Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9400

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
16/710315-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot moord cq. doodslag. Verdachte zou met een pistool door een brievenbus hebben geschoten. Verklaringen getuigen in de betrokken woning komen niet met elkaar overeen. Bovendien worden hun verklaringen niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het strafdossier. Niet voldoende wettig en overtuigend bewijs. Vrijspraak voor bedreiging. Drie weken gevangenisstraf voor mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/710315-07

Datum uitspraak: 14 april 2008

Raadsman: mr. C.N.G.M. Starmans

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[VERDACHTE],

geboren op [1981] te [woonplaats],

wonende [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 06 juni 2007, 16 juli 2007, 26 november 2007 en 31 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat op vordering van de officier van justitie wijziging - die hierna cursief is weergegeven - van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 26 november 2007 is toegestaan, ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [K.A.] en/of [H.B.] en/of [F.A.]

en/of [H.A.] en/of [N.B.] en/of [O.B.] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meerdere kogel(s)/patro(o)n(en) heeft (af)geschoten door de brievenbus van de voordeur van een woning (gelegen aan de [adres]), in welke woning zich personen bevonden (binnen het schootsveld van het vuurwapen), onder wie voornoemde [K.A] en/of [H.B] en/of [F.A.] en/of [H.A] en/of [N.B.] en/of [O.B.], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 januari 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [L.A.]

- tegen de het/de (be(e)n(en) en/of het lichaam getrapt en/of geschopt en/of

- tegen het hoofd en/of lichaam geslagen en/of gestompt ,

waardoor voornoemde [L.A.] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 03 januari 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [L.A.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend voornoemde [L.A.] vastgepakt en/of

meegetrokken en / of (daarbij) aan zijn, verdachtes, broer en/of een ander gevraagd "Haal die mes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde als volgt.

De verdachte wordt verdacht van een poging moord cq poging doodslag op meerdere leden van de familie [familie.A.] op 03 januari 2007. Verdachte ontkent zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.

Vaststaat dat er tussen een aantal leden van de familie [familie.A.] en de verdachte al geruime tijd onenigheid bestond en dat er op 03 januari 2007 een vechtpartij tussen de verdachte en [K.A.] had plaatsgevonden.

Voornoemde [K.A.] en diens zwager [H.B.] hebben zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat het de verdachte is geweest die - enkele uren nadat de vechtpartij tussen [K.A.] en de verdachte had plaatsgevonden - met een vuurwapen door de brievenbus van de woning van de familie [familie.A.] (aan de [adres] te Utrecht) heeft geschoten.

De verklaringen van [K.A.] en [H.B.] komen echter op meerdere essentiële onderdelen niet met elkaar overeen, onder meer wat betreft de plaats in de woning waar elk van hen zich kort vooraf, ten tijde van en direct na het incident bevonden, de wijze waarop zij verdachte zouden hebben herkend en de door de getuigen beschreven kleding van de verdachte. Daarboven worden hun verklaringen niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het strafdossier.

Daar waar ondersteuning voor de verklaringen had kunnen worden gevonden, is door de politie geen dan wel te laat nader onderzoek verricht. Zo is onder meer gebleken dat op de [adres] camera’s staan, maar is verzuimd om de camerabeelden te bekijken. Het bleek in een later stadium ook niet meer mogelijk deze beelden te bekijken omdat deze reeds vernietigd waren.

De sfeer die het dossier ademt over de rol van de verdachte bij dit incident wordt niet geconcretiseerd in voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte moet daarvan, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft ontkend dat hij [L.A.] op 03 januari 2007 heeft bedreigd. Tegenover deze ontkenning staat enkel de aangifte van aangeefster. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld, te weten dat:

hij op 03 januari 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend [L.A.]

