Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0553

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
SBR 08/1002 en 08/1146
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft vrijstelling en bouwvergunning voor oprichten van schoolgebouw (noodlokalen). Tijdelijkheid van bouwwerk onvoldoende aangetoond. Overgelegde stukken bieden onvoldoende zekerheid dat noodlokalen uiterlijk augustus 2009 zullen worden afgebroken. Het door verweerder geschetste tijdpad dat schoolwoningen in augustus 2009 gereedkomen, bevat geen concrete, objectieve gegevens en bovendien is realiteitsgehalte daarvan twijfelachtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/1002 en 08/1146

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2008

inzake

[D],

wonende te Veenendaal,

en

[R]

verzoekers 1,

[J]

wonende te Veenendaal,

verzoeker 2

tegen

de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal en Rhenen,

verweerders.

Inleiding

1.1 De verzoeken hebben betrekking op het besluit van 26 februari 2008 waarbij door verweerders aan de gemeente Veenendaal (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een schoolgebouw (noodlokalen) op het perceel [adres] (hierna: het perceel).

Het verzoek van verzoekers 1 is geregistreerd onder nummer SBR 08/1002 en het verzoek van verzoeker 2 onder nummer SBR 08/1146.

1.2 De verzoeken zijn op 18 april 2008 gevoegd ter zitting behandeld, waar verzoeker [D] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hamburger werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, en verzoeker [R] is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Hamburger voornoemd. Namens verzoeker [J] is verschenen mr. M.C. Spil, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Manen, H.G. van Olderen en M. Boers, allen werkzaam bij de gemeente Veenendaal. Voorts is ter zitting verschenen C.A. Sanders, wethouder te Veenendaal.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Het bouwplan betreft de bouw van noodlokalen voor basisonderwijs. De bouwaanvraag is op 13 november 2007 ingediend en dient ter legalisering van de reeds gebouwde noodlokalen. De noodlokalen voorzien in ruimte ten behoeve van 8 klassen van de basisscholen [X] en [Y]. Volgens de prognose van verweerder zal de behoefte aan schoollokalen in de wijk [Z] op zijn hoogtepunt zijn in de jaren 2006 tot en met 2010 en daarna weer afnemen. De instandhoudingstermijn in de bouwvergunning voor de noodlokalen is daarom gekoppeld aan de realisatie van zogenoemde schoolwoningen. Dit zijn woningen die tijdelijk voor onderwijsdoeleinden gebruikt kunnen worden en later, indien er minder schoollokalen nodig zijn, in gebruik genomen kunnen worden als reguliere woningen. De betrokken gemeenten zijn voornemens de schoolwoningen te realiseren uiterlijk medio 2009, zodat genoemde scholen ingaande het schooljaar 2009 – 2010 van de woningen gebruik kunnen maken. De noodlokalen kunnen en zullen pas worden afgebroken als de nieuwe huisvesting gereed is. Daarna zal het perceel (kavel 152) bouwrijp worden opgeleverd aan proje[E]kelaar [B.V.]. (hierna: [E]), aldus verweerders.

2.4 Het perceel is deels gelegen binnen het bestemmingsplan “[Z], plandeel oost” van de gemeente Veenendaal met de bestemming “Woondoeleinden, nader uit te werken ex artikel 11 van de WRO” en deels gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied ” van de gemeente Rhenen met de bestemming “Agrarisch gebied A”. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met deze bestemmingsplannen.

Om deze strijdigheid op te heffen hebben verweerders bij het besluit van 26 februari 2008 met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend. Aan de bouwvergunning is een instandhoudingtermijn verbonden. In de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de vrijstelling is vermeld dat die termijn eindigt op 1 augustus 2009.

2.5 Ingevolge artikel 45, eerste lid, onder b, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk bestemd om in een tijdelijke behoefte, niet zijnde bewoning, te voorzien een termijn gesteld na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.

