Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9371

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
16/602614-07, 16/511693-07 (ttz. gev.) en 16/513413-05 (tul algem. vw.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, wegens betrokkenheid bij een vechtpartij bij een café in Maarssen op Koninginnedag in 2007. De rechtbank legt ook de maatregel van plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen op, maar verdachte hoeft daar niet heen als hij zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en zich (onder meer) laat behandelen door een psychiater.

Verdachte maakte deel uit van een groep van zes personen die op de bewuste avond van de portier het café in Maarssen niet in mochten. Daarna ontstond een vechtpartij waarbij de portier en andere slachtoffers het moesten ontgelden. De rechtbank acht de 17-jarige verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling, het medeplegen van poging tot zware mishandeling en openlijk geweld in vereniging. Eén van de slachtoffers liep een gebroken kaak op, omdat hij van dichtbij een straatklinker naar zich toe kreeg gegooid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/602614-07, 16/511693-07 (ttz. gev.) en 16/513413-05 (tul algem. vw.)

Datum uitspraak: 14 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaken tegen:

[Verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in {J.J.I. De Heuvelrug]

Raadsman: mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

31 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 1 en 2 van parketnummer 16/602614-07 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 31 maart 2008 toegestaan. Na wijziging van de tenlastelegging is aan verdachte tenlastegelegd, dat:

Ten aanzien van parketnummer 16/602614-07:

1.

primair

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Maarssen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet

- (op korte afstand en met kracht) een straatklinker/steen naar/tegen (het hoofd van) die [slachtoffer A] heeft gegooid en/of

- die [slachtoffer A] meermalen, althans eenmaal, (telkens en met kracht) tegen het hoofd en/of andere vitale delen van diens lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikelen 287 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Maarssen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aan een persoon, genaamd [slachtoffer A], zwaar lichamelijk letsel (een op meer plaatsen gebroken (rechter)kaak en/of een snee in de (rechter)wang en/of het verlies van een of meer tand(en) en/of kies/kiezen) heeft toegebracht door

- (op korte afstand en met kracht) een straatklinker/steen naar/tegen (het hoofd van) die [slachtoffer A] te gooien en/of

- die [slachtoffer A] meermalen, althans eenmaal, (telkens en met kracht) tegen het hoofd en/of andere vitale delen van diens lichaam te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen;

(artikelen 302 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiar

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Maarssen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet

- (op korte afstand en met kracht) een straatklinker/steen naar/tegen (het hoofd van) die [slachtoffer A] heeft gegooid en/of

- die [slachtoffer A] meermalen, althans eenmaal, (telkens en met kracht) tegen het hoofd en/of andere vitale delen van diens lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikelen 302 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

meest subsidiair

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Maarssen met een ander of anderen op of aan de openbare weg, de Schippergracht, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit

- het (op korte afstand en met kracht) gooien van een (straat)klinker/steen tegen/naar (het hoofd van) die [slachtoffer A] en/of

- het (telkens en met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of andere vitale delen van het lichaam van die [slachtoffer A],

- waarbij hij, verdachte,

- (op korte afstand en met kracht) een straatklinker/steen tegen/naar (het hoofd van) die [slachtoffer A] heeft gegooid en/of

- (telkens en met kracht) die [slachtoffer A] tegen diens hoofd en/of andere vitale delen van diens lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt,

en welk geweld zwaar lichamelijk letsel van die [slachtoffer A] (te weten een op meer plaatsen gebroken (rechter)kaak en/of een snee in de (rechter)wang en/of het verlies van een of meer tand(en) en/of kies/kiezen), althans enig lichamelijk letsel, tengevolge heeft gehad;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

2.

A.

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Maarssen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer B] van het leven te beroven dan wel hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet

- (op zeer korte afstand en met kracht) een straatklinker/steen naar/tegen (het hoofd van) die [slachtoffer B] heeft gegooid en/of

- die [slachtoffer B] meermalen, althans eenmaal, (telkens en met kracht) tegen het hoofd en/of andere vitale delen van diens lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikelen 287 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

B.

