Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0603

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
16/602703-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van een TomTom en een GSM, vrijspraak van een poging diefstal uit een auto en poging tot afpersing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/602703-07

Datum uitspraak: 22 april 2008

Raadsman, mr. J.G.M. Dassen

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonadres], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 april 2008.

De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 06 april 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit een auto weg te nemen goederen en/of

geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s) en zich daarbij

de toegang tot die auto te verschaffen en / of die / dat weg te nemen

goederen en/of geld onder zijn / hun bereik te brengen door middel van braak

en/of verbreking, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of

(één of meer van) zijn mededader(s) een ruit van die auto ingeslagen en/of

(vervolgens) in het dashboard van die auto gevoeld, zijnde de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 06 april 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), heeft vernield en / of beschadigd

en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar tezamen en in vereniging met

zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van

die auto in te slaan;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 juli 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, op de openbare weg (Bizetlaan), ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan die [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of

hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) die [aangever 2]

(terwijl hij in een auto zat) (dreigend) een mes voor zijn keel/nek gehouden

en/of de autosleutel uit het contactslot gehaald en/of die [aangever 2] de woorden

toegevoegd: 'Geef me je geld' (althans woorden van gelijke strekking), zijnde

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 312 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 04 mei 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een Tomtom en/of GSM (Nokia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en / of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde als volgt. De verdachte wordt verdacht van een poging diefstal in/uit een auto samen met een ander dan wel de vernieling van de ruit van die auto samen met een ander. Van de van het incident gemaakte camerabeelden zijn fotoprints gemaakt, welke door twee verbalisanten zijn bekeken. De verbalisanten hebben aangegeven dat het verdachte is die op de fotoprints te zien is en dat zij hem herkennen aan zijn haardracht en de zilverkleurige scooter. De fotoprints zijn echter niet aan het dossier toegevoegd, zodat de rechtbank hiervan geen kennis heeft kunnen nemen.

Ter terechtzitting zijn de camerabeelden door de rechtbank bekeken. Op deze beelden zijn twee jongens op een zilverkleurige scooter te zien. De verdachte zou in het signalement van de bestuurder van de zilverkleurige scooter kunnen passen, maar doet dit niet op overtuigende wijze. Nu de fotoprints zich niet in het dossier bevinden, de camerabeelden geen duidelijkheid verschaffen en de verdachte ontkent iets met de poging diefstal dan wel de vernieling van de ruit te maken te hebben, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair dan wel 1 subsidiair ten laste gelegde. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft ontkend dat hij zich op 2 juli 2007 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de poging tot afpersing van [aangever 2]. Tegenover deze ontkenning staan de aangifte, de nadere verklaring van de aangever en de omstandigheid dat verdachtes vingerafdrukken op de auto van de aangever zijn aangetroffen.

De aangifte van de aangever en zijn nadere verklaring komen op verschillende, essentiële, punten niet met elkaar overeen. Zo heeft de aangever in eerste instantie verklaard dat hij de daders nooit eerder had gezien, terwijl hij later heeft verklaard dat hij de jongen van wie hij de Tomtom zou kopen kende.

Verdachtes vingerafdrukken zijn op plaatsen aangetroffen die niet passen bij het in de auto stappen van de verdachte - zoals door aangever is verklaard - maar eerder passen bij het tegen de auto aanleunen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich aan het onder 2 ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt. De verdachte dient ook van dit feit te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld, te weten dat:

hij op 4 mei 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Tomtom en GSM (Nokia), toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn mededader.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], komt het volgende naar voren. Op 4 mei 2007 te 09:30 uur zagen de verbalisanten op de Australiëlaan te Utrecht twee jongemannen rijden op een grijze snorfiets, merk Puch, type Zip en voorzien van kenteken [kenteken]. [verbalisant 2] herkende de bestuurder ambtshalve als [verdachte] en de passagier als [medeverdachte 1]. De verbalisanten zagen dat [verdachte] gekleed was in een zwarte jas en een blauwe spijkerbroek. [verdachte] is qua lengte veel korter dan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] was gekleed in een bruine jas en droeg op zijn hoofd een blauwe pet. Omstreeks 09:50 uur kregen de verbalisanten vervolgens de melding van een diefstal uit een auto, welke was gepleegd aan de Rooseveltlaan ter hoogte van de Peltstraat. De verbalisanten hoorden dat de diefstal was gepleegd door twee jongemannen met het navolgende signalement:

Dader 1: jongeman, Marokkaanse afkomst, leeftijd 17 à 18 jaar oud, lengte 1.70 à 1.75 m lang, zwart en kort haar, zwarte jas, blauwe spijkerbroek en bestuurde een grijze Puch Zip.

Dader 2: jongeman, Marokkaanse afkomst, leeftijd 18 à 19 jaar oud, lengte 1.80 à 1.85 m. lang, droeg blauwe pet met klep naar voren, bruine jas, blauwe spijkerbroek en heeft als passagier gezetten op een grijze Puch Zip.

De verbalisanten zijn vervolgens naar het hen ambtshalve bekende woonadres van [verdachte] gegaan. Met toestemming van de vader van [verdachte] hebben de verbalisanten de snorfiets van [verdachte] bekeken. Verbalisant [verbalisant 1] voelde dat de uitlaat van de snorfiets nog warm was .

Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij zijn auto op 4 mei 2007 omstreeks 08:30 uur en 09:45 uur op de Rooseveltlaan te Utrecht had geparkeerd en dat hij omstreeks 09:55 uur werd gewaarschuwd dat er politie bij zijn auto stond. Van de politie vernam aangever dat het linker portier van zijn auto openstond. Bij nader onderzoek van de auto bleek de aangever dat de TomTom van zijn baas compleet met houder was weggenomen. Tevens zag aangever dat zijn telefoon, een Nokia 6230i, kleur grijs, was weggenomen .

Naar aanleiding van de aanhouding van [medeverdachte 1] bevonden de verbalisanten zich op 4 mei 2007 in de woning van deze verdachte. Desgevraagd verklaarde de vader van de verdachte ([medeverdachte 1]) dat de verbalisanten de kamer van de verdachte mochten doorzoeken. Verbalisant [verbalisant 3] trof in het linkergedeelte van de kledingkast op de slaapkamer van de verdachte achter kleding twee mobiele telefoons aan. Beide telefoons waren van het merk Nokia en het type 6230 i. De verbalisant zag dat één van beide grijs en de andere zwart van kleur was. Beide telefoons zijn in beslag genomen .

Aangever [aangever 3] heeft in een nadere verhoor verklaard dat hij de hem getoonde mobiele telefoon van het merk Nokia 6230 I, kleur grijs, voor 100 procent als zijnde zijn mobiele telefoon herkende. Hij herkende deze mobiele telefoon aan de beschadigingen welke zich aan de buitenkant bevonden. Aangever heeft voorts verklaard dat hij zag dat de verbalisant de geheugenkaart, welke zich in de aangevers mobiele telefoon bevond, in de telefoon van de verbalisant plaatste, waarna de aangever op de telefoon van de verbalisant de map “[naam]” zag. Na openen van deze map zag aangever diverse opgeslagen foto’s. De aangever herkende de foto’s voor 100 procent als zijnde de foto’s van zijn dochters .

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een zilverkleurige scooter van het merk Puch heeft en dat het kenteken van de scooter [kenteken] is. De verdachte heeft tevens verklaard dat er op 4 mei 2007 een [medeverdachte 1] bij hem achterop de scooter heeft gezeten. Verder heeft verdachte verklaard dat hij verbalisant [verbalisant 2] kent en dat deze de wijkagent was.

Ondanks de ontkenning van zowel de verdachte als de medeverdachte is de rechtbank, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de verdachte zich samen met een ander op 4 mei 2007 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in/uit de auto van [aangever 3] van een TomTom en een telefoon. Immers hebben twee verbalisanten - waarvan er één op dat moment wijkagent was - de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] kort na de diefstal op een scooter zien rijden en namen zij waar dat zowel de verdachte, zijn medeverdachte als de scooter waarop zij reden, voldeden aan het opgegeven signalement. Voorts hebben de verbalisanten kort na de diefstal de scooter van de verdachte – waarvan hij ter terechtzitting heeft erkend dat het zijn scooter was – onderzocht en bleek de uitlaat nog warm te zijn, hetgeen impliceert dat er korte tijd tevoren op de scooter gereden was. Bij medeverdachte [medeverdachte 1] werd vervolgens de gestolen telefoon aangetroffen. Verdachte heeft tenslotte verklaard dat er op 4 mei 2007 een [medeverdachte 1] bij hem achterop de scooter heeft gezeten.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal van een TomTom en een GSM uit een auto, wat een ergerlijk feit is en de gedupeerde en/of diens verzekeraar (financiële) schade en overlast bezorgt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

• de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 februari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van

vermogensdelicten met politie in aanraking is geweest en de daarvoor aangeboden transacties heeft aanvaard;

• een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20 september 2007, opgemaakt door T. de Weerd, raadsonderzoeker waaruit -zakelijk weergegeven- het volgende blijkt. De verdachte is een jongen die veel structuur en controle nodig heeft met betrekking tot de thuissituatie, de schoolloopbaan en vrijetijdsbesteding. De zus van de verdachte heeft aangegeven dat hij slecht luistert, eigenwijs is en doet waar hij zelf zin in heeft;

• een rapport betreffende de verdachte, van Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 4 april 2008, betreffende een evaluatie plan van aanpak, opgemaakt door S. Hafsi, reclasseringswerker, waaruit -zakelijk weergegeven- naar voren komt dat de ITB+ maatregel niet naar wens verloopt, de verdachte nog geen duidelijke dagbesteding heeft en de ITB+ maatregel geen impact heeft op het doen en laten van de verdachte. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, een taakstraf in de vorm van een sociale vaardigheidstraining of een werkstraf, naast een groot deel voorwaardelijke straf met begeleiding vanuit Reclassering Nederland met een proeftijd van twee jaar.

• De verklaring van de heer S. Hafsi, reclasseringswerker, afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2008 -zakelijk weergegeven- inhoudende dat de reclasseringswerker niet weet hoe hij de verdachte op de goede weg moet krijgen, dat de verdachte zijn houding moet veranderen, de reclasseringswerker van mening is dat de verdachte zeker begeleiding behoeft en een sociale vaardigheidstraining nodig heeft.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en 1 subsidiair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

• jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 68 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact (door Reclassering Nederland);

• een werkstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Aan de verdachte wordt een lagere straf opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77i, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot JEUGDDETENTIE voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door Mr. L. Bakker-Splinter, kinderrechter en mrs. P.J.G. van Osta en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. K.D.M. Buitenweg als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2008.