeft hij voordat de koopovereenkomst tot stand kwam van de vergunninghouder een kopie van de bouwvergunning gekregen. In de koopovereenkomst en de leveringsakte is ook gerefereerd aan het kettingbeding van 12 november 2001. In artikel I, vijfde lid, van de algemene bepalingen bij de koopovereenkomst van 18 juni 2004 is bepaald dat het verkochte zal worden overgedragen met alle daaraan verbonden rechten en bevoegdheden. Dit vormt de titel voor artikel 4 van de leveringsakte van 31 augustus 2004. Hiermee zijn volgens eiser de rechten die de vergunninghouder aan de bouwvergunning kon ontlenen aan hem verkocht en geleverd. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiser tevens naar een brief van notaris P.L.E.M. de Meijer van Lubbers en Dijk Notarissen te Amsterdam van 5 juli 2007, aan wie hij om advies heeft gevraagd met betrekking tot de vraag omtrent het al of niet overgedragen zijn van de bouwvergunning.

2.6 In artikel 8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woningwet is bepaald dat de bouwverordening voorschriften bevat omtrent de overdraagbaarheid van de bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Ingevolge artikel 10.3 van de sinds 2 maart 2006 (10e wijziging) en 26 april 2007 (11e wijziging) geldende bouwverordening van de Gemeente De Ronde Venen kan de bouwvergunning door of namens burgemeester en wethouders op aanvraag van zijn rechtverkrijgende worden overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld. Eiser is echter van mening dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 10.3 van de bouwverordening zoals dat luidde ten tijde van zijn verzoek van 21 februari 2005 tot wijziging van de tenaamstelling van de bouwvergunning. Ingevolge dat artikel wordt de bouwvergunning door of namens burgemeester en wethouders op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.

2.7 Uitgangspunt is dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar in beginsel het recht wordt toegepast dat op dat moment geldt. Dit kan anders zijn indien sprake is van een belastende wijziging van het recht. Dat is hier het geval. Ten tijde van het verzoek en ten tijde van de beslissing op bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek gold het oude artikel 10.3 van de bouwverordening dat verweerder verplichtte tot overschrijving, terwijl ten tijde van de bestreden beslissing en ten tijde van het daarbij heroverwogen primaire besluit het nieuwe artikel 10.3 gold dat verweerder een discretionaire bevoegdheid tot overschrijving geeft. In dit geval dient derhalve het oude artikel 10.3 van de bouwverordening te worden toegepast.

2.8 Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of eiser rechtverkrijgende in de zin van dit artikel is. In dat kader is van belang of bij de overdracht van het perceel aan eiser tevens het in de bouwvergunning neergelegde recht is overgedragen.

2.9 Ingevolge artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt voor de overdracht van een goed vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. In artikel 3: 84, tweede lid, van het BW is bepaald dat het goed bij de titel met voldoende bepaaldheid omschreven moet zijn. Zoals in de brief van notaris De Meijer van 5 juli 2007 is vermeld, betrof de koopovereenkomst destijds een vormvrij contract en is bepalend de bedoeling van partijen ten tijde van het totstandkomen van de koopovereenkomst.

2.10 In artikel I, vijfde lid, van de algemene bepalingen van de koopovereenkomst van 18 juni 2004 is bepaald dat het verkochte zal worden overgedragen met alle daaraan verbonden rechten en bevoegdheden, vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen, behoudens die welke ingevolge de bijzondere bepalingen door koper uitdrukkelijk zijn aanvaard. In artikel 2, aanhef en onder k, van deze bijzondere bepalingen is opgenomen dat aan koper geen andere kettingbedingen behoeven te worden opgelegd dan vermeld in de akte van 17 december 2003. In die akte is het hiervoor onder 2.3 vermelde kettingbeding opgenomen. In artikel 6, aanhef en onder b, van de bijzondere bepalingen is de verklaring van eiser opgenomen dat hij onder meer de akte van levering van 17 december 2003 en twee brieven van verweerder van 9 september 2002 heeft ontvangen. Deze brieven hebben betrekking op de bouwvergunning. Voorts is in artikel 4 van de leveringsakte van 31 augustus 2004 bepaald dat alle aanspraken die verkoper ten aanzien van het verkochte kan en of zal kunnen doen gelden tegenover derden, overgaan op de koper. In artikel 13, IV onder B, van de leveringsakte is de gehele overeenkomst van 12 november 2001 geciteerd. Daarbij is verder bepaald dat voor zover in die bepalingen verplichtingen voorkomen die verkoper verplicht is aan koper op te leggen, hij dat bij deze doet en dat een en ander bij deze door koper wordt aanvaard. Tot slot is daarbij bepaald dat voor zover het gaat om rechten die ten behoeve van derden zijn bedongen, die rechten bij deze tevens door verkoper voor die derden zijn aangenomen.

2.11 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het aan de bouwvergunning te ontlenen recht overeenkomstig de bedoeling van eiser en vergunninghouder deel uitmaakt van de koopovereenkomst en daarbij voldoende is bepaald en dat dit recht bij de leveringsakte aan eiser is overgedragen. Eiser is dus rechtverkrijgende als bedoeld in artikel 10.3 van de bouwverordening.

2.12 Dit betekent dat de weigering van verweerder tot overschrijving van de bouwvergunning op naam van eiser op een onjuiste grondslag is gebaseerd en dat verweerder gehouden is de aanvraag van eiser van 21 februari 2005 te honoreren. Het bestreden besluit op bezwaar van 19 juni 2007 dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikel 10.3 van de bouwverordening zoals dat ten tijde van de aanvraag luidde. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van het voorgaande.

2.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 19 juni 2007 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2007 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 juni 2007 gegrond;

3.3 vernietigt het besluit van 19 juni 2007;

3.4 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

3.5 bepaalt dat de gemeente De Ronde Venen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 724,50 te betalen door de gemeente De Ronde Venen.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2008.

De griffier: De rechter:

mr. S. Meurs mr. G.J. van Binsbergen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.