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Maarssen met een ander of anderen op of aan de openbare weg, de Schippersgracht, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer C] en/of tegen (een of meer ruit(en) van) café ’t Schippertje, welk geweld bestond uit

- het (met kracht) gooien van een of meer (straat)klinker(s)/ste(e)en(en) tegen, althans naar/in de richting van, die [slachtoffer C] en/of

- het (telkens en met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of andere vitale delen van het lichaam van die [slachtoffer C] en/of

- het gooien van een of meer straatklinker(s)/ste(e)n(en) tegen een of meer ruit(en) van voornoemd café en/of

- het kapot slaan met de vuist, althans de hand, van een of meer ruit(en) van dat café,

- waarbij hij, verdachte,

- (met kracht) een (straat)klinker/steen tegen, althans naar/in de richting van, die [slachtoffer C] heeft gegooid en/of

- een straatklinker/steen tegen/door een ruit van voornoemd café heeft gegooid,

en welk geweld enig lichamelijk letsel (van [slachtoffer C] en/of [slachtoffer E]) tengevolge heeft gehad en/of welk geweld vernieling van een of meer ruit(en) van voornoemd café tengevolge heeft gehad;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van parketnummer 16/511693-07:

Primair

hij op of omstreeks 31 december 2006 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan [slachtoffer D] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet die [slachtoffer D] in/tegen het gezicht/hoofd heeft

geslagen en/of (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer D] op de grond lag) die

[slachtoffer D] in/tegen het lichaam heeft getrapt, zijnde de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 31 december 2006 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer D] in/tegen het

gezicht/hoofd heeft geslagen en/of (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer D] op de

grond lag) die [slachtoffer D] in/tegen het lichaam heeft getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer D] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 primair van parketnummer 16/602614-07 tenlastegelegde het volgende.

De rechtbank leidt uit de ter terechtzitting getoonde beelden af dat enkel verdachte éénmaal, op korte afstand, met een steen tegen het hoofd van [slachtoffer A] heeft gegooid. De rechtbank is, mede gelet op de verklaring van verdachte, van oordeel dat de handeling van verdachte niet is gericht op het toebrengen van dodelijk letsel.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 A als medeplegen van poging doodslag van parketnummer 16/602614-07 tenlastegelegde het volgende.

De rechtbank leidt uit de verklaring van [slachtoffer B] in het proces-verbaal met betrekking tot de tegen hem gerichte handelingen in combinatie met de ter terechtzitting getoonde beelden en de verklaringen van de verdachte en zijn mededaders, niet af dat de handelingen van verdachte en zijn mededaders zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder primair van parketnummer 16/511693-07 tenlastegelegde het volgende.

De rechtbank leidt uit het proces-verbaal bevindingen, de verklaring van [slachtoffer D] en de verklaring van verdachte af, dat verdachte het slachtoffer éénmaal tegen het gezicht heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat uit die handeling niet blijkt dat verdachte het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. Ook kan uit het enkel trappen tegen het lichaam niet aanstonds worden afgeleid dat het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel was gericht.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 A als poging doodslag van parketnummer 16/602614-07 én onder primair van parketnummer 16/511693-07 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 A als medeplegen van poging tot zware mishandeling en 2 B van parketnummer 16/602614-07 en onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 ten laste gelegde feiten heeft begaan, dat:

Ten aanzien van parketnummer 16/602614-07:

1 subsidiair:

hij op 30 april 2007 te Maarssen, opzettelijk aan een persoon, genaamd [slachtoffer A], zwaar lichamelijk letsel (een op meer plaatsen gebroken rechterkaak en een snee in de rechterwang en het verlies van een kies) heeft toegebracht door

- op korte afstand en met kracht een steen tegen het hoofd van die [slachtoffer A] te gooien.

2.

A.

hij op 30 april 2007 te Maarssen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer B] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet

- op zeer korte afstand en met kracht een steen tegen het hoofd van die [slachtoffer B] heeft gegooid en

- die [slachtoffer B] meermalen tegen vitale delen van diens lichaam heeft geschopt en getrapt en geslagen en gestompt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en

B.

hij op 30 april 2007 te Maarssen met anderen op de openbare weg, de Schippersgracht, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer C], welk geweld bestond uit

- het gooien van stenen naar/in de richting van die [slachtoffer C]

- waarbij hij, verdachte,

- met kracht een steen naar/in de richting van die [slachtoffer C] heeft gegooid.

Ten aanzien van parketnummer 16/511693-07:

Subsidiair

hij op 31 december 2006 te IJsselstein, opzettelijk mishandelend [slachtoffer D] in het

gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer D] pijn heeft ondervonden.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 A en B van parketnummer 16/602614-07:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deze feiten op grond van de aangifte van [slachtoffer A] , een deze aangever betreffende medische verklaring van geneeskundige E.A. Dik , de aangifte van [slachtoffer B] , de verklaring van [slachtoffer C] , de door de rechtbank ter terechtzitting waargenomen beelden van de in het dossier aanwezige cd en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

[Slachtoffer A] heeft verklaard op 30 april 2007 op de Schippersgracht te Maarssen door de hoofdingang van café ‘t Schippertje naar buiten te zijn gelopen, toen hij opeens een enorme klap en pijn in zijn gezicht voelde. Iemand gooide een straatklinker vanaf hooguit twee meter in zijn gezicht. Ten gevolge van de gegooide steen voelde hij erge pijn aan zijn kaak.

De geneeskundige van het Universitair Medisch Centrum (UMC) E.A. Dik heeft een medische verklaring opgemaakt waarin het volgende letsel is geconstateerd: een breuk van de rechter onderkaak in meerdere delen, een snee in de rechter wang en het verlies van een kleine kies rechts. De behandelduur van de breuk is zes weken en de revalidatietijd is onbekend.

[Slachtoffer B] heeft verklaard in de nacht van 30 april 2007 op 1 mei 2007 op de Schippersgracht te Maarssen door vijf personen tegen zijn lichaam te zijn getrapt en geslagen en met een fiets, een glas en met stenen te zijn belaagd.

[Slachtoffer C] heeft verklaard dat hij op 30 april 2007 in café ’t Schippertje te Maarssen aanwezig was. Toen hij door het raam naar buiten keek, zag hij een jongen met een fiets in zijn handen staan. Op het moment dat hij naar buiten liep, kwam er tegelijkertijd een glas en een baksteen binnen. [slachtoffer C] had het idee dat de baksteen op hemzelf en [voornaam slachtoffer B] (de rechtbank leest [slachtoffer B]) gericht was, want de baksteen kwam vlak voor hem op de grond terecht. Hij stond toen achter [voornaam slachtoffer B] in het portiekje van het café. Nadat het glas en de baksteen werden gegooid liep [voornaam slachtoffer B] naar buiten naar het groepje en is [slachtoffer C] [voornaam slachtoffer B] achterna gerend. Hij zag een hele groep op [voornaam slachtoffer B] staan intrappen en slaan.

De rechtbank heeft bij het bekijken van de beelden het volgende waargenomen:

Een groep van zes mannen, waaronder de verdachte, benaderen de ingang van café ’t Schippertje. Er ontstaat een woordenwisseling met – naar later blijkt – de portier (het latere [slachtoffer B)), waarbij [mededader A] als eerste een fiets tegen de deur van het café gooit. Hierna gooit verdachte met kracht een steen naar de deuropening van café ’t Schippertje. Vervolgens gooien zowel [medeverdachte B] als verdachte met een fiets. Door een andere mededader wordt met een glas gegooid. Ondertussen pakt [mededader B] achter in beeld een steen op. De portier komt naar buiten en wordt net niet geraakt door de steen die [mededader A] gooit. De steen komt vlak naast het [slachtoffer C] neer als deze direct na de portier naar buiten komt. Hierna ontstaat een vechtpartij waarbij de portier eerst wordt gestompt en geslagen en, nadat hij als gevolg van een steen tegen zijn hoofd – die op zeer korte afstand door verdachte is gegooid - ten val is gekomen en op de grond ligt, vervolgens nogmaals door een aantal personen van de groep waaronder verdachte wordt geslagen, gestompt en getrapt tegen het lichaam. [Mededader A] pakt vervolgens achter in beeld nogmaals een steen op en gooit deze naar het lichaam van de op de grond liggende portier. Onderwijl komt het [slachtoffer C] naar buiten en, terwijl verdachte en een mededader op hem aflopen, gooit verdachte een steen naar/in de richting van [slachtoffer C]. [Mededader C] probeert ondertussen te voorkomen dat mensen uit het café naar buiten komen.

