Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0580

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
246495 / KG ZA 08-314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Samenwerking huisarts en een apotheker op afstand, waarbij huisarts als uitdeelpost fungeert. Niet gebleken van onrechtmatig handelen jegens lokale apotheek. Strijd met artikel 11 Besluit Geneesmiddelenwet. Relativiteitsvereiste jegens lokale apotheker ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 61
Besluit Geneesmiddelenwet
Besluit Geneesmiddelenwet 11
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2008/122
JGR 2008/15 met annotatie van Lisman

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 246495 / KG ZA 08-314

Vonnis in kort geding van 25 april 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

APOTHEEK DE BATAU B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres,

procureur: mr. P.J. Soede,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,

tegen

[X],

wonende te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur: mr. M.E.F. Bots,

alsmede in het incident tot voeging van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KONINKLIJKE MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING

VAN DE PHARMACIE,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gevoegde partij,

procureur: mr. L.J. Böhmer,

advocaat: mr. N.C. van Steijn te Leiden,

tegen

DE GENOEMDE PARTIJEN IN DE HOOFDZAAK

Partijen zullen hierna apotheek De Batau, [X] en KNMP genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van het incident tot voeging blijkt uit het volgende:

- de incidentele conclusie tot voeging met producties;

- het faxbericht van 14 april 2008 met een productie van de zijde van KNMP;

- de mondelinge behandeling op 14 april 2008;

- de pleitaantekeningen van [X], waarin opgenomen het verweer tegen de gevorderde voeging.

1.2. Nadat partijen ter zitting in het incident vonnis hadden gevraagd, is hierop terstond de hierna onder 4.2. te vermelden beslissing gegeven.

1.3. Het verloop van de hoofdzaak blijkt uit het volgende:

- de dagvaarding met producties;

- de brief van 11 april 2008 met producties van de zijde van [X];

- de twee faxberichten van 11 april 2008 en de twee faxberichten van 14 april 2004 met producties van de zijde van apotheek De Batau;

- het faxbericht van 14 april 2008 met producties van de zijde van [X];

- de mondelinge behandeling op 14 april 2008;

- de pleitnota van apotheek De Batau;

- de pleitnota van [X];

- de pleitnota van KNMP.

1.4. Partijen hebben in de hoofdzaak vonnis gevraagd.

2. De feiten

In het incident en in de hoofdzaak

2.1. Apotheek De Batau exploiteert een apotheek aan de Dukatenburg 18 te Nieuwegein voornamelijk voor de wijken Batau Noord en Batau Zuid. In Nieuwegein zijn in totaal zeven apotheken gevestigd.

2.2. [X] exploiteert sinds 2004 een huisartsenpraktijk aan de [straatnaam] te Nieuwegein in de wijk Batau. In de wijk Batau zijn in totaal vijf huisartsen gevestigd. De praktijk van [X] telt circa 5000 ingeschreven patiënten.

2.3. Tot 12 februari 2008 werden van de meeste door [X] uitgeschreven recepten voor UR-geneesmiddelen (geneesmiddelen die uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld) door apotheek De Batau aan de patiënten van [X] ter hand gesteld.

2.4. Op 6 februari 2008 heeft [X] aan zijn patiënten een mailing gestuurd met – voor zover thans van belang – de navolgende inhoud:

“Herhaalreceptuur:

Een belangrijke verandering die we vanaf 13 februari 2008 gaan invoeren betreft de herhaalreceptuur. Met het loslaten van de verplichte inschrijving bij een apotheek is er alleen optimale medicatiebewaking mogelijk als de huisarts deze verantwoordelijkheid volledig naar zich toe trekt. In de bijlage kunt u precies lezen hoe we dit vanaf 13 februari georganiseerd hebben. De belangrijkste verandering is dat u in het vervolg de medicijnen op de praktijk ophaalt en dat de ophaaltijden verruimd zijn.”

2.5. Op de in mailing van 6 februari 2008 genoemde bijlage, de ‘Bijlage herhaalreceptuur’, wordt onder meer vermeld:

“Aanvragen herhaalmedicatie:

- inleveren van doosjes met sticker bij de praktijk.

- Via onze website www.huisartsen.nl

Ophalen herhaalmedicatie:

- Indien aangevraagd voor 16.00 uur dan kunt u de medicatie de volgende werkdag op de praktijk ophalen.

Maandag t/m donderdag van 14.00 - 20.00 uur

Vrijdag van 14.00 - 18.00 uur.

