Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0653

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
520283 UC 07-5532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. SprintPlan-overeenkomst. Minderjarige deelnemer. Schending van de zorgplicht. Causaal verband en schadeverdeling. 30% van de schade komt voor rekening van Spaarbeleg, 70% blijft voor rekening van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 520283 UC 07-5532 AW

vonnis d.d. 23 april 2008

inzake

[eiseres], wonende te [woonplaats], verder te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: aanvankelijk mr. C.J. Schuurman, thans mr. A.L.M. van Uden, beiden advocaat te Meerssen,

tegen:

de naamloze vennootschap AEGON BANK N.V., tevens h.o.d.n. Spaarbeleg, statutair gevestigd te Utrecht, kantoorhoudend te Nieuwegein, verder ook te noemen Spaarbeleg,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.W.G. van der Velden en mr.drs. G.F.E. Koster, beiden advocaat te Amsterdam,

rolgemachtigde: F. Kruythof, gerechtsdeurwaarder te Utrecht.

Verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 13 februari 2008. Partijen hebben voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht. De comparitie is gehouden op 21 maart 2008. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald. Spaarbeleg heeft bij brief van 14 april 2008 gereageerd op het proces-verbaal. Die brief is bij de stukken gevoegd.

Het geschil en de verdere beoordeling daarvan

De zorgplicht

1. [Eiseres] heeft aangevoerd dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust jegens de particuliere potentiële deelnemer aan het SprintPlan. Deze stelling is juist. Spaarbeleg was in de precontractuele fase, als bij uitstek professioneel en deskundig dienstverlener op het terrein van beleggen in effecten, jegens haar particuliere, niet professionele cliënten tot een bijzondere zorgplicht gehouden. Uit deze zorgplicht vloeit voort dat Spaarbeleg niet aan het tot stand komen van de overeenkomst had mogen meewerken zonder de potentiële deelnemer met nadruk en in niet mis te verstane woorden te wijzen op de bijzondere risico’s van beleggen met geleend geld in het algemeen en van het SprintPlan in het bijzonder (de plicht tot het verstrekken van informatie) en zonder zich ervan te hebben vergewist dat de overeenkomst met haar denkbare consequenties in redelijke verhouding zou staan tot de financiële en overige omstandigheden van de potentiële deelnemer en met de verwachtingen die deze van zijn investering koesterde (de plicht tot het inwinnen van informatie). Vergelijk voor dit oordeel ook de uitspraken van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 en van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 (LJN AZ7033), van 1 maart 2007 (LJN AZ9722) en met name van 15 november 2007 (LJN BB7971). Dat SprintPlan - zoals Spaarbeleg aanvoert - in tegenstelling tot andere, vergelijkbare producten een garantiewaarde kent waardoor het risico dat de deelnemer loopt zich beperkt tot het mogelijke verlies van de maandelijkse inleg, kan niet tot een ander oordeel leiden, temeer daar bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst of verlaging van de maandelijkse inleg deze garantiewaarde komt te vervallen, terwijl de deelnemer bij tussentijdse beëindiging ook nog een boeterente verschuldigd wordt.

De kantonrechter is voorts met de sector handels- en familierecht van deze rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de reikwijdte van de zorgplicht geen onderscheid gemaakt moet worden tussen elementen van geldlening en van belegging in de SprintPlan-overeenkomst, nu deze elementen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De plicht tot het inwinnen van informatie strekt zich om die reden niet slechts uit tot de inkomens- en vermogenspositie van een potentiële deelnemer, maar ook tot diens beleggingsdoelstelling en –ervaring.