2.6 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Onder de in artikel 19, eerste lid, van de WRO opgenomen goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

In de circulaire van de Provincie Utrecht van 4 juli 2006 in werking getreden op 1 september 2006, over de toepassing van artikel 19 van de WRO is onder meer een zogenoemde limitatieve lijst opgenomen van gevallen waarin burgemeester wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kunnen verlenen. In die lijst is onder 3.1.2, de limitatieve lijst onder B, stedelijk gebied, sub d, opgenomen dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen, voor zover hier van belang, voor het oprichten van gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van sport, maatschappelijke doeleinden recreatie of cultuur, zoals een school- of kerkgebouw (…), mits deze bebouwing en het beoogde gebruik daarvan in relatie tot de omgeving niet hinderlijk van aard is. De voetnoot bij B. “Stedelijk gebied” in de circulaire vermeldt dat hier onder stedelijk gebied wordt verstaan” die delen van de gemeenten die in het Streekplan 2005 -2015 (hierna: het Streekplan) zijn begrensd met een rode contour”.

2.8 Het betoog van verzoekers dat verweerders niet bevoegd zijn artikel 19, tweede lid, van de WRO toe te passen slaagt niet. Het perceel is gelegen binnen de op de streekplankaart aangegeven rode contouren en is dus “stedelijk gebied” als bedoeld in het Streekplan. Voorts is de bouw van een school in een woonwijk naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig hinderlijk van aard dat niet zou zijn voldaan aan de in de circulaire gestelde voorwaarde voor de toepassing van artikel 19, tweede lid. De door verzoekers gestelde geluids- en verkeersoverlast tengevolge van de aanwezigheid van de school in een rustige woonwijk dienen verweerders te betrekken in het kader van de belangenafweging bij het gebruikmaken van de vrijstellingbevoegdheid.

2.9 Naarmate de inbreuk groter is, dienen er zwaardere eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (ABRS) van 23 januari 2008 in zaaknummer 200703277/1 volgt dat daarnaast de tijdelijkheid van een project kan worden betrokken bij de vraag of de ruimtelijke onderbouwing toereikend is.

2.10 Nu in de ruimtelijke onderbouwing voor dit project is aangegeven dat het een tijdelijk bouwwerk betreft, aan de bouwvergunning een instandhoudingstermijn tot 1 augustus 2009 is gekoppeld, en de tijdelijkheid door verzoekers wordt betwist, zal allereerst worden beoordeeld of de tijdelijkheid voldoende is aangetoond.

Zoals de ABRS in bovengenoemde uitspraak heeft overwogen dient bij verlening van een tijdelijke bouwvergunning op grond van artikel 45 eerste lid, onder b, van de Woningwet de instandhoudingtermijn op dezelfde wijze gewaarborgd te worden als bij het verlenen van een tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO. Dat wil zeggen dat er concrete, objectieve gegevens voorhanden dienen te zijn die aanknopingspunten bieden om aan te kunnen nemen dat het bouwwerk niet langer dan de gestelde termijn in stand blijft.

2.11 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan deze voorwaarde niet voldaan.

Verweerders stellen dat de tijdelijkheid is gewaarborgd doordat de grond waarop de noodlokalen zijn gebouwd is verkocht aan [E], aan wie de grond in augustus 2009 geleverd moet worden. Verweerders hebben daartoe gewezen op een e-mail wisseling met [E] en een conceptovereenkomst van 18 februari 2008 tussen de gemeente Veendendaal en [E], als aanvulling op de koopovereenkomst van 27 juni 1996 betreffende het perceel.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden deze stukken onvoldoende zekerheid dat de noodlokalen uiterlijk augustus 2009 zullen worden afgebroken, zodat levering van het perceel in bouwrijpe staat kan plaatsvinden. De e-mailwisseling betreft de afspraak tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal en [E] over levering van het perceel uiterlijk op 31 augustus 2009. In de brief van 4 september 2007 van het college aan [E] wordt door het college echter het voorbehoud gemaakt dat indien overmacht en andere vergelijkbare niet te voorziene omstandigheden de tijdige beschikbaarstelling van de bouwkavels verhinderen, dit geen directe rechtgevolgen zal hebben voor deze afspraak.