Hierna gooit verdachte een steen rechts van de deuropening van het café. Als de portier ondertussen opstaat en wil weglopen, wordt hij opnieuw belaagd door enkele personen van de groep en wordt hij weer getrapt en geslagen. Voorts is te zien dat verdachte links uit beeld wegloopt. Opeens komt verdachte terug in beeld en blijft staan met een steen in zijn hand. Terwijl een persoon, later blijkende [slachtoffer A], uit café ’t Schippertje komt lopen, loopt verdachte in zijn richting en gooit op korte afstand met kracht de steen tegen zijn hoofd. [slachtoffer A] grijpt meteen naar zijn rechterkaak.

[Mededader A] heeft verklaard dat hij, [medeverdachte B], [Mededader C], [P.T.] en [verdachte] en [A.B.] op 30 april 2007 bij café ’t Schippertje te Maarssen aankwamen. [Mededader A] pakte een fiets en gooide deze opzettelijk en vrij hard tegen de deur van café ’t Schippertje. Toen de deur van het café open ging, zag [mededader A] dat [P.T.] wilde gaan vechten omdat hij een dreigende en aanvallende houding aannam. De portier kwam iets naar buiten, waarop [medeverdachte B] en [mededader C] direct naar voren kwamen en hem samen met [P.T.] beetpakten. Op een gegeven moment stond de portier buiten en waren ze met zijn vieren aan het vechten. [Mededader A] zag dat er over en weer klappen werden gegeven door zowel [P.T.], [Mededader C] als [Medeverdachte B]. [Mededader A] zag dat de portier op de grond terecht kwam en dat [verdachte] opzettelijk en met kracht een steen gooide in de richting van de portier. Hierna hoorde hij een gil. Kort daarna haalde [mededader A] een steen dan wel een straatklinker uit de grond die hij in de richting van de vechtpartij gooide. Hierna kreeg de portier de ruimte om op te staan en rende hij weg langs het café in tegenovergestelde richting dan de groep.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 31 maart 2008, naar aanleiding van het bekijken van de beelden, verklaard dat hij op 30 april 2007 deel uitmaakte van de groep personen die café ’t Schippertje te Maarssen wilde binnengaan. Verdachte is de persoon met de capuchon aan zijn shirt. Hij heeft met stenen en met een fiets gegooid en heeft de portier geschopt. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat er door iemand iets gegooid wordt tegen [slachtoffer A].

De raadsman heeft de vraag opgeworpen of er een aanmerkelijke kans bestaat dat het gooien van een steen in de richting van het hoofd van [slachtoffer A] het ontstane letsel kan veroorzaken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte - door het op korte afstand, met kracht, gooien van een steen, gericht op het hoofd van [slachtoffer A] - willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een steen naar/in de richting van slachtoffer [slachtoffer C] heeft gegooid. Zij is tevens oordeel dat [mededader A] ook een steen heeft gegooid naar/in de richting van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer C]. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld of er door het handelen van verdachte en/of zijn mededader bij [slachtoffer C] enig letsel is ontstaan.

De rechtbank is tevens van oordeel dat bewijs ontbreekt voor het overig tenlastegelegde openlijke geweld tegen [slachtoffer C].

De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van de onderdelen van het tenlastegelegde geweld gepleegd tegen [slachtoffer C], voorzover dit betreft het schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of andere vitale delen van zijn lichaam.

