Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9361

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
16-711171-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een brigadier van de politie is veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur wegens schending van zijn ambtsgeheim. De man sprak tijdens een nog lopend politieonderzoek naar een dodelijk schietincident meerdere malen met kennissen over zijn werkzaamheden.

De politieagent werd eveneens verdacht van verkrachting van een vrouw in maart 2007, maar wordt hiervan vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/711171-07

Datum uitspraak: 14 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

Raadsman: mr. J.P. Plasman

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 januari 2008 en 31 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

De officier van justitie heeft zich bij het opstellen van de tenlastelegging gebaseerd op de verklaring van [aangeefster A], die –kort gezegd- heeft verklaard dat zij in de avonduren van 28 maart 2007 c.q. in de nacht van 28 op 29 maart 2007 door verdachte is gedwongen seksuele handelingen te dulden. Daarbij zou door verdachte psychische en fysieke dwang op haar zijn uitgeoefend.

Verdachte heeft weliswaar erkend dat hij daar toen bij [aangeefster A] heeft overnacht en dat er tussen hen in de avonduren enige seksuele toenadering is geweest, doch hij heeft steeds met klem ontkend dat er hierbij sprake is geweest van seksueel binnendringen of enige dwang van zijn kant.

Als potentieel bewijsmiddel geldt een door de politie afgeluisterd telefoongesprek tussen verdachte en een vriend van verdachte, waarin verdachte vertelt dat hij in de ochtend van 29 maart 2007 een vrouw heeft vastgebonden, haar heeft geslagen en seksueel heeft gepakt, nadat hij er achter was gekomen dat zij zeer waarschijnlijk geld uit zijn jasje had gestolen op het moment dat hij onder de douche stond.

De rechtbank stelt vast dat deze verklaring niet in directe zin als een bevestiging kan worden gezien van de verklaring van [aangeefster A], waarop de tenlastelegging is gebaseerd. Er zijn grote verschillen tussen haar lezing en hetgeen verdachte in het telefoongesprek tegenover de bedoelde vriend heeft gezegd, dit zowel voor wat betreft de tijdstippen, de achtergrond als de jegens haar gepleegde handelingen. Door [aangeefster A] is immers in het geheel niet verklaard over een gebeurtenis in de ochtenduren, waarbij zij zou zijn vastgeboden en geslagen en tegen haar wil seksuele handelingen heeft moeten ondergaan, waarbij wraak voor het stelen van geld een motief zou zijn geweest. Sterker nog, [aangeefster A] verklaart in het geheel niet over seksuele handelingen die in de ochtend zouden hebben plaatsgevonden.

De rechtbank kan niet uitsluiten dat bepaalde in het afgeluisterde gesprek door verdachte beschreven gebeurtenissen, zoals het stelen van geld door [aangeefster A], wel hebben plaatsgevonden en dat [aangeefster A] redenen kan hebben gehad om over hetgeen is voorgevallen anders te verklaren dan hetgeen er zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Nu bovendien [aangeefster A] noch bij de politie, noch bij de rechter-commissaris is geconfronteerd met de inhoud van het telefoongesprek tussen verdachte en diens vriend, is de betrouwbaarheid van haar verklaringen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat één en ander nog door een nader verhoor van [aangeefster A] wordt opgehelderd, nu de verklaring van [aangeefster A] duidelijk betrekking heeft op een eerder tijdstip en een ander feitencomplex dan het telefoongesprek van verdachte met zijn vriend.

De rechtbank komt derhalve niet tot de vereiste overtuiging dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de tenlastelegging vervat en zal hem daarvan vrijspreken.

De bewezenverklaring

Op 5 september 2007 liep er een politieonderzoek genaamd LEHAR betreffende een schietincident met dodelijke afloop in de gemeente Utrecht op 4 september 2007 .

Op 5 september 2007 zijn door de politie telefoongesprekken afgeluisterd die werden gevoerd met een mobiele telefoon van verdachte , die op dat moment brigadier van politie was.

Het betreft een gesprek met een man die zich [N.] noemde en twee gesprekken met [M. M.].

In het gesprek met [N.] vertelde verdachte, -zakelijk weergegeven-, dat er een schietpartij is geweest waarbij een Marokkaanse jongen is doodgeschoten en dat de verdachte van de schietpartij zijn wapen had weggegooid op de snelweg en dat hij, nu met een collega, aan het zoeken is. Degene met wie verdachte belde, was [N. B.].

In de gesprekken met [M.M.] vertelde verdachte, -zakelijk weergegeven-, dat hij moest zoeken naar een vuurwapen en dat hij en de speurhond het wapen niet hebben gevonden.

[N.B.] en [M.M.] waren bij de politie niet bekend als medewerker van de politie of opsporingsambtenaar.

Ter terechtzitting van 9 januari 2008 heeft de verdachte erkend dat hij de hiervoor genoemde gesprekken heeft gevoerd en dat het klopt dat hij op dat moment in een zaak LEHAR naar een vuurwapen aan het zoeken was. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting bevestigd dat hij als politieman een eed heeft afgelegd. Deze eed houdt in dat degene die de eed heeft afgelegd de zaken, waarvan hij door zijn ambt kennis draagt en die hem als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie hij volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht is.