Bezorgen herhaalmedicatie:

- Indien u echt niet in staat bent de medicijnen op te halen dan is er de

mogelijkheid deze te laten bezorgen. Neemt u daarvoor contact op met de praktijk.

Hebt u vragen over medicijn gebruik of gebruik van combinaties van medicamenten neemt u dan contact op met De Centrale Apotheek via telefoonnummer: 0800-4760031

!!!!!!!!

Wij verzoeken u veranderingen in medicijn gebruik door te geven aan de praktijk 030-6302020 of aan De Centrale Apotheek 088-4760031

2.6. De Centrale Apotheek (hierna: DCA) is gevestigd op een industrieterrein aan de Rodenboslaan 35 te Farsum, gemeente Delfzijl.

2.7. Apotheek De Batau heeft bij een directe mailing van 13 februari 2008 aan de haar bekende patiënten van [X] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Sinds de marktwerking in de zorg hoeft u zich niet meer verplicht in te schrijven in een apotheek. Toch is het belangrijk voor een vaste apotheek te kiezen vanwege de medicatiebewaking. Zowel voor herhaalrecepten, maar zeker ook voor combinaties met pijnstillers, antibiotica-kuren etc. Dit kan leiden tot nare, en zelfs tot riskante situaties.

Uw huisarts [X] claimt onterecht optimale medicatiebewaking te bieden.

Uw herhaalrecept wordt ongevraagd verstuurd naar een onbekende postorderapotheek.

Dit ontneemt u de vrije apotheek-keuze.

U bent eigenaar van uw herhaalrecept; uw zorgverzekeraar betaalt ervoor en U, en U alleen, maakt de keuze voor de apotheek waar u gebruik van wilt maken. Wilt u, zoals tot nu toe, van onze apotheek gebruik blijven maken, dan registeren wij u graag voor herhaalrecepten.

(…)

Vraag dan de huisarts om uw recepten, zoals vanouds, door te sturen naar apotheek de Batau of de Galecop.

(…)”

2.8. Op 9 maart 2008 heeft [X] opnieuw een mailing aan zijn patiënten gestuurd met – voor zover thans van belang – de navolgende inhoud:

“(…)

Door middel van onze mailing van 6 februari 2008 hebben wij u op de hoogte gebracht van de nieuwe ontwikkelingen binnen onze praktijk. Uit de vele (gelukkig vooral positieve) reacties die we kregen is toch gebleken dat vooral de inhoud van ons nieuwe initiatief omtrent de herhaal medicatie niet bij iedereen even duidelijk is overgekomen.

Onze excuses daarvoor !!!

Met deze mailing willen wij deze eventuele onduidelijkheden ophelderen en u nogmaals op de hoogte brengen van de uitgangspunten die onze praktijk vanaf 13 februari 2008 hanteert bij herhaal medicatie aanvragen. De praktische handleiding kunt u vinden in de bijlage.

Uitgangspunten

- Aanvragen voor herhaalrecepten worden via ons geautomatiseerde systeem doorgestuurd naar De Centrale Apotheek, een volwaardige apotheek met een landelijk draagvlak en dus geen internet apotheek. De Centrale Apotheek levert de medicijnen vervolgens aan onze praktijk af, alwaar u ze kunt ophalen. Mocht u bezwaar hebben tegen deze procedure en de middelenverstrekking liever geregeld ziet via een andere (lokale) apotheek, dan verzoeken wij u dit aan onze assistente door te geven. U houdt het dus volledig zelf in de hand of u de medicijnen via de Centrale Apotheek geleverd wil krijgen of via een andere apotheek.

- Ons initiatief betreft alleen de herhaal receptuur. 1e uitgiften gaan evenals voorheen via uw lokale apotheek.

- Wij hebben gekozen voor deze aanpak omdat we verwachten dat door deze centralisatie van functies en distributies via huisartsenpraktijken er een enorme kostenbesparing voor de gezondheidszorg te realiseren is. In onze ogen een zeer goed initiatief van De Centrale Apotheek waar we graag aan meewerken.

- Onze praktijk fungeert als uitdeelpunt van de medicijnen. U kunt erop vertrouwen dat wij de medicijnen op een zorgvuldige manier bewaren conform de door de wet gestelde eisen.

