Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD1163

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
16-712049-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor dealen in en bezit van harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/712049-07

Datum uitspraak: 23 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Midden Holland – HvB De Geniepoort, Alphen aan den Rijn.

Raadsman: mr. S. Spans, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 8 januari 2008 te Bunschoten, althans in het arrondissement Utrecht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of een aantal pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (ook bekend als XTC), zijnde voornoemd(e) middel(en) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 januari 2008 tot en met 9 januari 2008 te Bunschoten en/of te Maartensdijk, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 134 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 48 (XTC)pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De bewezenverklaring

Verdachte is op 8 januari 2008 na observatie aangehouden bij een tankstation te Maartensdijk. Op de achterbank van de auto van verdachte zijn aangetroffen een elektronisch weegschaaltje en een plastic zakje met witte poederbrokken, vermoedelijk cocaïne. In het dashboardkastje van de auto is een zakje met 41 groene pillen met afdruk van een vogel gevonden. In de zak van een jas die in de auto lag is een papieren wikkel met wit poeder aangetroffen.

In de woning van verdachte in [woonplaats] zijn op diverse plaatsen bedragen geld in contanten – totaal € 29.740,00 – aangetroffen. Verder zijn aangetroffen een zakje met een wit brokje, een zakje met zeven groene pillen, een wikkel met wit poeder, een zakje met een brokje mogelijke cocaïne van circa 43 gram, een zakje met een papier met de tekst “30 snow seals”, een busje manitol, drie snow seals met wit poeder, een theelepel en een pasje met resten wit poeder en verpakking van een weegschaal.

De partij met monsternummer 07/159561/2, 07-159561/7, 07-159561/22, 07-159561/23 en 07-159561/43 hadden een gewicht van respectievelijk 98,39, 0,04, 0,12, 2,05 en 33,33 gram en gaven een positieve kleurreactie voor cocaïne. De partijen met nummers 07-159561/9 en 07-159561/45, die bestonden uit respectievelijk 41 en 7 groene pillen die een positieve reactie gaven voor MDMA.

Uit de NFI rapporten blijkt dat monsternummers 07-159561/9 en 07-159561/45 MDMA bevatten. Monstenummers 07-159561/2, 07-159561/7, 07-159561/22, 07-159561/23 en 07-159561/43 bevatten cocaïne.

Diverse gebruikers van verdovende middelen hebben verklaard dat zij al een jaar cocaïne en/of XTC van verdachte hebben gekocht. Zij verklaren dat zij € 20,00 betaalden voor een halve gram cocaïne en per XTC-pil tussen de € 1,50 en € 2,00. Zij verklaren dat verdachte iets door de cocaïne deed en dat een halve of een hele gram eigenlijk iets minder woog.

Door de financiële recherche wordt geconcludeerd dat het bedrag van € 29.740,00 dat in contanten in de woning van verdachte is aangetroffen, afkomstig moet zijn van de handel in cocaïne. Er is op basis van verklaringen van afnemers berekend dat de verdiensten van deze handel in één jaar circa €38.471,00 moeten zijn geweest.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gedeald in XTC en cocaïne en dat hij in zijn woning en auto cocaïne en XTC-pillen had liggen. Om de drugs te halen ging hij naar Hoek van Holland. Verdachte heeft aangegeven dat de prijzen die zijn klanten hebben genoemd, kloppen. De pillen verkocht hij per vijftig stuks voor twee euro of één euro vijftig per pil.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 8 januari 2008 te Bunschoten, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en een aantal pillen bevattende MDMA, ook bekend als XTC, zijnde voornoemde middelen telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 8 januari 2008 tot en met 9 januari 2008 te Bunschoten en te Maartensdijk, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 134 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 48 XTC-pillen bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van een jaar met hoge frequentie gehandeld in cocaïne en XTC-pillen. Daarnaast zijn er ook cocaïne en XTC in zijn woning en auto aangetroffen.

Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in het verkeer brengen van deze harddrugs, waarvan het gebruik onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt. Voorts gaan de verspreiding van en handel in deze middelen gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan verdovende middelen.

In het nadeel van verdachte betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verdachte blijkens een uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 10 januari 2008 eerder is veroordeeld voor handel in harddrugs en dat verdachte ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen te hebben ingezien.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op ondermeer een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 25 maart 2008, opgemaakt door G. van der Hooft, reclasseringswerker. In dit rapport is vermeld dat het leven van verdachte een zorgelijk beeld laat zien en hij nauwelijks enig verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van het gepleegde delict laat zien.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft hij gevorderd het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd te verklaren.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 29.740,00 dat aan verdachte toebehoort, zal worden verbeurd verklaard, aangezien aannemelijk is dat dit geldbedrag door middel van het onder 1 bewezenverklaarde is verdiend. Ter terechtzitting heeft verdachte geen andere herkomst van het geld aannemelijk kunnen maken.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve de reeds genoemde wettelijke bepalingen, zijn de volgende wetsartikelen van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 33, 33a, 57;

Opiumwet: artikel 10.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWEE JAAR.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd: een geldbedrag van € 29.740,00.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Muller, A. Wassing en J.P.M. Schwillens, bijgestaan door mr. T. Alexander als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2008.

Mr. Schwillens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.