Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0170

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
SBR 08/1089
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergunning voor evenement Proef Amersfoort te schorsen. Rechter wijst verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/1089

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2008

in de zaak van

de vereniging Samenwerkende Horeca-ondernemers “Hof” Amersfoort,

gevestigd te Amersfoort,

verzoekster,

tegen

de burgemeester van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 1 april 2008 waarbij op grond van artikel 2.2.2 van de Algemene plaatselijke verordening Amersfoort 2007 (hierna: de APV) een vergunning is verleend aan de Stichting Proef Amersfoort (hierna: vergunninghoudster) voor het onder voorwaarden organiseren en mogen houden van het evenement Proef Amersfoort op de Hof in de binnenstad van Amersfoort van 30 april 2008 tot en met 3 mei 2008.

1.2 Het verzoek is op 18 april 2008 ter zitting behandeld, waar verzoekster is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verzoeker], bijgestaan door mr. F.A. Weijzen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Visser, werkzaam bij de gemeente Amersfoort. Vergunninghoudster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [bestuurslid Proef], bestuurslid van de Stichting Proef Amersfoort.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ter zitting heeft verzoekster het verzoek voor zover dit is ingediend namens een aantal individuele ondernemers aan de Hof, ingetrokken. Thans staat enkel het verzoek van verzoekster als rechtspersoon ter beoordeling.

2.4 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, gelet op de formulering van de statuten van verzoekster, moet worden betwijfeld of het bezwaar is ingediend door daartoe bevoegde personen. Voor zover verweerder daarmee heeft willen betogen dat verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet. Volgens recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS), waaronder de uitspraken van

23 augustus 2006 (www.rechtspraak.nl, LJN: AY6762), 8 augustus 2007 (www.rechtspraak.nl, LJN: BB1315) en 5 maart 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BC5800), komt een vereniging die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, tenzij het tegendeel blijkt. Volgens haar statuten stelt verzoekster zich onder meer ten doel het vertegenwoordigen en het behartigen van de belangen van horecaondernemingen aan de Hof te Amersfoort. Aangezien buiten twijfel is dat verzoekster in dit geval opkomt voor de gemeenschappelijke belangen van haar leden, wier belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtstreeks bij het in bezwaar bestreden besluit zijn betrokken, dient zij te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het verzoek is dan ook ontvankelijk.

Voorts is de voorzieningenrechter uit de notulen van de vergadering van 7 april 2008 van verzoekster gebleken dat de ledenvergadering heeft besloten gerechtelijke stappen te ondernemen tegen bedoelde evenementenvergunning en is het verzoekschrift ondertekend door de voorzitter en de secretaris van verzoekster, hetgeen, gelet op artikel 11 van de statuten van verzoekster, toereikend moet worden geacht.

2.5 Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

d. de zedelijkheid of gezondheid.

2.6 Een evenementenvergunning kan derhalve slechts worden geweigerd op een van de in het tweede lid van artikel 2.2.2 van de APV genoemde gronden. Daarbij komt verweerder blijkens de formulering van het artikel beoordelingsvrijheid toe. Gelet hierop dient het besluit van verweerder marginaal getoetst te worden. Voorts volgt uit de limitatieve opsomming van weigeringsgronden dat de gronden met betrekking tot omzetverlies en de wenselijkheid om uit te wijken naar een andere plaats of datum, nu deze niet onder deze opsomming vallen, niet tot onrechtmatigheid van het besluit kunnen leiden. Zij zullen dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

2.7 Verzoekster betwijfelt ernstig of bij het gelijktijdig houden van Proef Amersfoort en de viering van Koninginnenacht en -dag in de binnenstad van Amersfoort de veiligheid kan worden gewaarborgd en de openbare orde kan worden gehandhaafd. Volgens verzoekster zorgt de combinatie van deze evenementen voor een overbelasting van de binnenstad en zal de Hof in geval van calamiteiten (nagenoeg) onbereikbaar zijn voor politie en brandweer.

2.8 Niet kan worden ontkend dat het vergunde evenement in combinatie met de viering van Koninginnenacht en -dag een duidelijke belasting vormt voor de binnenstad van Amersfoort. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de omstandigheid dat Hemelvaart, traditioneel het weekend waarin Proef Amersfoort plaatsvindt, en Koninginnedag samenvallen, heel bijzonder en zeker niet ideaal is. Aan de vergunning zijn echter voorwaarden verbonden om de belasting voor de omgeving te beperken en de veiligheid te waarborgen. Zo dient het definitieve veiligheidsplan tevens een gedetailleerd ontruimingsplan te bevatten.

Blijkens het uitvoerige draaiboek van vergunninghoudster is bij de organisatie van de Proef rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden. Voorts heeft vergunninghoudster door het gecertificeerde beveiligingsbedrijf International Security Agency een uitgebreid veiligheidsplan Proef Amersfoort 2008 op basis van een risicoanalyse laten opstellen. In dit veiligheidsplan is tevens een calamiteitenplan opgenomen.

Blijkens de adviezen van de politie van 9 november 2007 en 19 november 2007 acht de politie de combinatie van Proef Amersfoort en Koninginnenacht en -dag weliswaar niet wenselijk, maar niet onmogelijk. De politie geeft aan bereid te zijn om te komen tot gezamenlijke afspraken en maatwerk om beide festiviteiten goed te laten verlopen indien de gemeente tot vergunningverlening overgaat. Daarbij is van belang geweest de toelichting van de voorzitter van Proef Amersfoort inzake logistiek en beveiliging van het afgesloten terrein in de Koninginnenacht en tijdens de Proef.