De rechtbank spreekt verdachte tevens vrij van het strafverzwarende deel, betreffende het toebrengen van enig lichamelijk letsel.

Voorts acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er door het handelen van verdachte ruiten van café ’t Schippertje zijn vernield. De rechtbank spreekt verdachte vrij ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het tegen café ’t Schippertje gepleegde geweld, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het letsel van [slachtoffer E] het rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 16/511693-07 subsidiair:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van het proces-verbaal

bevindingen , de gevoegde verklaring van [A.N.] en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

De [verbalisanten X en Y] hebben verklaard dat ze in de nacht van 30 op 31 december 2006 in het centrum van IJsselstein, omstreeks 03.35 uur een groep van tien personen hebben zien staan op de hoek van de Schuttersgracht. Toen zij de groep op ongeveer vijf meter waren genaderd, zagen zij plotseling dat twee jongemannen elkaar vastpakten bij de kleding en dat een jongeman de andere gelijk met kracht met gebalde rechter vuist op het gelaat sloeg. Zij zagen dat de jongeman die de klap kreeg in elkaar zakte en op de grond viel. Het slachtoffer gaf op te zijn [slachtoffer D]. [Slachtoffer D] verklaarde dat hij wist dat hij een klap had gekregen en dat hij daardoor pijn in zijn hoofd had.

[Getuige 1] heeft verklaard dat zij een keer getuige was geweest van een voorval waarbij [voornaam verdachte] (de rechtbank leest [verdachte]) een dronken man in elkaar sloeg. Hij sloeg die man omdat die man voor haar ging staan en haar aanraakte. Toen [voornaam verdachte] zei dat hij dat niet moest doen, greep de man [voornaam verdachte] bij de keel. Toen sloeg [voornaam verdachte] die man neer.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [getuige 1] een duw van de man kreeg en dat verdachte voor [getuige 1] is gaan staan. De man pakte hem toen stevig met de rechter hand bij zijn keel vast. Verdachte heeft hem drie keer gevraagd los te laten en toen hij dat niet deed heeft verdachte hem een klap gegeven.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onderdeel van de tenlastelegging betreffende het trappen tegen het slachtoffer, nu het slachtoffer niet heeft verklaard dat hij daardoor letsel heeft opgelopen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 A als medeplegen van poging tot zware mishandeling en 2 B van parketnummer 16/602614-07 en onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 A als medeplegen van poging tot zware mishandeling en 2 B van parketnummer 16/602614-07 en onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair van parketnummer 16/602614-07:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2 A en B van parketnummer 16/602614-07:

A: Het medeplegen van poging tot zware mishandeling en

B: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van parketnummer 16/511693-07 subsidiair:

Mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte voor wat betreft de feiten onder 1 subsidiair, 2 A als medeplegen van poging tot zware mishandeling en 2 B van parketnummer 16/602614-07 uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Ten aanzien van parketnummer 16/511693-07 subsidiair:

De rechtbank is, evenals de raadsman, van oordeel dat verdachte ten aanzien van het slaan van [slachtoffer D] in het gezicht, heeft gehandeld uit noodweer.

[Slachtoffer D] heeft verdachte eerst bij de keel gegrepen, waarna verdachte - toen [slachtoffer D] hem niet op zijn verzoek losliet – deze een klap in het gezicht gaf. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich in deze proportioneel heeft verdedigd tegen de aanval van zijn lijf.

De rechtbank concludeert derhalve dat verdachte niet strafbaar is voor het onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 bewezen verklaarde feit. De verdachte moet voor dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders, onder invloed van drank, een portier geslagen, gestompt, geschopt en getrapt. Ook is er met stenen naar hem gegooid, waarbij verdachte de portier op zeer korte afstand met een steen op het hoofd heeft geraakt. Dit alles enkel om de reden dat de portier weigerde de groep binnen te laten in een café. De rechtbank vindt het onbegrijpelijk dat een enkele weigering kan leiden tot zulk zinloos geweld.