2. Spaarbeleg heeft voorafgaand aan de comparitie kopieën toegezonden van de samenvatting van de algemene voorwaarden die volgens Spaarbeleg was afgedrukt op de achterzijde van de twee inschrijfformulieren die door de vader van [eiseres] zijn ingevuld (Spaarbeleg heeft de vader van [eiseres] gevraagd een tweede inschrijfformulier in te vullen en te retourneren omdat het eerste formulier niet alle benodigde gegevens bevatte). [Eiseres] heeft slechts bij gebrek aan wetenschap betwist dat deze samenvatting deel uitmaakte van het inschrijfformulier. Ter zitting heeft Spaarbeleg toegelicht dat op alle soortgelijke door haar gebruikte inschrijfformulieren op de achterzijde een samenvatting van de algemene voorwaarden was afgedrukt (zie ook hetgeen daaromtrent is overwogen in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007, LJN: BB7971). De kantonrechter aanvaardt de stelling van Spaarbeleg daarom als juist dat deze samenvatting van de algemene voorwaarden ook was afgedrukt op de achterzijde van de door de vader van [eiseres] ingevulde twee inschrijfformulieren.

Voorts staat vast dat de vader van [eiseres] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst beschikte over een SprintPlan-brochure. Spaarbeleg heeft bij antwoord een brochure overgelegd die is gedateerd “april ‘99” en heeft gesteld dat dit de brochure is die de vader van [eiseres] omstreeks september 1999 thuis heeft ontvangen. De vader van [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat hij zich herinnert dat de brochure die hij heeft gezien een ander formaat had en dat deze blauw was. De kantonrechter constateert dat niet gesteld of gebleken is dat die brochure een andere inhoud had dan het door Spaarbeleg overgelegde exemplaar. De kantonrechter zal daarom van de inhoud van dat exemplaar uitgaan.

3. De kantonrechter is van oordeel dat Spaarbeleg gelet op voornoemd informatiemateriaal voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager zou kunnen zijn dan het totaal van de ingelegde maandelijkse termijnen of zelfs nihil, en dat bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst of verlaging van het maandbedrag wel degelijk kans bestaat op een restschuld. De brochure vermeldt weliswaar dat de deelnemer risico loopt met betrekking tot de maandelijkse rentebetalingen en dat bij tussentijdse beëindiging de garantiewaarde komt te vervallen en een boeterente verschuldigd wordt, deze terloopse opmerkingen vallen echter in het niet bij het geheel van de wervende teksten waaruit de brochure is opgebouwd. Bovendien wordt door Spaarbeleg in het geheel niet ingegaan op de vraag hoe groot het risico is dat de deelnemer loopt met het product SprintPlan. De potentiële deelnemer diende de verschillende informatie te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico’s van het product geheel te kunnen doorgronden.

Ter zitting heeft de vader van [eiseres] toegelicht dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst nog advies heeft ingewonnen bij een inspecteur van Aegon, die langskwam bij de bankinstelling waar de vader van [eiseres] destijds werkzaam was. De vader van [eiseres] stelt de inspecteur op de hoogte te hebben gebracht van zijn bedoeling om te sparen voor de toekomstige studie van zijn 12-jarige dochter en hem de brochure van SprintPlan te hebben getoond. De inspecteur zou het product SprintPlan hebben geadviseerd en daarbij hebben gegarandeerd dat dit product een betere opbrengst zou hebben dan een spaarrekening. Ook heeft de vader van [eiseres] aangevoerd dat Eurlings hem heeft gezegd dat bij het product SprintPlan de maandelijkse inleg te allen tijde gegarandeerd was. Spaarbeleg heeft de volgens [eiseres] door de inspecteur en Eurlings gedane uitlatingen bij gebrek aan wetenschap betwist. [Eiseres] heeft van haar stellingen geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Wat daarvan ook zij, niet is komen vast te staan dat de inspecteur van Spaarbeleg of Eurlings in deze gesprekken zich ervan hebben vergewist of de vader van [eiseres] zich bewust was van de risico’s van het product SprintPlan of dat zij hebben geïnformeerd naar zijn persoonlijke en financiële omstandigheden.