De brandweer heeft in haar advies van 16 april 2008 aangegeven dat in het kader van de vergunningverlening afspraken zijn gemaakt over het vrijhouden van een aantal routes om de bereikbaarheid te waarborgen. Voorts is de afspraak gemaakt dat er op 30 april 2008 na 8.00 uur geen transport naar de Hof meer zal plaatsvinden. Indien deze afspraken worden nagekomen is de verwachting van de brandweer dat een eventuele calamiteit, ook op 30 april 2008, effectief bestreden kan worden. Tot slot merkt de brandweer op dat er op 30 april 2008 een extra tankautospuit met bemanning beschikbaar zal zijn, zodat bij een calamiteit van twee zijden kan worden aangereden.

De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder, in samenwerking met vergunninghoudster, politie en brandweer, een uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de haalbaarheid van de combinatie van beide evenementen en de gevolgen van het vergunde evenement voor de openbare orde, eventuele overlast en de (verkeers)veiligheid. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanleiding dit onderzoek voor ontoereikend of onzorgvuldig te houden of aan de uitkomsten daarvan te twijfelen. Voorts is ter zitting door verweerder en vergunninghoudster gemeld dat er voortdurend overleg plaatsvindt met politie en brandweer en is aan de vergunning de voorwaarde verbonden dat het definitieve veiligheidsplan dient te voldoen aan de door politie en brandweer gestelde eisen. Ook het logistieke plan met betrekking tot de opbouw, bevoorrading en de afbouw van het evenement dient de toestemming van politie en brandweer te hebben. In zoverre ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunning verleend kon worden.

2.9 Verzoekster heeft aangevoerd dat de brandveiligheid in het gedrang zal komen, als gevolg van de te verwachten grote aantallen mensen en de aanwezigheid van fornuizen en brandbare goederen in de tenten op het evenemententerrein.

De voorzieningenrechter constateert dat aan de verleende vergunning onder meer de voorwaarde is gekoppeld dat podia, tenten en installaties niet in gebruik worden genomen alvorens de constructie door onder meer de brandweer is geïnspecteerd en in orde is bevonden. Vergunninghoudster heeft verder ter zitting toegelicht dat voor en tijdens het evenement streng zal worden gecontroleerd op de brandveiligheid. Daarbij is gebleken dat er hoge eisen zijn gesteld aan het te gebruiken materiaal, waaronder de tenten. Dit is door verzoekster niet weersproken.

2.10 Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat het omvallen van de hekken die het evenemententerrein afbakenen niet onmogelijk is en dat dit extra brandgevaar zal veroorzaken.

De voorzieningenrechter overweegt dat aan de verleende vergunning de voorwaarde is verbonden dat vergunninghoudster er zorg voor draagt dat afzettingen rondom het terrein fietsvrij worden gehouden en dat de percelen in de onmiddellijke omgeving van genoemde locatie permanent en ongehinderd bereikbaar zijn voor de gebruikers. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat op Koninginnedag slechts in zeer beperkte mate fietsen zijn toegestaan in de binnenstad en dat de politie handhavend zal optreden indien er een gevaarlijke situatie ontstaat. Daarnaast heeft vergunninghoudster ter zitting te kennen gegeven dat de hekken aan beide kanten worden geschoord. Gelet op het bovenstaande en op de te treffen brandveiligheidsmaatregelen heeft verweerder hierin in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien voor het oordeel dat de (brand)veiligheid onvoldoende is verzekerd.

2.11 Verzoekster voert aan dat de binnenstad onbereikbaar zal zijn voor hulpdiensten.

De voorzieningenrechter overweegt dat de te gebruiken routes, waaronder de route via de Lavendelstraat, door vergunninghoudster in overleg met de brandweer uitgebreid zijn onderzocht, in welk kader verscheidene oefeningen hebben plaatsgevonden. Bovendien zijn in de verleende vergunning verschillende voorschriften opgenomen, bijvoorbeeld met betrekking tot de minimale doorrijbreedte en -hoogte, die ervoor zorg moeten dragen dat ambulances en de voertuigen van de brandweer en politie ongehinderd het evenemententerrein kunnen passeren en kruisen. Door de brandweer is in het positieve advies van 16 april 2008 onderkend dat zich op Koninginnenacht en -dag in de Lavendelstraat mogelijk zeer veel mensen zullen bevinden, een situatie die zich ook zal voordoen bij andere evenementen in de binnenstad van Amersfoort waar grote mensenmassa’s op afkomen. Deze grond slaagt dan ook niet.

2.12 Verzoekster heeft voorts gesteld dat de Hof een belangrijke doorstroomroute is voor het publiek tijdens Koninginnenacht en -dag en dat de publieksstromen door het afsluiten van de Hof zullen stagneren. Vergunninghoudster heeft er in dit verband op gewezen dat naast de twee bestaande uitgangen op het evenemententerrein ook de twee aanwezige nooduitgangen op Koninginnedag zullen worden opengesteld voor publiek. De voorzieningenrechter acht het, gelet hierop en op de rond de hekken aan te houden open strook van minimaal 3,5 meter breed, niet aannemelijk dat de doorstroming volkomen gestagneerd zal raken of dat een eventueel optredende stagnatie zodanig zal zijn dat daardoor onaanvaardbare veiligheidsrisico’s zullen ontstaan.

2.13 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op grond van de in artikel 2.2.2, tweede lid, van de APV genoemde belangen in redelijkheid geen vergunning had kunnen verlenen.

2.14 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, dan wel een veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. K. de Waard mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op: