Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0523

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
16-60410707
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken voor overtreding van artikel 6 WVW en veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 5 WVW. Verdachte heeft te Doorn een aanrijding veroorzaakt, waarbij hij een overstekende vrouw niet heeft opgemerkt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/604107-07

Datum uitspraak: 9 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats]

Raadsman: mr. A.R. Mes.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan bovengenoemde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat: Primair

hij op of omstreeks 03 april 2007 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus), daarmede rijdende over de weg, de Amersfoortseweg ter hoogte van de kruising met de Dorpsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

linksaf te slaan teneinde de Dorpsstraat in te rijden en daarbij te botsen tegen een voetgangster die bezig was de voetgangersoversteekplaats – die evenwijdig liep aan de Amersfoortseweg - over te steken,

waardoor die voetgangster, genaamd [aangever], zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het schaambeen, links en rechts, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij, op of omstreeks 03 april 2007, te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, als bestuurder van een motorrijtuig (Bestelbus), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Amersfoortsestraat ter hoogte van de kruising met de Dorpsstraat,

linksaf is geslagen teneinde de Dorpsstraat in te rijden en daarbij is gebotst tegen een voetgangster die bezig was de voetgangersoversteekplaats – die evenwijdig liep aan de Amersfoortseweg - over te steken,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vrijspraak

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde. De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank komt eveneens tot de slotsom dat niet bewezen is dat verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden. Hij dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

Het subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 waarin wordt strafbaar gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, danwel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Voor een veroordeling op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is nodig dat sprake is van een concreet, voorzienbaar, gevaar. Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 26 maart 2008 verklaard dat hij op 3 april 2007 te Doorn, op het moment dat het verkeerslicht op groen sprong, optrok en de kruising van de Amersfoortseweg met de Dorpstraat opreed om linksaf te slaan. Op het midden van de kruising moest verdachte inhouden en stond hij heel even stil. Verdachte verklaart dat hij het verkeer uit tegenovergestelde richting in de gaten hield en dat, toen daartoe gelegenheid was, hij is opgetrokken en heeft ingestuurd. Daarbij heeft hij niemand, en derhalve ook niet het slachtoffer, op de voetgangersoversteekplaats waargenomen. Gedurende een half jaar kwam verdachte, volgens zijn verklaring ter zitting, dagelijks over deze kruising, maar de verkeerssituatie dat de voetgangers tegelijkertijd groen licht kregen, had hij nimmer opgemerkt.

De getuige [getuige 1] bevestigt ter terechtzitting van 26 maart 2008 de lezing van verdachte. De getuige zag dat het verkeerslicht op groen sprong en de bestelbus voor hem optrok. De getuige had niet het idee dat de bestuurder van de bestelbus, te weten verdachte, met hoge snelheid linksaf sloeg. De getuige was bekend met het feit dat het voetgangerslicht tegelijkertijd op groen springt.

De bestuurder van een auto uit tegenovergestelde richting, [getuige 2] , verklaart dat het verkeerslicht op groen sprong en zij rechtsaf wilde gaan slaan. Daarbij zag zij een vrouw op het zebrapad haar tegemoet komen lopen. De auto van verdachte reed voor haar langs en raakte de vrouw op het zebrapad.

Het slachtoffer, [aangever], verklaart dat het voetgangerslicht op groen stond en dat zij over het zebrapad is begonnen met oversteken. Toen zij halverwege de kruising was, zag zij dat een blauwe bestelbus op haar afreed en tegen haar aan is gebotst.

Het slachtoffer heeft, blijkens de medische verklaring , haar schaambeen op twee plaatsen gebroken. Zij heeft drie weken in het ziekenhuis gelegen en elf weken in een verzorgingstehuis. Zij is inmiddels weer thuis, maar heeft nog steeds een nare zenuwpijn in haar onderrug en zal nog een lang traject moeten gaan .

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de volgende wijze dat:

hij, op 3 april 2007, te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Amersfoortsestraat ter hoogte van de kruising met de Dorpsstraat, linksaf is geslagen teneinde de Dorpsstraat in te rijden en daarbij is gebotst tegen een voetgangster die bezig was de voetgangersoversteekplaats – die evenwijdig liep aan de Amersfoortseweg - over te steken, door welke gedraging gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geen voorrang verleend aan een 81-jarige voetgangster die bij groenlicht overstak en heeft door deze verkeersfout een gevaar op de weg veroorzaakt. Dit feit heeft een ongeval tot gevolg gehad waarbij het slachtoffer zodanig gewond is geraakt dat zij lange tijd gevolgen van het ontstane letsel heeft ondervonden en nog zal ondervinden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een geldboete van € 750,00;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid als na te melden passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot betaling van een GELDBOETE van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen.

Veroordeelt de verdachte wegens het bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mrs P. Bender, voorzitter, N.V.M. Gehlen en Y.A.T. Kruyer, rechters, bijgestaan door mr. A. van Beek als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2008.