(…)”

3. Het geschil

3.1. Apotheek De Batau heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. op straffe van een na betekening van dit vonnis door [X] te verbeuren dwangsom van € 50.000,-- per overtreding van dit vonnis en € 15.000,-- voor iedere volgende keer dat dit vonnis op enigerlei wijze wederom overtreden wordt:

a. [X] zal verbieden om:

- door hem uitgeschreven recepten direct of indirect te doen toekomen aan de DCA en enige daarmee vergelijkbare landelijk opererende apotheek, en

- vanuit zijn huisartsenpraktijk UR-geneesmiddelen, in het bijzonder UR-geneesmiddelen die afkomstig zijn van DCA en enige daarmee vergelijkbare landelijk opererende apotheek, direct op indirect te verstrekken aan patiënten;

b. [X] zal gebieden te bewerkstelligen dat de bij hem in dienst zijnde artsen en/of andere voorschrijvers als bedoeld in artikel 11 Besluit Geneesmiddelenwet en/of andere in de praktijk werkzame personen zich ervan te onthouden om:

- door hen uitgeschreven recepten direct of indirect te doen toekomen aan DCA en enige daarmee vergelijkbare landelijk opererende apotheek, en

- vanuit zijn huisartsenpraktijk UR-geneesmiddelen, in het bijzonder UR-geneesmiddelen die afkomstig zijn van DCA en enige daarmee vergelijkbare landelijk opererende apotheek, direct op indirect te verstrekken aan patiënten;

c. [X] zal gebieden om zich wat betreft receptuur en zijn contacten met apotheek De Batau weer te gedragen zoals voorheen jarenlang (tot 12 februari 2008) het geval is geweest en te bewerkstelligen dat in zijn praktijk werkzame personen dat ook doen;

d. [X] zal gebieden om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis te hebben bewerkstelligd dat al zijn patiënten een brief hebben ontvangen met daarin de volgende tekst:

“Bij een op [datum] gewezen vonnis van de Voorzieningenrechter van de Utrechtse Rechtbank ben ik, [X], veroordeeld (kort gezegd) om ogenblikkelijk te stoppen met het doorsturen van recepten (waaronder met name ook herhaalrecepten) aan De Centrale Apotheek en met het vanuit mijn praktijk verstrekken van de daarbij voorgeschreven geneesmiddelen, en om weer terug te keren naar de oude situatie. Ik geef aan deze veroordeling volledig gevolg. Anders dan vermeld of gesuggereerd in mijn eerdere mailings aan u (met name de brief van 6 februari jl.), is het niet zo dat er alleen optimale medicatiebewaking mogelijk is als de huisarts deze verantwoordelijkheid volledig naar zich toe trekt. Bij de apotheek waar u tot 12 februari jl. uw geneesmiddelen placht op te halen, is de medicatiebewaking goed.”,

alsmede deze tekst prominent te doen plaatsen op de voorpagina van het huis aan huis-blad ‘De Molenkruier’ en hiervan de eerste editie na betekening van dit vonnis waarbij dat mogelijk is of – indien die plaatsing in de Molenkruier niet mogelijk zou zijn – in een vergelijkbaar huis aan huis-blad met dezelfde doelgroep;

e. [X] zal verbieden elke gedraging waarmee hij het Besluit Geneesmiddelen overtreedt;

II. in goede justitie een of meer andere onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in artikel 254 Rv zal geven;

III. [X] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [X] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van het incident tot voeging

4.1. De KNMP is de landelijke beroepsorganisatie voor apothekers. Zij stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel een goede geneesmiddelenverstrekking in Nederland te bevorderen, alsmede de behartiging van de beroepsbelangen, sociale belangen en economische belangen van haar leden.

4.2. De voorzieningenrechter heeft ter zitting mondeling de vordering van KNMP om zich in deze procedure te mogen voegen aan de zijde van apotheek De Batau toegewezen, nu KNMP, gelet op haar statutaire doelomschrijving, een voldoende belang heeft bij de voeging en van schending van de goede procesorde of belemmering van een spoedige behandeling niet is gebleken. Voor zover KNMP een gewijzigde lezing van de vordering van apotheek De Batau onder I. sub e voorstaat, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij. Het is immers op grond van artikel 217 Rv voor een voegende partij niet mogelijk een eigen rechtsvordering in te stellen.

