Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9917

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
16-711168-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verdenking mensenhandel. Wettig bewijs aanwezig, geen overtuiging bij de rechtbank. Bepalend acht de rechtbank de rol van betrokken vrouw, die geen aangifte deed van mensenhandel. Ze heeft uit volle overtuiging verklaard dat ze zich bewust was van de aard van het prostitutiewerk dat zij verrichtte en dat de omstandigheden waaronder dat werk door haar werd verricht niet als een uitbuitingssituatie kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/711168-07

Datum uitspraak: 18 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

Raadsvrouwe: mr. I.N. Weski.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 oktober 2007, 8 januari 2008 en 4 april 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging verkregen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Met artikel 273a Wetboek van Strafrecht, later zonder inhoudelijke wijziging hernummerd tot artikel 273f Sr., beoogt de wetgever onder meer onvrijwillige prostitutie en exploitatie van prostitutie onder dwangomstandigheden tegen te gaan. In deze zaak bevat het dossier wettige bewijsmiddelen dat er sprake is van onvrijwillige prostitutie door [betrokkene]. Eveneens bevat het dossier bewijsmiddelen dat [betrokkene] onder dwang is geëxploiteerd in de prostitutie. Echter, de rechtbank heeft op grond van die bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat van beide of één van beide situaties sprake was. Daartoe acht de rechtbank van bepalend belang dat [betrokkene] na het afleggen van een belastende verklaring tijdens een intakegesprek met de politie geen aangifte van mensenhandel tegen verdachte heeft gedaan en bij de rechter-commissaris haar belastende verklaring tegen verdachte en diens medeverdachte integraal heeft ingetrokken. Ter terechtzitting van 4 april 2008 heeft [betrokkene], in aanwezigheid van verdachte en diens medeverdachte en - naar de overtuiging van de rechtbank - in volle vrijheid, opnieuw en met grote stelligheid aangegeven te blijven bij haar eerder bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. De rechtbank heeft uit het verhoor van [betrokkene] ter terechtzitting de overtuiging gekregen dat [betrokkene] zich bewust was van de aard van het prostitutiewerk en dat de omstandigheden waaronder dat werk door haar werd verricht niet als een uitbuitingssituatie kan worden aangemerkt.

Als degene die het werk daadwerkelijk verricht één en andermaal en met grote stelligheid volhoudt dat het niet onvrijwillig was en dat het evenmin gebeurde onder omstandigheden waarvan gezegd kan worden dat het verrichte werk daardoor onder dwangcondities heeft plaatsgevonden, dan is er naar het oordeel van de rechtbank niet sprake van een situatie waarin door het strafrecht bescherming kan worden geboden. Daarenboven is in het dossier geen ondersteunend bewijs aanwezig dat er sprake was van dwangomstandigheden waardoor gezegd kan worden dat de exploitatie van de verrichte prostitutie als uitbuiting - en daarmee als mensenhandel - getypeerd moet worden.

Gelet op het voorgaande moet verdachte van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Krol, D.A.C. Koster en R.P.G.L.M. Verbunt, bijgestaan door mr. V.H. van der Horst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2008.