- tegen het been heeft geschopt en

- tegen het hoofd heeft geslagen ,

waardoor voornoemde [L.A.] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aangeefster [L.A.] heeft verklaard dat zij op 03 januari 2007 vanuit haar woning aan de [adres] te Utrecht naar de slager op de Bernadottelaan liep. Zij zag dat [verdachte] en zijn broertje naar haar toe kwamen rennen. Aangeefster zag vervolgens dat [verdachte] met zijn linkerbeen naar achteren zwaaide en met kracht en kennelijk met opzet tegen haar been aanschopte. Hij ([verdachte]) stond voor aangeefster en hij schopte haar met kracht en kennelijk met opzet tegen haar rechterscheenbeen. Aangeefster voelde een hevige pijn vanaf de plek waar hij haar raakte. Zij zag vervolgens dat [verdachte] met zijn linkerhand naar achteren ging en met kracht en kennelijk met opzet de hand tegen haar gezicht aansloeg. Aangeefster voelde dat hij met kracht tegen de rechterzijde van haar gezicht aansloeg. Zij voelde dat hij ([verdachte]) haar kaak en oor raakte. Aangeefster voelde hevige pijn vanaf haar rechterkaak en haar rechteroor.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat [verdachte] vervolgens haar rechterarm vastpakte zodat zij zichzelf niet kon beschermen waarna het broertje van [verdachte] haar met zijn rechterhand op de linkerzijde van haar gezicht sloeg. Aangeefster voelde dat de plaats waar hij (het broertje van [verdachte]) haar raakte erg veel pijn deed. Hij sloeg met kracht en kennelijk met opzet zijn rechterhand op haar linkerkaak. Nu nog heeft zij pijn aan haar linkerkaak en de linkerzijde van haar mond .

Door de huisarts is een hematoom met een doorsnee van vijf centimeter op [L.A’s] rechterscheenbeen geconstateerd alsmede een zwelling van de rechter kaakhoek en een kneuzing van het rechter kaakgewricht .

Ter terechtzitting van 31 maart 2008 heeft [L.A.] bovenvermelde verklaring herhaald en bevestigd. Zij heeft tevens verklaard dat zij haar zus [voornaam H.B.] (de rechtbank begrijpt:

[H.B]) korte tijd na het incident en voorafgaand aan het tijdstip van het schieten in de woning, heeft gebeld en tegen haar heeft gezegd dat zij niet naar haar werk durfde te gaan omdat zij door [verdachte] en diens broertje geslagen was. [L.A.] heeft verder verklaard dat er een maand lang een zwelling op haar rechterscheenbeen heeft gezeten .

[H.B.] heeft ter terechtzitting van 26 november 2007 verklaard dat haar zus [voornaam L.A] (de rechtbank begrijpt: aangeefster [L.A.]) op 03 januari 2007 telefonisch tegen haar heeft gezegd dat zij in elkaar was geslagen door [verdachte] en de broer van [verdachte]. [H.B] heeft verder verklaard dat [voornaam L.A.] tegen haar heeft gezegd dat zij bang was om naar haar werk te gaan .

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich op 03 januari 2007 te Utrecht samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [L.A.]. De ook door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat aangeefster niet direct na de mishandeling aangifte heeft gedaan, doet daar niet aan af. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat beide families voornemens waren het in eerste instantie onderling op te lossen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder feit 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 2 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander [L.A.] geschopt en geslagen.

Door zijn handelwijze heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en heeft het slachtoffer pijn en letsel ondervonden. Feiten als hiervoor omschreven veroorzaken bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid. Dit blijkt ook uit de aantekeningen die de huisarts na onderzoek van het slachtoffer heeft gemaakt: zij heeft angst om alleen te zijn en om over straat te gaan.

Eén en ander getuigt bovendien van weinig respect voor een ander individu.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

• de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 februari 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van feiten met een geweldscomponent, te weten diefstal met geweld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

• een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van het voorarrest.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen:

o niet-ontvankelijk-verklaring van de vordering van [K.A.];

o niet-ontvankelijk-verklaring van de vordering van [F.A.];

o niet-ontvankelijk-verklaring van de vordering van [H.A.];

o toewijzing van de vordering van [L.A.] tot een bedrag van € 300,-, niet-ontvankelijk-verklaring van het overige gedeelte van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Nu de verdachte ook van het onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met een straf die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte de mishandeling samen met een ander heeft gepleegd en hij eerder is veroordeeld wegens feiten met een geweldcomponent.

De vordering van de benadeelde partij [K.A.]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [F.A.]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [H.A.]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [L.A.]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade ten gevolge van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering - voor zover deze betrekking heeft op het onder 3 ten laste gelegde - niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 2 bewezenverklaarde feit.

De vordering van de benadeelde partij is van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 300,- (zegge: driehonderd Euro). De vordering zal tot voormeld bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met de bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van

3 ( DRIE) WEKEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partijen [K.A.], [F.A.] en [H.A.] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [L.A.], wonende te Utrecht, strekkende tot vergoeding van de geleden immateriële schade ten dele toe tot een bedrag van € 300,- (zegge driehonderd Euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 300,- (zegge driehonderd Euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.J. Smit, D.A.C. Koster en L. Bakker-Splinter, bijgestaan door mr. K.D.M. Buitenweg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2008.

Mr. L. Bakker-Splinter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.