Ten aanzien van de hoofdzaak

4.3. De spoedeisendheid van de zaak vloeit uit het gestelde voort en is in voldoende mate gebleken.

4.4. Het geschil van partijen ziet op wijziging die [X] per 13 februari 2008 in zijn huisartsenpraktijk heeft doorgevoerd wat betreft de herhaalreceptuur. Deze wijziging houdt kort gezegd in dat de patiënten de mogelijkheid wordt geboden om òfwel het uitgeschreven herhaalrecept door te laten sturen naar DCA van waaruit het betreffende geneesmiddel door een bezorgdienst wordt afgeleverd bij de huisartsenpraktijk waar de patiënt dit kan afhalen òfwel – zoals gebruikelijk – het uitgeschreven recept in te leveren bij de lokale apotheek en aldaar af te halen.

4.5. In de onderhavige procedure ligt ter beoordeling voor de vraag of deze wijziging in de huisartsenpraktijk van [X] onrechtmatig is jegens apotheek De Batau. Onweersproken is dat apotheek De Batau substantiële schade omzetschade lijdt als gevolg van de wijziging. Een groot deel van de door [X] uitgeschreven herhaalrecepten wordt thans verwerkt door DCA, welke recepten voorheen vrijwel allemaal door apotheek De Batau werd afgehandeld. Het geschil tussen partijen spits zich wat betreft de onrechtmatigheid in het bijzonder toe op de vraag of er gehandeld wordt in strijd met (i) het recht van vrije apotheekkeuze van de patiënt en (ii) artikel 11 van het Besluit Geneesmiddelenwet.

Ad i. Het recht op vrije apotheekkeuze

4.6. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of [X] in strijd handelt met het recht op vrije apotheekkeuze voorop dat een kort geding niet dient om in het verleden gemaakte fouten recht te zetten maar om een voorziening te geven die van belang kan zijn voor de toekomst. Dit betekent dat bij de beoordeling van het geschil uitgegaan zal worden van de wijze waarop thans wordt omgegaan met herhaalrecepten binnen de praktijk van [X]. De stelling van apotheek De Batau dat de inhoud van de mailings van [X] van 6 februari 2008 en 9 maart 2008 aan zijn patiënten sturend, dirigerend danwel en misleidend zou zijn, zal – wat er verder ook van deze mailings zij – om die reden in de beoordeling onbesproken blijven.

4.7. Uit de overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat, wanneer een patiënt van de huisartsenpraktijk van [X] een herhaalmedicijn wenst de bestellen, hij of zij dit kan doen via internet of door inlevering van het oude doosje op de huisartsenpraktijk. Op een sticker op het oude doosje dient te worden aangeven via welke apotheek de patiënt de medicatie wil bestellen. Ook op de internetsite van de praktijk wordt gevraagd om deze keuze. De voorzieningenrechter kan uit deze handelswijze op geen enkele wijze afleiden dat, zoals apotheek De Batau heeft gesteld, door [X] inbreuk wordt gemaakt op het recht van vrije apotheekkeuze van de patiënt. Het door apotheek De Batau aangehaalde ‘geen bezwaar’-systeem als vermeld in de mailing van 9 maart 2008 is in de wijze waarop de herhaalmedicatie thans dient te worden aangevraagd niet terug te vinden. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [X] barrières opwerpt door van zijn patiënten te eisen dat zij zich persoonlijk in de praktijk dienen te melden om hun uitdrukkelijk bezwaar tegen DCA kenbaar te maken. Het vorenstaande brengt met zich dat de stelling van apotheek De Batau dat [X] eraan meewerkt dat zij op onrechtmatige wijze wordt beconcurreerd door DCA door zoveel mogelijk uitgeschreven herhaalrecepten door DCA te laten verwerken en daarbij het recht op de vrije apotheekkeuze schendt, wordt verworpen. De voorzieningenrechter gaat wat betreft de verbrokkeling van het medicatiedossier van de patiënt mee in de stelling van [X] dat deze verbrokkeling niet een specifiek gevolg is van de samenwerking met DCA maar inherent is aan systeem waarin de verplichte inschrijving van een patiënt bij een apotheek is losgelaten.

4.8. Aan het vorengaande doet niet af dat uit de brief van 4 maart 2008 van (meer specifiek namens) mevrouw [B] aan haar zorgverzekeraar en de (ongedateerde) brief van de heer J.v.d.Z. aan [X] blijkt dat door de huisartsenpraktijk niet altijd op de juiste wijze uitvoering is gegeven aan de door de patiënt kenbaar gemaakte apotheekkeuze en recepten zonder toestemming naar DCA worden doorgestuurd. Dat dit in strijd is met de geheimhoudingsplicht en daarmee tevens inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de patiënt, behoeft geen betoog. [X] heeft ter zitting ook erkend dat er na 13 februari 2008 wat problemen zijn geweest. De voorzieningenrechter ziet in de overgelegde verklaringen echter onvoldoende grond om het vergaande verbod als door apotheek De Batau gevorderd te rechtvaardigen. Het is immers niet mogelijk om op basis van deze verklaringen vast te stellen of het daarbij gaat om enkele incidenten in de aanloopfase of een structureel probleem.