De conceptovereenkomst van 18 februari 2008 tussen de gemeente Veenendaal en [E] bevat de verplichting voor de gemeente Veenendaal tot levering uiterlijk op 31 augustus 2009 van het gedeelte van het perceel dat in haar gemeente is gelegen. Voor het gedeelte van het perceel dat in de gemeente Rhenen is gelegen is opgenomen dat de gemeente Veenendaal in overleg zal treden met de gemeente Rhenen.

Vastgesteld wordt dat het een concept-overeenkomst betreft, opgesteld door de gemeente. Deze overeenkomst is door [E] niet ondertekend. Ter zitting is van de zijde van verzoekers verklaard dat [E] ook niet zal tekenen, indien daarin niet een regeling wordt opgenomen waardoor levering per genoemde datum kan worden afgedwongen, zoals bijvoorbeeld een boete. De gemeente Veenendaal is daartoe vooralsnog niet bereid.

Verder is van belang dat uit de nagezonden stukken blijkt dat de gemeente Veenendaal bij vonnis van de rechtbank van 11 april 2007 is veroordeeld tot bouwrijpe oplevering van de grond binnen drie maanden na betekening van het vonnis. In de conceptovereenkomst van 18 februari 2008 is echter opgenomen dat het doel van partijen met deze overeenkomst is dat [E] geen uitvoering geeft aan het vonnis van de rechtbank.

Volgens verweerders wordt de tijdelijkheid voorts gewaarborgd door het gereedkomen van de schoolwoningen in augustus 2009. Vanaf dat moment hebben de noodlokalen geen functie meer, omdat er dan voldoende vervangende lokalen beschikbaar zullen zijn. Verweerders hebben aangegeven dat het voornemen is de 19a-procedure spoedig op te starten, opdat Vrijstelling en bouwvergunning in juli of augustus kunnen worden verleend, waarna de bouw, die ongeveer een jaar in beslag zal nemen, meteen kan beginnen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevat het door verweerder geschetste tijdpad geen concrete, objectieve gegevens. Bovendien is het realiteitsgehalte van dat tijdpad twijfelachtig. Daarbij is ten eerste van belang dat de vrijstellingsprocedure nog moet worden opgestart. Verder is uitgegaan van het meest gunstige scenario, zowel wat betreft de vergunningverlening als voor de realisering van het project. Daarnaast is van belang dat verzoekers hebben aangekondigd zich tegen de komst van de schoolwoningen te zullen verzetten, hetgeen tot vertraging zal kunnen leiden.

2.12 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat thans onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat de noodlokalen niet langer dan de in de bouwvergunning opgenomen instandhoudingstermijn in stand zullen worden gelaten.

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het in bezwaar bestreden besluit te schorsen. Weliswaar volgt uit deze beslissing niet dat de noodlokalen uiterlijk augustus 2009 dienen te worden verwijderd, een dergelijke maatregel kan de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure niet treffen, de beslissing kan wel van betekenis zijn bij de beoordeling van de handhavingsprocedure die thans bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig is.

Overigens kan het aan het besluit klevende gebrek in het kader van de heroverweging in bezwaar worden geheeld, indien door middel van voldoende concrete, objectieve gegevens de tijdelijkheid van de bouwvergunning alsnog aannemelijk wordt gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van een door [E] getekende overeenkomst, waarin is opgenomen dat de gemeente een boete aan [E] moet betalen indien het perceel niet uiterlijk augustus 2009 bouwrijp wordt opgeleverd.

2.15 Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden van verzoekers geen bespreking.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding verweerders te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verzoekers 1 vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Voor verzoeker 2 worden deze kosten eveneens op € 644,- vastgesteld.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het besluit van 26 februari 2008 tot zes weken na verzending van de beslissing op de bezwaarschriften;

3.3 bepaalt dat de gemeente Veenendaal en de gemeente Rhenen – ieder voor de helft – de door verzoekers betaalde griffierechten ten bedrage van € 290,- (2 maal € 145,-) aan hen vergoeden;

3.4 veroordeelt verweerders – ieder voor de helft – in de kosten van verzoekers in deze gedingen ten bedrage van € 1288,-, te betalen door de gemeente Veenendaal en de gemeente Rhenen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. S. Meurs mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op: