Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD1171

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
16-600610-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor mishandeling en bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600610-07 en 07/461034-06 (tul)

Datum uitspraak: 23 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein.

Raadsman: mr. S.D. Kurz.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. Primair

hij op of omstreeks 03 juni 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een steek- en/of snijwond in de (rechter)arm van ongeveer vijf centimeter diep en/of twee centimeter breed), heeft toegebracht, door voornoemde [aangever 1] opzettelijk met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp te steken;

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 juni 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [aangever 1] met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp in zijn (rechter)arm heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 03 juni 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 1] met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp heeft gestoken, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel (te weten een steek- en/of snijwond in de (rechter)arm van ongeveer vijf centimeter diep en/of twee centimeter breed), heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

2. (parketnummer 16/600403-07)

hij op of omstreeks 07 april 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [aangever 2] (gericht) een mes voorgehouden, althans getoond en/of (daarbij) (schreeuwend) onverstaanbare woorden toegevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Met name is de rechtbank niet gebleken dat het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen dermate ernstig was, dat dit zwaar lichamelijk letsel op zou leveren. Ook is niet gebleken dat de wijze waarop verdachte de aangever met het mes heeft geraakt een groot risico op zwaar lichamelijk letsel zou opleveren.

De bewezenverklaring

Ten aanzien van feit 1:

Aangever [aangever 1] verklaart dat hij op 3 juni 2007 op de trap van het stadhuis in Utrecht zat toen er een zwerverstype naast hem kwam zitten. De man begon hem lastig te vallen, waarop aangever hem verzocht weg te gaan. Vervolgens pakte de man een mes uit zijn zak, en klapte het mes open. Met het mes maakte hij stekende bewegingen in de richting van aangever. Hierna ontstond een korte worsteling waarbij aangever is gevallen. Toen hij opstond, zag hij dat de man weer op hem af kwam en met het mes dreigde. Een jonge vrouw deed haar vest over het mes en wees aangever erop dat hij hevig bloedde.

Op 3 juni 2007 heeft een geneeskundige geconstateerd dat aangever op zijn rechter onderarm een snijwond van twee centimeter breed had. Op 4 juni 2007 heeft aangever [aangever 1] tegenover de politie verklaard dat hij nog veel wondpijn had.

Ter plaatse hield de politie een zwerverachtig type aan die werd vastgehouden door een andere man. De verdachte bleek genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats].

Getuige [getuige 1] verklaart dat hij zag dat de zwerver een mes in zijn handen had en stekende bewegingen maakte in de richting van de arm van de man waar hij naast was gaan zitten. De getuige zag dat er bloed uit de arm van die man kwam.

Getuige [getuige 2] zag dat de zwerver een uitgeklapt mes in zijn hand had en gerichte, stekende bewegingen maakte in de richting van de nette man. Later zag ze dat de nette man gewond was.

Ten aanzien van feit 2 (parketnummer 16/600403-07):

Aangever [aangever 2] verklaart dat hij op 7 april 2007 omstreeks 12.10 uur met zijn vriendin in het Wilhelminapark te Utrecht liep toen een man hem aansprak. De man praatte onzin en werd verbaal agressief. Hij begon te schreeuwen, maar aangever kon niets verstaan. Toen zag aangever dat de man een mes tevoorschijn haalde en in zijn rechterhand voor zich hield in de richting van aangever. De man is met het mes dichterbij gekomen. Aangever is achteruit gelopen, anders had de man hem met het mes kunnen raken.

Getuige [getuige 3] verklaart dat de man op haar vriend [aangever 2] afliep en dat ze zag dat hij een voorwerp in zijn hand had dat haar deed voorkomen als een mes. De afstand tussen de man en haar vriend bedroeg ongeveer 50 centimeter. Ze hoorde niet wat de man zei, maar vond de situatie erg bedreigend.

Verdachte verklaart dat hij op 7 april 2007 omstreeks 12.10 uur in het Wilhelminapark aanwezig was en een mes bij zich had.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1. Meer subsidiair

hij op 3 juni 2007 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 1] met een mes heeft gestoken, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel, te weten een snijwond in de rechterarm van ongeveer twee centimeter breed, heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2. (parketnummer 16/600403-07)

hij op 7 april 2007 te Utrecht, [aangever 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [aangever 2] een mes getoond en daarbij schreeuwend onverstaanbare woorden toegevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte is op 4 april 2008 een Pro Justitia-rapport uitgebracht door C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog, en S.M. Penning, psychiater, naar aanleiding van een observatie in het Pieter Baan Centrum.

De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat de beslissing verdachte te doen observeren onrechtmatig is genomen, nu verdachte op de zitting van 30 augustus 2007 niet op deze beslissing is gehoord, omdat hij uit de zittingszaal verwijderd was. Hij heeft daartoe een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2007, LJN BA 5025.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte is ter terechtzitting van 30 augustus 2007 in persoon verschenen. Op deze zitting was een aan hem toegevoegde advocaat aanwezig. Verdachte heeft destijds aangegeven geen prijs te stellen op bijstand van deze advocaat of een andere advocaat, omdat hij zichzelf wilde verdedigen. Vervolgens heeft de toenmalige voorzitter verdachte – na diverse waarschuwingen dat hij uit de zaal zal worden verwijderd indien hij niet rustig zou worden – bevolen zich ex artikel 273 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) uit de zittingszaal te verwijderen. Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van verdachte, die ook kort het woord heeft gevoerd over de vordering van de officier van justitie om verdachte ter observatie in het Pieter Baan Centrum te plaatsen. De rechtbank heeft hierop buiten aanwezigheid en in aanwezigheid van een advocaat van verdachte een bevel ex artikel 317 WvSv gegeven en de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden zijn recht om te worden gehoord op de vordering ex artikel 317, tweede lid WvSv heeft verspeeld. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verdachte door aan te geven dat hij de aanwezigheid van een advocaat niet op prijs stelde tevens de mogelijkheid van rechtsbijstand op die zitting onbenut heeft gelaten.

Vergelijking met het door de raadsman genoemde arrest gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op nu verdachte – gelet op de behandeling van deze zaak door deze rechtbank ter zitting van 9 april 2008 en ondanks het feit dat hij wederom uit de zittingszaal is verwijderd – bij monde van zijn advocaat in de gelegenheid is gesteld het woord ter verdediging te voeren.

Dit houdt in dat de beslissing ex artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering van 30 augustus 2007 in stand blijft. De rechtbank acht deze beslissing voorts ook rechtmatig, waaruit volgt dat de rechtbank ook het Pro Justitia rapport rechtmatig en bruikbaar acht.

Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ernstige ontwikkelingsstoornis en een psychotische stoornis, die vooral wordt gekenmerkt door paranoïde waandenken en gestoorde realiteitstoetsing. Deze stoornis is vermoedelijk al lang aanwezig en lijkt zelfs chronisch van aard.

Op grond van zijn stoornissen wordt de kans op herhaling van soortgelijke feiten groot geacht. Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat de paranoïd psychotische vertekening spontaan ophoudt te bestaan of vermindert. Als verdachte geen mogelijkheden heeft zich terug te trekken, achten rapporteurs de kans op escalatie aanwezig.

Volgens rapporteurs was de ernstige ontwikkelingsstoornis aanwezig tijdens de tenlastegelegde feiten. De invloed van de psychotische stoornis ten tijde van feit 1 is echter niet geheel duidelijk geworden, waardoor rapporteurs verdachte ten tijde van dit feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar achten. Tijdens feit 2 waren beide stoornissen aanwezig en lijkt het tenlastegelegde feit te zijn voortgekomen uit de psychotische toestand. Daarom wordt verdachte ten aanzien van dit feit ontoerekeningsvatbaar geacht.

Gelet op het voorgaande, in combinatie met de pathologie van verdachte, wordt geadviseerd hem voor de duur van één jaar te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Opname in een psychiatrisch ziekenhuis biedt mogelijkheden de diagnostiek completer te maken.

De officier van justitie heeft aangegeven verdachte voor beide tenlastegelegde feiten ontoerekeningsvatbaar te achten, nu de feiten vrij kort na elkaar zijn gepleegd en hij het aannemelijk acht dat de in het rapport gestelde psychotische toestand die zich op 7 april 2007 voordeed, ook op 3 juni 2007 aanwezig was.

De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt. Tijdens de observatie is naar voren gekomen dat de psychotische stoornis van verdachte chronisch is en vermoedelijk langer aanwezig was. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat verdachte zich ook op 3 juni 2007 – derhalve een later tijdstip dan feit 2 – in een psychotische toestand bevond. Zij acht verdachte dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar ten aanzien van beide feiten.

Hieruit volgt dat verdachte niet strafbaar is voor de onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten. De verdachte moet voor beide feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering van de op te leggen maatregel

Bij de beslissing over de straf of maatregel die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door een man waar hij op de trap van het stadhuis in Utrecht naast was gaan zitten, met een mes in zijn arm te steken. Hierdoor heeft het slachtoffer een snijwond in zijn arm opgelopen. Voorts heeft hij een man in het Wilhelminapark bedreigd door hem een mes te tonen en tegen hem te schreeuwen.

Beide voorvallen vonden plaats met voor verdachte onbekende personen waarmee hij bij toeval in aanraking kwam. De rechtbank acht deze aspecten in combinatie met de bij verdachte geconstateerde stoornissen zeer verontrustend. Bovendien zorgen dit soort feiten in de samenleving voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 juni 2007 betreffend verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens bedreiging;

- een adviesrapport d.d. 30 augustus 2007 van het Leger des Heils, opgemaakt door S. Kinket, reclasseringswerker;

- het hiervoor genoemde Pro Justitia rapport omtrent verdachte d.d. 4 april 2008 van C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog, en S.M. Penning, psychiater. De inhoud en conclusie van dit rapport zijn hierboven reeds besproken. De rechtbank volgt de inhoud van dit rapport, maar wijkt van de conclusie af in die zin dat zij verdachte, zoals vermeld, in tegenstelling tot het rapport voor beide feiten volledig ontoerekeningsvatbaar acht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden afgewezen en dat het inbeslaggenomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank acht, alles afwegende, een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar passend en geboden. Hierbij heeft de rechtbank vooral rekening gehouden met het hoge recidivegevaar en de in het Pro Justitia rapport gestelde mogelijkheid om de diagnostiek tijdens een opname completer te maken.

Onttrekking aan het verkeer

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een zakmes, zal onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder feit 1 bewezenverklaarde is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zwolle van 10 november 2006 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 20 uur, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een akte is de kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op 1 augustus 2007 in persoon betekend. Uit deze kennisgeving blijkt dat de proeftijd is ingegaan op 25 november 2006.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten de hiervoor bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke werkstraf afwijzen, nu aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgelegd en tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf daarbij niet wenselijk is.

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikel 36b, 36c, 37, 57, 285, 300.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar.

Ontslaat de verdachte voor beide bewezenverklaarde feiten van alle rechtsvervolging.

Bepaalt dat geen straf wordt opgelegd.

Gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1.00 stk zakmes, kl: zwart

zwart heft en staalkleurig lemmet.

Ten aanzien van parketnummer 07/461034-06:

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis d.d. 10 november 2006.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Muller, A. Wassing en J.P.M. Schwillens, bijgestaan door mr. T. Alexander als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2008.

Mr. Schwillens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.