Ad ii. Artikel 11 Besluit Geneesmiddelenwet

4.9. Vervolgens komt de vraag aan de orde of [X] in strijd handelt met artikel 11 van het Besluit Geneesmiddelenwet.

4.10. In artikel 11 van het Besluit Geneesmiddelenwet is het navolgende bepaald:

Het is voorschrijvers en apotheekhoudenden verboden met elkaar rechtstreeks of indirect een overeenkomst of een andere vorm van samenwerking aan te gaan die tot gevolg heeft of kan hebben dat het ter hand stellen van UR-geneesmiddelen aan patiënten door andere overwegingen dan die van een goede geneesmiddelenvoorziening wordt beïnvloed. Voorts is het voorschrijvers verboden onderling een overeenkomst of een andere vorm van samenwerking als bedoel in de eerste volzin, aan te gaan.

4.11. In de Nota van Toelichting op het Besluit Geneesmiddelenwet is te lezen:

(…)

Het belang van de patiënt moet te allen tijde voorop staan en uitgangspunt zijn voor het handelen van deze categorieën van beroepsoefenaren.

(…)

Met artikel 11 van het onderhavige besluit is het verbod tot het aangaan van samenwerkingsvormen die niet in het belang zijn van een goede geneesmiddelenvoorzieningen, ook gericht op de voorschrijvers. Met dit verbod wordt tevens bereikt dat samenwerking tussen de beide groepen van beroepsbeoefenaren die wel in het belang is van de patiënt, buiten het verbod valt.(…)

4.12. Met betrekking tot artikel 11 staat in de Nota van Toelichting het navolgende vermeld:

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven, is er in de praktijk sprake van belangenverstrengeling, vaak van financiële aard, tussen voorschrijvers en apotheekhoudenden en tussen voorschrijvers onderling. Daardoor kan een goede geneesmiddelenzorg in het gedrang komen. Het onderhavige artikel beoogt dit te voorkomen; het verbiedt deze categorie van beroepsoefenaren samenwerkingsrelaties aan te gaan die tot gevolg hebben of kunnen hebben dat het ter hand stellen van op recept voorgeschreven geneesmiddelen aan patiënten wordt beïnvloed door andere motieven dan die van een goede geneesmiddelenvoorziening. Een goede geneesmiddelenvoorziening ziet op de kwaliteit van het voorschrijven en het ter hand stellen alsmede op betaalbaarheid van en toegankelijkheid tot geneesmiddelenzorg. Dit wordt aangeduid als rationalisering van de geneesmiddelenzorg. Indien samenwerkingsverbanden tussen de hiervoor genoemde categorieën van beroepsoefenaren invloeden hebben of kunnen hebben die geen verband houden met een goede geneesmiddelenvoorziening, zoals bijvoorbeeld het verwerven van op geld waardeerbare voordelen, zijn deze verbanden verboden.

4.13. Vaststaat dat [X] een samenwerking met DCA is aangegaan. Deze samenwerking houdt – kort gezegd – in dat, wanneer de patiënt ervoor kiest om de herhaalmedicatie geleverd te krijgen via DCA, [X] via een geautomatiseerd systeem het elektronisch recept (en de medische gegevens bij fax) doorstuurt naar DCA. De volgende dag levert een koerier van DCA de betreffende medicatie, verpakt in een gesloten papieren zak, bij de huisartsenpraktijk af. De patiënt kan zijn medicijnen vervolgens bij de assistentenbalie afhalen. Daarbij wordt door middel van een scansysteem aan DCA teruggekoppeld wanneer de medicatie aan de patiënt is uitgeleverd. [X] heeft ter zitting verklaard dat wanneer de medicijnen niet binnen een week door de patiënt zijn opgehaald, deze worden teruggestuurd naar DCA.

4.14. [X] heeft gesteld dat hij de samenwerking met DCA is aangegaan uit het oogpunt van kostenbesparing en efficiency. Volgens [X] zijn met name bij de herhaalreceptuur veel kosten te besparen omdat de lokale apotheker zoals apotheek De Batau een vergoeding van € 6,-- per receptregel ontvangt terwijl bij deze medicatie nauwelijks de expertise van een apotheker aan de pas komt.

4.15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet aannemelijk geworden dat, zoals apotheek De Batau heeft gesteld, [X] een financiële vergoeding krijgt voor het doorsturen van herhaalrecepten naar DCA. In de door apotheek De Batau overgelegde stukken, waaronder de verklaringen van een viertal apothekers, wordt weliswaar gespeculeerd over een vergoeding en gesproken over een ‘win win’-situatie, maar uit deze stukken blijkt geenszins dat [X] op dit moment daadwerkelijk een vergoeding ontvangt of voor de nabije toekomst is toegezegd. [X] heeft dit ook uitdrukkelijk betwist. Volgens [X] wordt door DCA in samenwerking met de Nederlandse Zorgautoriteit onderzocht of, en zo ja in hoeverre, extra kosten gegenereerd worden aan de kant van huisartsen, waarbij tevens wordt onderzocht of, en zo ja in hoeverre, die kosten dan op enigerlei wijze met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. In dit kader is, zo stelt [X], gesproken over de door apotheek Batau genoemde vergoeding van € 20,-- per patiënt op jaarbasis als eerste globale schatting van de extra kosten aan de kant van de huisartsen. Het vorenstaande brengt met zich dat zonder nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld of [X] er een (financieel) belang bij heeft om de herhaalrecepten van zijn patiënten naar DCA door te sturen. Voor een dergelijk nader onderzoek en eventueel daarmee gepaard gaande bewijslevering is in een kort gedingprocedure geen plaats.

4.16. Het vorenstaande laat onverlet dat, zoals KNMP uitdrukkelijk heeft betoogd, de samenwerking tussen [X] en DCA naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd moet worden geacht met het in artikel 11 van het Besluit Geneesmiddelenwet. Uit de Nota van Toelichting op het Besluit Geneesmiddelenwet, waarvan passages hiervoor zijn weergegeven onder 4.11. en 4.12., blijkt immers dat de wetgever heeft beoogd om elke vorm van samenwerking tussen voorschrijver en apotheker die niet gericht is op het belang van de goede geneesmiddelenvoorziening te verbieden. [X] heeft verklaard dat hij zijn huisartsenpraktijk als uitdeelpost voor DCA ter beschikking stelt om reden van kostenbesparing en efficiency, dit terwijl de terhandstelling van medicijnen (artikel 1 lid ll Geneesmiddelenwet) specifiek tot de deskundigheid en bevoegdheid van een apotheker behoort. In artikel 61 lid 1 Geneesmiddelwet is – kort gezegd – bepaald dat het een ieder is verboden deze geneesmiddelen ter hand te stellen met uitzondering van de apotheker, een huisarts met vergunning dan wel een daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon. Hieruit volgt dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [X] door in zijn praktijk geneesmiddelen ter hand te stellen aan patiënten een wettelijke norm schendt.

4.17. Vervolgens is de vraag of deze normschending onrechtmatig is jegens apotheek De Batau. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [X] zich in dit kader terecht beroepen op de relativiteitsnorm van artikel 6:163 BW. De in artikel 11 van het Besluit Geneesmiddelenwet neergelegde norm strekt immers tot bescherming van de belangen van de volksgezondheid en niet tot bescherming van de in het geding zijnde belangen van apotheek De Batau. De omzetschade die apotheek De Batau lijdt is niet zozeer het gevolg van de aan [X] verweten gedraging (het zijn van een uitdeelpost ten behoeve van DCA) maar veeleer het gevolg van de aan de patiënten van [X] geboden mogelijkheid om thans ook herhaalmedicatie via DCA te bestellen. Dat de terhandstelling van medicatie door DCA mogelijk niet via de huisartsenpraktijk van [X] mag lopen, brengt DCA ook niet in een meer bevoorrechte positie dan in een normale concurrentieverhouding ten opzichte van apotheek De Batau. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat [X] niet onrechtmatig jegens apotheek De Batau handelt. De vraag of de werkwijze van [X] de belangen van de volksgezondheid schendt, is ter beoordeling aan de Inspectie voor de Volksgezondheid, die dit inmiddels in onderzoek heeft.

4.18. De voorzieningenrechter zal, gelet op het vorenstaande, de vordering van apotheek De Batau en KNMP afwijzen.

4.19. Apotheek De Batau en KNMP zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeel. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op:

- vast recht € 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal € 1.070,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt apotheek De Batau en KNMP in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 1.070,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.?

w.g. griffier w.g. rechter