Geconcludeerd moet worden dat Spaarbeleg heeft nagelaten te verifiëren of de vader van [eiseres] uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van de risico’s had begrepen. Voorts is niet gebleken dat Spaarbeleg voor het sluiten van de overeenkomst heeft geïnformeerd naar de financiële positie van [eiseres] en haar vader of dat zij een cliëntenprofiel, hoe eenvoudig ook, heeft opgesteld. Het enkele raadplegen van het BKR is onvoldoende. Evenmin is gebleken dat Spaarbeleg de specifieke omstandigheden van [eiseres] en haar vader kende. Zij heeft daarmee dus ook geen rekening gehouden.

Causaal verband en schade

4. De kantonrechter komt tot de conclusie dat Spaarbeleg tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht in de precontractuele fase, hetgeen niet moet worden gekwalificeerd als een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van Spaarbeleg uit de overeenkomst, maar als onrechtmatig handelen van Spaarbeleg jegens [eiseres] (zie ook rechtbank Utrecht 18 oktober 2006, LJN: AZ0660 en Hof Den Bosch 5 april 2005, LJN: AT2375). Dit heeft tot gevolg dat de schending van de zorgplicht slechts kan leiden tot schadevergoeding en niet tot ontbinding van de overeenkomst (zie ook rechtbank Utrecht 18 oktober 2006, LJN: AZ0660 en Hof Den Bosch 5 april 2005, LJN: AT2375).

5. Spaarbeleg is aansprakelijk voor de als gevolg van dit onrechtmatig handelen door [eiseres] geleden schade.

Het in artikel 6:98 BW vereiste causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de schade laat zich echter niet, althans bezwaarlijk, vaststellen omdat achteraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de SprintPlan-overeenkomst tot stand zou zijn gekomen als Spaarbeleg wel aan haar zorgplicht had voldaan. Gelet op de aard van de geschonden norm en de ernst van de schending zal daarom moeten worden geschat wat de kans is dat de onderhavige overeenkomst ook bij afdoende nakoming van de zorgplicht door Spaarbeleg tot stand zou zijn gekomen en de deelnemer die zich wel bewust was van de risico’s, de kwade kansen van een koersdaling dus wenste te accepteren in het vertrouwen dat die daling zich niet zou voordoen. Indien deze kans als zeer groot moet worden aangemerkt zal Spaarbeleg niet aansprakelijk zijn voor de door de deelnemer geleden schade, indien de kans als zeer klein moet worden aangemerkt, zal Spaarbeleg de door de deelnemer geleden schade moeten vergoeden. Ten aanzien van de tussen beide uitersten gelegen gevallen is het, mede gelet op de aan art. 6:99, 6:101 en 6:248 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om Spaarbeleg onverkort alle schade te laten dragen. De vergoedingsplicht van Spaarbeleg dient in die gevallen te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan de deelnemer toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen. Deze schatting dient plaats te vinden op grond van de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de persoonlijke en financiële omstandigheden van de deelnemer en zijn beleggingservaring op het moment dat de overeenkomst werd gesloten (zie rechtbank Amsterdam, 27-04-2007, LJN: BA3916; Hoge Raad, 31 maart 2006, LJN: AU6092). Met de sector handels-en familierecht van deze rechtbank is de kantonrechter van oordeel dat die schade in beginsel voor een groter deel voor rekening van Spaarbeleg moet komen dan voor rekening van de deelnemer in die zin, dat in beginsel 60% voor rekening van Spaarbeleg komt.

In de onderhavige zaak dienen ook de financiële omstandigheden van de vader van [eiseres] in aanmerking te worden genomen nu deze de SprintPlan-overeenkomst van [eiseres] heeft gefinancierd. Daar [eiseres] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst minderjarig was en werd vertegenwoordigd door haar vader, moeten voor deze schatting de beleggingservaring en de persoonlijke omstandigheden van de vader van [eiseres] in aanmerking worden genomen.

6. Omtrent deze persoonlijke en financiële omstandigheden en beleggingservaring van [eiseres] en haar vader is door [eiseres] het volgende aangevoerd.

