Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9961

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
SBR 07-2711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag bouwvergunning buiten behandeling gelaten. Het College heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bedrijfsplan noodzakelijk is om te beoordelen of er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Eerdere bouwvergunning van rechtswege betekent niet dat er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/2711

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 21 maart 2008

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2007, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 december 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 25 oktober 2005 om bouwvergunning voor het oprichten van een werktuigenberging/opslag hooi, zaagsel en stro op het perceel [adres] (boerderij C) te [woonplaats] buiten behandeling gelaten.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 15 februari 2008. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.M.M. Kroon, advocaat te Wageningen, en [V], de architect van het bouwplan. Namens verweerder zijn verschenen S. van Geel, G.C.M. Verkleij en A.H. Chaudron, allen werkzaam bij de gemeente Woerden.

Overwegingen

2.1 Verweerder heeft bij brief van 15 november 2005 aan eiser medegedeeld dat zijn aanvraag voor een bouwvergunning onvolledig is. Eiser heeft hier bij brief van 12 december 2005 op gereageerd. Verweerder heeft bij besluit van 22 december 2005 de aanvraag buiten behandeling gelaten omdat eiser geen bedrijfsplan heeft overgelegd.

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab) volgt dat in dit geval in redelijkheid een bedrijfsplan kon worden gevraagd, aan de hand waarvan het bouwplan nader zou kunnen worden beoordeeld. De gegevens die in het verleden zijn overgelegd hielden geen bedrijfsplan in.

2.3 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet in redelijkheid om een bedrijfsplan kan vragen. Eiser heeft in dit verband gewezen op het feit dat in 1999 bouwvergunning is verleend voor het oprichten van het hoofdgebouw, boerderij C. Naar eiser heeft aangevoerd is daarbij vastgesteld dat het gaat om een reëel agrarisch bedrijf.

2.4 De rechtbank stelt voorop dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling ter zitting dat er ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet (Ww) sprake is van een vergunning van rechtswege nu verweerder niet tijdig heeft beslist op de op 25 oktober 2005 ingediende aanvraag voor een bouwvergunning. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder de door eiser ingediende bouwaanvraag bij besluit van 22 december 2005 buiten behandeling heeft gelaten. Reeds om die reden kan er geen sprake zijn van een van rechtswege verleende vergunning.

2.5 Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de behandeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.

2.6 Ingevolge artikel 47 van de Ww, zoals dit luidde ten tijde van het indienen van de aanvraag en het besluit van 22 december 2005, kan van de in artikel 4:5 van de Awb geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt ten hoogste vier weken.

2.7 Ingevolge artikel 40a, eerste lid, van de Ww worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning, alsmede de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.

2.8 De bedoelde voorschriften zijn gegeven in het Biab van 13 juli 2002, Stb. 2002, 409. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van het Biab verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, voor zover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het desbetreffende bouwen voldoet aan de bij of krachtens de wet voor dat bouwen geldende eisen, de gegevens en bescheiden als bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.2 van hoofdstuk 1 van de bijlage.

2.9 Hoofdstuk 1, paragraaf 1.2.1, onder c, van de bijlage bepaalt dat in geval van een aanvraag om een bouwvergunning worden overgelegd de gegevens en bescheiden welke samenhangen met het beoogde en, indien van toepassing, het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende terreinen waarop de aanvraag betrekking heeft.

Hoofdstuk 1, paragraaf 1.2.1, onder h, van de bijlage bepaalt dat in geval van een aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk in een gebied met een agrarische bestemming worden overgelegd de gegevens en bescheiden welke samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie.

2.10 De gronden van de beoogde bouwlocatie hebben ingevolge het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Harmelen 1971' de bestemming 'Agrarische doeleinden, klasse C'. Deze gronden zijn ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bestemd voor agrarische bedrijfsvoering met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze eis eerst is voldaan indien kan worden gesproken van agrarische activiteiten met een - werkelijk - agrarisch bedrijfsmatig karakter, een zogenoemd reëel agrarisch bedrijf. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 maart 2005 (www.rechtspraak.nl, LJN: AT2820).

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser een bedrijfsplan dient te overleggen om te kunnen beoordelen of er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. De rechtbank overweegt hiertoe dat in 1999 weliswaar bouwvergunning is verleend voor het realiseren van de boerderijen A, B en C, doch toentertijd is niet beoordeeld of sprake van een reëel agrarisch bedrijf in vorenbedoelde zin. Blijkens de stukken heeft de Agrarische adviescommissie op 1 juni 1999 geadviseerd de door eiser gevraagde bouwvergunningen te weigeren omdat er onvoldoende gegevens waren overgelegd om te beoordelen of er sprake was van reële agrarische bedrijven. Verweerder heeft zich bij besluit van 29 december 1999 echter op het standpunt gesteld dat deze bouwvergunningen, vanwege het verstrijken van de beslistermijn, van rechtswege zijn verleend. De verlening van de bouwvergunningen van rechtswege strekt naar het oordeel van de rechtbank niet zover, dat bij een nieuwe aanvraag om bouwvergunning moet worden aangenomen dat sprake is van een reëel agrarisch bedrijf.

2.12 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat uit de aanvraag om bouwvergunning voor boerderij C reeds volgt dat het gaat om een reëel agrarisch bedrijf, in welk verband eiser heeft aangevoerd dat het gaat om een bedrijf met ruim 70 Nederlandse grootte eenheden. Mede in aanmerking genomen dat op het perceel (nog) geen agrarische bedrijfsvoering aanwezig is, is daarmee echter nog niet gegeven dat het gaat om reëel agrarisch bedrijf. Voor zover eiser ter zitting heeft gewezen op de beleidsregel juridische regeling percelen, is gebleken dat deze betrekking heeft op het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Woerden, Kamerik en Zegveld' en derhalve in dit geval niet van toepassing is.

2.13 Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de beoordeling van de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan een bedrijfsplan noodzakelijk is. Verweerder heeft dan ook met toepassing van artikel 4:5 van de Awb en artikel 47 van de Ww de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen.

2.14 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2008.

De griffier: De rechter:

mr. J.K. van de Poel mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.