Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD1567

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
218682/ HA ZA 06-2164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering niet verifieerbaar, beoordeling of sprake is van boedelschuld ogv "toedoen"criterium. I.c. niet het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 218682 / HA ZA 06-2164

Vonnis van 14 mei 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B. VAN HATTEM B.V.,

gevestigd te Dodewaard,

eiseres tot verificatie,

procureur mr. H. van Dijk,

tegen

Mr. JACOB AART ANTHONIE BOERS

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de heer [naam] en mevrouw [naam],

kantoorhoudende te Veenendaal,

verweerder tot verificatie,

procureur mr. J.A.A Boers.

Partijen zullen hierna Van Hattem en de curator genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 mei 2007

- de akte aan de zijde van Van Hattem

- de antwoordakte van de curator.

1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

1.3. De rechter, die het tussenvonnis van 30 mei 2007 heeft gewezen, heeft dit vonnis om organisatorische redenen niet kunnen wijzen.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij het tussenvonnis van 30 mei 2007 (verder "het tussenvonnis") en bouwt daarop voort. In het tussenvonnis is bepaald dat Van Hattem in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de bij conclusie van dupliek aangevoerde stelling van de curator dat de vordering van Van Hattem is ontstaan ná het faillissement van [failliet] en dat om die reden de vordering niet verifieerbaar is.

2.2. In haar reactie betwist Van Hattem de stelling dat de vordering na het faillissement zou zijn ontstaan, omdat de stierenpremie betrekking heeft op stieren die in de periode 4 februari 2004 tot en met 18 februari 2004, dus vóór de faillissementdatum van 28 april 2004, zijn afgevoerd. Om in aanmerking te komen voor een slachtpremie van Laser dienen bovendien premiegerechtigde runderen vooraf bij Laser te worden aangemeld. Van Hattem stelt dat vanaf het moment van aanmelding en bij goedkeuring het recht op premies ontstaat. Dat de effectuering door Laser van het recht op de premie geruime tijd in beslag neemt doet niet af aan de al aanwezige gerechtigheid op deze premies, aldus Van Hattem.

2.3. Tussen partijen staat vast dat Laser eerst op 1 april 2005 een eindbeschikking heeft genomen over de toekenning van de slachtpremie. Ook staat vast dat op 1 december 2004, vooruitlopend op de te nemen eindbeschikking, een voorschot is vastgesteld. Dit betekent dat vaststelling dat er recht op een premie was eerst op genoemde data heeft plaatsgevonden. De overeenkomst van 1 september 2003 tussen [failliet] en Van Hattem, zoals deze in r.o. 4.5 van het tussenvonnis is geduid, bevatte derhalve een voorwaardelijke verbintenis aangaande de slachtpremies. De vervulling van de voorwaarde was echter afhankelijk van een toekomstige onzekere gebeurtenis, namelijk de vaststelling door Laser van (de omvang van) de uit te keren premies in het geval de runderen zouden worden geslacht. Uit het verzorgingscontract volgt immers niet dat verzorging van de runderen met het oog op de slacht was aangegaan. Deze als toekomstig te kwalificeren vordering van Van Hattem op [failliet] is eerst op 1 december 2004 en 1 april 2005 een bestaande vordering geworden (zie ook conclusie AG bij HR 4 juni 2004, LJN: AO5665, C03/063 HR). Nu beide data na de faillissementsdatum van 28 april 2004 vallen, betekent dit dat de vorderingen niet verifieerbaar zijn.

2.4. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis ook reeds in overweging genomen dat, vanwege het toedoen van de curator, de vordering van Van Hattem wellicht als boedelschuld kan worden aangemerkt. Ook hierover zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten.

Door de curator is in zijn antwoordakte gesteld dat hij ten tijde van zijn correspondentie met Laser en de ABN AMRO bank niet op de hoogte was van een afspraak tussen [failliet] en Van Hattem inzake de afdracht van de premies. Van Hattem heeft zelfs in die periode het voorschot van Laser dat op zijn rekening was overgemaakt terugbetaald aan Laser. Eerst bij de eis tot verificatie is de verklaring van 1 september 2003 van [failliet] aangaande de premies overgelegd en vervolgens eerst bij repliek de niet gedateerde verklaring van [failliet] inzake de slachtpremies.

De rechtbank is van oordeel dat in een situatie als de onderhavige waarbij de curator heeft gehandeld bij gebrek aan wetenschap dat tussen Van Hattem en [failliet] een afspraak over de premies waren gemaakt, niet van toedoen door de curator, in de zin van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling waardoor de verplichting is ontstaan, kan worden gesproken. De curator heeft onder de genoemde omstandigheden niets anders gedaan dan wat in een dergelijk geval op grond van zijn taakvervulling van hem mag worden verwacht, namelijk zorgdragen dat Laser de premies op de faillissementsrekening uitkeerde.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder de curator heeft gehandeld er geen sprake is van een boedelschuld op grond van het toedoen-criterium. Van een boedelschuld op grond van de wet is geen sprake. In het onderhavige geval is ook geen sprake van een onverschuldigde betaling die het gevolg is van een onmiskenbare vergissing, nu uitsluitend [failliet] als enige over een UBN nummer beschikte, hetgeen voorwaarde was voor een uitkering door Laser.

2.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Van Hattem niet voor verificatie in aanmerking komt en ook niet als boedelschuld kan worden gekwalificeerd. De vordering wordt derhalve afgewezen.

2.7. Van Hattem zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.208,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt Van Hattemin de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 1.208,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.E. Bethlem en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2008.

w.g. griffier w.g. rechter