De vader van [eiseres] werkte ten tijde van het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst bij een klein filiaal van de Regiobank. Hij hield zich bezig met de lopende rekeningen, te weten werkzaamheden als het storten en opnemen van gelden. Hij was bekend met de geldende rentepercentages. Voorheen was hij werkzaam bij Fortis als verzekeringsconsulent in de binnendienst. Hij heeft een MAVO-diploma en heeft ten behoeve van zijn werk diverse cursussen gevolgd. Het bruto inkomen van de vader van [eiseres] bedroeg in 1999 f. 60.000,-- (€ 27.226,81). Zijn echtgenote had in 1999 inkomen uit de werkzaamheden die zij gedurende 3 maanden heeft verricht in een modezaak. Het gezin bestaat uit 3 personen. Er was een eigen woning, een hypothecaire lening en geen spaargeld of aandelen. [Eiseres] was in 1999 12 jaar oud en had geen vermogen.

Van belang is voorts dat de vader van [eiseres] ter zitting heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst samen met de inspecteur van Aegon een vijftal producten heeft besproken. Aanvankelijk adviseerde de inspecteur volgens de vader van [eiseres] het product Spaarbeurs, maar de vader van [eiseres] vond dit product niet geschikt, gelet op de lange looptijd van 12 jaar in relatie tot zijn beleggingsdoelstelling. Ook is een product aan de orde geweest dat de vader van [eiseres] niet geschikt vond omdat een groot bedrag ineens moest worden ingelegd. Uiteindelijk adviseerde de inspecteur het product SprintPlan, aldus de vader van [eiseres].

7. Gelet op het feit dat de vader van [eiseres] de bedoeling had met het product SprintPlan de toekomstige studie van zijn dochter te financieren, acht de kantonrechter de kans aanwezig dat hij de overeenkomst namens [eiseres] niet was aangegaan indien hij door Spaarbeleg uitdrukkelijk was gewezen op de bijzondere risico’s van het product, met name het risico dat bij dalende beurskoersen de inleg gedeeltelijk of zelfs geheel verloren zou kunnen gaan.

[Eiseres] heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd ter onderbouwing van haar stellingen met betrekking tot de financiële situatie van haar vader ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, terwijl eerst ter zitting is gebleken dat ook de moeder van [eiseres] inkomsten heeft gehad in 1999. [Eiseres] stelt dat het inkomen van haar vader in 1999 f. 60.000,-- (€ 27.226,81) bruto bedraagt. Bij nadere akte en ter zitting stelt zij dat dit neerkomt op € 14.500,-- netto, hetgeen zonder nadere toelichting - die ontbreekt - echter niet met elkaar te rijmen valt. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de risico’s verbonden aan het product SprintPlan voor [eiseres] in verhouding tot de financiële draagkracht van haar vader - die de overeenkomst voor [eiseres] financierde – in elk geval niet dermate hoog waren dat Spaarbeleg, indien zij wel naar de financiële omstandigheden van de vader van [eiseres] zou hebben geïnformeerd, de vader van [eiseres] van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden.

8. Met betrekking tot de toerekening van de schade aan ieder van partijen overweegt de kantonrechter als volgt.

In de onderhavige zaak ziet de kantonrechter aanleiding af te wijken van het eerder genoemde beginsel, dat 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg komt. Daartoe overweegt de kantonrechter dat - alhoewel niet is komen vast te staan dat de vader van [eiseres] beleggingservaring had - ter zitting duidelijk is geworden dat hij wist dat sprake was van een beleggingsproduct en dat hij bovendien uit hoofde van zijn beroep (verzekeringsconsulent en bankmedewerker) over een zekere kennis beschikte van financiële producten, waardoor hij zich er in elk geval van bewust moet zijn geweest dat aan beleggen, en zeker aan beleggen met geleend geld, risico’s zijn verbonden. Dat de vader van [eiseres] kennis had van financiële producten blijkt ook al uit het feit dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met de inspecteur van Aegon een vijftal verschillende beleggingsproducten heeft doorgenomen en geselecteerd op geschiktheid voor zijn beleggingsdoel. Hij was derhalve gelet op zijn kennis en werkervaring daarbij niet geheel afhankelijk van de opmerkingen van de inspecteur van Aegon.

Gelet op het hiervoor overwogene dient de schade voor 70% voor rekening van [eiseres] zelf te blijven en voor 30% voor rekening van Spaarbeleg te komen.

9. De schade bestaat uit de door [eiseres] aan Spaarbeleg betaalde maandelijkse inleg van € 5.445,36. Spaarbeleg heeft nog aangevoerd dat de vader van [eiseres] mogelijk fiscaal voordeel heeft gehad met betrekking tot de door [eiseres] aan Spaarbeleg betaalde rente tot het jaar 2001 en dat dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade verrekend moet worden. Tijdens de comparitie van partijen heeft de vader van [eiseres] verklaard dat zijn belastingaangifte door een belastingconsulent werd verzorgd en dat deze consulent op de hoogte was van de overeenkomst met Spaarbeleg. De kantonrechter neemt dan ook aan dat (de belastingconsulent van) de vader van [eiseres] de door hem en/of zijn minderjarig kind betaalde rente in de periode van 1 november 1999 tot 1 januari 2001, derhalve een bedrag van 14 x f. 200,-- = f. 2.800,-- als aftrekpost heeft opgegeven. De kantonrechter begroot het fiscale voordeel gelet op de belastingtarieven in 1999 en 2000 op 37% van f. 2.800,--, derhalve op een bedrag van f. 1.036,-- of te wel

€ 470,12. De kantonrechter oordeelt het redelijk dit door de vader van [eiseres] genoten voordeel in rekening te brengen bij de vaststelling van de door [eiseres] geleden schade. Deze schade wordt daarom vastgesteld op € 5.445,36 minus

€ 470,12 = € 4.975,24.

10. Gelet op het hiervoor overwogene dient de schade over partijen te worden verdeeld als volgt. 70% van € 4.975,24, dat is een bedrag van € 3.482,67, dient voor rekening van [eiseres] te blijven en 30% van € 4.975,24, dat is een bedrag van € 1.492,57 komt voor rekening van Spaarbeleg. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar en moet worden berekend vanaf de respectieve data van betaling door [eiseres] aan Spaarbeleg van de 60 afzonderlijke maandelijkse termijnen, steeds over een bedrag van € 24,88 per maand (dat is 30% van € 82,92, de totale maandelijkse inleg minus het fiscaal voordeel). Anders dan Spaarbeleg heeft aangevoerd treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in, omdat sprake is van een verplichting tot het betalen van schadevergoeding uit onrechtmatige daad (artikel 6:83 BW). Uit hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 13 februari 2008 volgt dat de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met de bepalingen van de WCK moet worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden dan wel wordt ontbonden alsmede dat Spaarbeleg toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst wordt eveneens afgewezen op grond van hetgeen hiervoor onder r.o. 4 is overwogen. De gevorderde verklaring voor recht dat Spaarbeleg jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld ligt voor toewijzing gereed.

11. Spaarbeleg heeft de kantonrechter verzocht de door [eiseres] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis af te wijzen in verband met een mogelijk restitutierisico. De kantonrechter ziet geen aanleiding het verzoek van Spaarbeleg in te willigen. Spaarbeleg heeft het door haar gestelde restitutierisico niet geconcretiseerd. Het belang van [eiseres] bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad weegt thans zwaarder dan het belang van Spaarbeleg bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist. Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

12. Spaarbeleg is grotendeels in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Spaarbeleg jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld;

veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.492,57 met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf de respectieve data van betaling door [eiseres] aan Spaarbeleg van 60 afzonderlijke maandelijkse termijnen groot € 24,88 per maand tot de voldoening;

veroordeelt Spaarbeleg tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 733,31, waarin begrepen € 450,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen aan de griffier van de Rechtbank Utrecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.