Vervolgens heeft verdachte, samen met een mededader stenen gegooid naar/in de richting van [slachtoffer C], waarbij hij die [slachtoffer C] net niet raakte.

Hierna heeft verdachte op zeer korte afstand en met kracht opzettelijk een steen gegooid tegen het gezicht van [slachtoffer A], waardoor die [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte buitenproportioneel veel geweld heeft toegepast.

Verdachte heeft zich tevens na zijn daad totaal niet bekommerd om de slachtoffers en het mogelijk letsel dat zij hadden opgelopen.

Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten, mede gezien hun aard en intensiteit, in de samenleving en specifiek in het uitgaansverkeer gevoelens veroorzaken van onrust, onveiligheid en onrechtvaardigheid.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 31 maart 2008 verklaard het heel erg te vinden wat hij heeft gedaan en er spijt van te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte pas recentelijk, na meermalen te zijn geconfronteerd met de beelden van de gebeurtenissen op 30 april 2007, gaan beseffen dat zijn handelwijze geheel verkeerd is geweest.

Ter terechtzitting van 31 maart 2008 is aan verdachte medegedeeld dat een ad informandum gevoegd strafbaar feit ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank wordt gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met dat feit rekening houdt.

Nu verdachte het feit heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met het ad informandum gevoegde feit betreffende parketnummer 16/511685-08, inhoudende: schriftelijke bedreiging van [getuige 1], gepleegd in de periode van 01 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2007 te Brummen.

De rechtbank merkt hieromtrent op dat zij dit feit wel degelijk meeweegt in de strafmaat, nu is gebleken dat dit feit nota bene is gepleegd tijdens de preventieve hechtenis van verdachte terzake de gebeurtenissen op 30 april 2007.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 februari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte éénmaal eerder voor onder andere een soortgelijk feit is veroordeeld door de kinderrechter d.d. 3 januari 2006 tot jeugddetentie voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie;

- drie de verdachte betreffende rapportages raadsonderzoek en advies van de Raad voor de Kinderbescherming Utrecht d.d.10 mei 2007, 30 juli 2007 en 12 september 2007, respectievelijk opgemaakt door H. Lindenhof, V. Jansen en L. Hertman, raadsonderzoekers;

- vier de verdachte betreffende briefrapportages van Bureau Jeugdzorg Utrecht d.d. 23 mei 2007, 18 juni 2007, 11 september 2007 en 11 februari 2008, alle opgemaakt door mw. K. Leenders, jeugdreclasseringswerker;

- twee de verdachte betreffende rapportages evaluatie Plan van Aanpak van Bureau Jeugdzorg Utrecht d.d. 30 juli 2007 en 28 maart 2008, respectievelijk opgemaakt door mw. K. Leenders en dhr. A. Ökzüz, jeugdreclasseringswerkers;

- een de verdachte betreffend pro justitia rapport, opgemaakt d.d. 4 februari 2008 door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:

[Verdachte] is lijdende aan een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD, alcoholmisbruik, een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een stoornis in de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (onvoldoende regulatie van boosheid, gebrekkige gewetensontwikkeling, zelfoverschatting, zich snel onheus bejegend voelen, eigen problematische gedrag buiten zichzelf neerleggen). Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, leed [verdachte] aan de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er bestaat een relatie tussen de ten laste gelegde feiten en de psychopathologie. {Verdachte} was onvoldoende in staat om zijn agressieve gevoelens goed te reguleren, passend bij de stoornissen. Het alcoholmisbruik heeft zijn vermogen om agressieve gevoelens te reguleren fors ondermijnd. Het overmatige alcoholgebruik van [verdachte] kan teruggevoerd worden op zijn te grote innerlijke onrust. [Verdachte] wist niet dat hij onder invloed van alcohol zo buitensporig agressief kon reageren als tijdens de ten laste gelegde feiten. Ondergetekende adviseert om [verdachte] als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gezien de psychopathologie in de stoornissen, de justitiële voorgeschiedenis met eerdere mishandeling en de bagatelliserende houding van [verdachte] ten aanzien van zijn eigen problematiek, is de kans op herhaling evident hoog.

De enige manier om het recidiverisico substantieel te verminderen is [verdachte] intensieve behandeling op te leggen. Hiervoor moet gedacht worden aan minimaal intensieve 4- of 5-daagse deeltijdbehandeling in combinatie met een ITB-traject. De deeltijdbehandeling kan in principe uitgevoerd worden op het centrum voor orthopsychiatrie en forensische jeugdpsychiatrie Barentsz te Den Dolder. Om (voortgang) van de behandeling te kunnen (blijven) garanderen is een stevig juridisch kader noodzakelijk. Indien [verdachte] voldoende gemotiveerd is en blijft dan biedt een voorwaardelijke PIJ voldoende garantie. Indien [verdachte] niet aan de voorwaarden voldoet is een onvoorwaardelijke PIJ onontkoombaar.

- een de verdachte betreffend pro justitia rapport, opgemaakt d.d. 30 januari 2008 door drs. W. van der Wal, psycholoog te Leek, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:

[Verdachte] is lijdende aan een ernstige gedragsstoornis van het adolescente type en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit niet anders omschreven. Tevens valt alcoholmisbruik te duiden. Deze ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling was aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Indien bewezen, dan zou het ten laste gelegde kunnen worden verklaard uit de geschetste gedragsstoornis en gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling, als ook de aandachtstekortstoornis, met een geringe impulsbeheersing, een verstoorde agressieregulatie en een beperkt inlevingsvermogen. In de gegeven situatie heeft [verdachte] onvoldoende weerstand kunnen bieden aan (agressieve) impulsen, waarbij hij weinig oog gehad heeft voor de slachtoffers en nog steeds weinig empathie toont. Overmatig alcoholgebruik heeft daarbij een ontremmende werking gehad. De toerekeningsvatbaarheid valt derhalve als verminderd in te schatten. Ten aanzien van de kans op recidive valt op te merken dat de beperkte delictbeleving en een gebrekkig empatisch vermogen, welk verband houden met de aanwezige persoonlijkheidsproblematiek, risicofactoren vormen voor het vertonen van grensoverschrijdend gedrag. Vanuit de gezinssituatie valt een zwak en gesloten systeem op en is vader als medeverdachte niet in staat gebleken om [verdachte] tot goed voorbeeld te zijn. Op grond van dit alles kan de kans op recidive als hoog aangemerkt worden.

Gelet op de ernst van de problematiek is een intensieve vorm van begeleiding en behandeling vanuit een dwingend kader aangewezen. Er zou een traject uitgezet kunnen worden middels ITB-plus en deeltijdbehandeling bij de Barentszkliniek. Intensieve begeleiding door de jeugdreclassering zal een voorwaarde dienen te zijn om een dergelijk traject te doen slagen. Vanuit strafrechtelijk kader is met het oog op de ernst van de problematiek een voorwaardelijk PIJ-maatregel aangewezen teneinde indien nodig te kunnen interveniëren.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair van parketnummer 16/602614-07 wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair, 2 A (medeplegen van poging doodslag) en 2 B van parketnummer 16/602614-07 en onder primair van parketnummer 16/511693-07 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot - kort gezegd -:

- jeugddetentie voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest;

- plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzonder voorwaarden: de maatregel Hulp en Steun, uit te voeren door Bureau Jeugdzorg, de eerste 6 maanden van de proeftijd deelnemen aan het project ITB-plus en het volgen van een behandeling bij de Barentszkliniek voor meer dan twee dagen per week;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer E] tot een bedrag van € 955,92, hoofdelijk met de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van [benadeelde partij Z] tot een bedrag van € 2032,45, hoofdelijk met de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer A] tot een bedrag van € 3920,27 met de schadevergoedingsmaatregel;

- tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor de duur van twee weken, voor zover voorwaardelijk opgelegd onder parketnummer 16/513413-05 bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 3 januari 2006.

Gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten is de rechtbank van oordeel dat, behoudens de op te leggen maatregel, aan verdachte tevens jeugddetentie dient te worden opgelegd.

De rechtbank acht een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de pogingen tot doodslag en hem ook van enkele (strafverzwarende) onderdelen van het ten laste gelegde heeft vrijgesproken

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt de rechtbank voorts:

Verdachte wordt veroordeeld voor misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De rechtbank zal de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank zal in dit geval - gelet op de adviezen van de deskundigen en nu hulpverlening/behandeling in het verleden niet (echt) heeft plaatsgevonden - de maatregel voorwaardelijk opleggen met de hierna te noemen bijzondere voorwaarden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 subsidiair van parketnummer 16/602614-07 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 2722,37 wegens materiële schade en een bedrag van € 1250,-- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 subsidiair van parketnummer 16/602614-07 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1250,-- (post 8) en de materiële schade wordt begroot op € 642,37 (bestaande uit toewijzing van de posten 1-7 en post 9 tot een bedrag van € 91,--). De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1892,37 worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het inkomstenverlies betreffende “fooien” (post 9) is onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vorderingen van de benadeelde partijen [Z] en [slachtoffer E]

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorderingen. De vorderingen strekken tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 2 B van parketnummer 16/602614-07 ten laste gelegde feiten.

Nu aan de verdachte voor wat betreft die – de benadeelde partijen betreffende - onderdelen van de onder 2 B van parketnummer 16/602614-07 ten laste gelegde feiten geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dienen de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partijen en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 januari 2006 is de verdachte veroordeeld tot onder meer jeugddetentie voor de tijd van twee weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 18 januari 2006.

De rechtbank is gebleken dat de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is gekoppeld aan de dagvaarding met parketnummer 16/511693-07.

Nu de rechtbank in bovengenoemd parketnummer wel komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit, maar verdachte hiervoor niet strafbaar acht én de officier van justitie de vordering niet heeft gewijzigd in koppeling aan de dagvaarding met parketnummer 16/602614-07, ontbreekt de feitelijke grondslag voor tenuitvoerlegging van de vordering.

De rechtbank wijst derhalve de vordering tenuitvoerlegging af.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 27, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77l, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 A als medeplegen van poging doodslag van parketnummer 16/602614-07 én onder primair van parketnummer 16/511693-07 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 A als medeplegen van poging tot zware mishandeling en 2 B van parketnummer 16/602614-07 en onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 ten laste gelegde feiten, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 A als medeplegen van poging tot zware mishandeling en 2 B van parketnummer 16/602614-07 bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 bewezenverklaarde niet strafbaar. Ontslaat de verdachte voor het onder subsidiair van parketnummer 16/511693-07 bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot JEUGDDETENTIE voor de duur van TWAALF (12) maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt op de maatregel van PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN.

Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde de eerste zes maanden van de proeftijd moet deelnemen aan het project ITB-plus;

- dat de veroordeelde zich laat behandelen in het Centrum voor orthopsychiatrie & forensische jeugdpsychiatrie Barentsz te Den Dolder voor de duur van maximaal twee jaar of zoveel korter als die behandelinstelling dat nodig acht;

- met opdracht aan voornoemde jeugdreclasseringsinstelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Ten aanzien van parketnummer 16/513413-05:

Wijst af de vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf tevens rekening met de inhoud van het ad-info gevoegde dossier, de verdachte betreffend, bekend onder het parketnummer: 16/511685-08, schriftelijke bedreiging van [getuige 1], gepleegd in de periode van 01 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2007 te Brummen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 1892,37 (zegge éénduizend achthonderd tweeënnegentig euro en zevenendertig cent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1892,37 (zegge éénduizend achthonderd tweeënnegentig euro en zevenendertig cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Verklaart de benadeelde partijen [Z] en [slachtoffer E] niet ontvankelijk in de vorderingen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Ruinaard, kinderrechter en mrs. J.F. Dekking en J.D.E. Brouwer-Poederbach, bijgestaan door H.A.M. Blom als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2008.

Mr Brouwer-Poederbach is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.