De raadsman heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat de door verdachte aan [N.B.] en [M.M.] verstrekte informaties niet kunnen worden aangemerkt als een geheim. In zijn visie zou dat pas het geval zijn geweest als het zgn. “daderwetenschap” betrof. In dat geval was daar geen sprake van volgens de raadsman, omdat het desbetreffende wapen op 5 september 2007 nog niet was gevonden. Bovendien zou aan verdachte niet duidelijk gemaakt of geweest zijn dat het om geheime informatie ging. Hierbij zou mede een rol hebben gespeeld dat bij de opdrachtverstrekking naar het wapen te zoeken derden aanwezig zijn geweest en het zoeken op een openbare plaats heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

Een beëdigde politieman behoort al hetgeen hem in zijn functie ter kennis komt met betrekking tot welk opsporingsonderzoek dan ook, absoluut geheim te houden voor personen die niet bij de politie werkzaam zijn. Deze absolute geheimhoudingsplicht geldt in de meest sterke mate als het, zoals in dit geval, gaat om een opsporingsonderzoek waarbij een dodelijk slachtoffer te betreuren is geweest en waarbij door het opsporingsteam de beslissing kan worden genomen uit tactisch oogpunt bepaalde informaties niet vrij te geven. Als brigadier met een jarenlange ervaring en een bovengemiddelde intelligentie kon hij weten dat het in genoemde zaak om een zodanig opsporingsonderzoek ging en dat hij dus zeker over dat onderzoek geen enkele informatie aan derden mocht prijsgeven. Dat het voor hem niet duidelijk was of er het in het kader van het desbetreffende opsporingsonderzoek al dan niet geheime informatie was, is dan ook niet relevant. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verdachte gegeven informaties geheim waren. Het overige door de raadsman naar voren gebrachte kan daaraan niet afdoen.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld.

hij op 5 september 2007, in het arrondissement Utrecht, meermalen, enig geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, te weten als brigadier van Politie Regio Utrecht (toen werkzaam in het district Marco Polo), verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden,

immers heeft hij, verdachte, met personen (geen van allen werkzaam bij enige politie-, of een andere opsporingsdienst) over de telefoon gesproken over een nog lopend politie-onderzoek genaamd LEHAR (betreffende een schietincident met dodelijke afloop in de gemeente Utrecht op 4 september 2007), te weten:

*op 5 september 2007 met [N.B.], in welk telefoongesprek verdachte aan die [N.B.] vertelde

- dat er een schietpartij is geweest waarbij een Marokkaanse jongen is doodgeschoten en

-dat de verdachte van de schietpartij zijn wapen had weggegooid op de snelweg en

-dat hij, verdachte, nu met een collega naar dat wapen aan het zoeken is;

* meermalen in telefoongesprekken op 5 september 2007 met [M.M.], in welke telefoongesprekken hij aan die [M.M] vertelde

-dat hij zo moet zoeken naar een vuurwapen en

-dat hij en ook de speurhond het wapen niet hebben gevonden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Dit geldt met name voor het telefoongesprek dat verdachte op 10 september 2007 voerde. Verdachte heeft onweersproken gesteld dat dit informatie betrof die zo algemeen bekend was, dat het delen van die informatie met derden geen schending van het ambtsgeheim oplevert.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In zijn functie van brigadier van politie heeft verdachte meermalen telefonisch zonder enige terughoudendheid aan kennissen verteld dat hij bepaalde werkzaamheden verrichtte in een lopend opsporingsonderzoek met betrekking tot een ernstig geweldsmisdrijf met een dodelijke afloop. Daarbij heeft verdachte hen ook bepaalde informatie gegeven die in het kader van een dergelijk onderzoek nimmer met derden mag worden gedeeld. Immers, wanneer bepaalde informatie terecht komt bij betrokkenen bij dat misdrijf, kan dat in het opsporingsonderzoek de waarheidsvinding ernstig belemmeren en zelfs tot gevolg hebben dat een ernstig misdrijf niet kan worden opgelost.

Een ervaren politieman als verdachte weet dit en hij is dan ook zeer lichtvaardig omgegaan met zijn ambtsplicht om bepaalde informatie geheim te houden. Degenen aan wie verdachte de informaties gaf waren overigens geen personen die direct betrokken waren bij het misdrijf.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 december 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem, d.d. 21 december 2007, opgemaakt door C. Kater, reclasseringswerker.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 11 maart 2008 van drs. A.D. Wallace, Gz-psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van het voorarrest.

Nu verdachte van het onder 1 ten laste gelegde, het delict met de zwaarste strafbedreiging van de tenlastelegging, wordt vrijgesproken, en voorts niet is gebleken dat de verdachte informatie heeft doorgespeeld aan directe betrokkenen bij het misdrijf en hij niet eerder is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een werkstraf. De rechtbank zal verdachte wel de maximale werkstraf opleggen, omdat zij duidelijk wil maken dat van een politieman, een ambtenaar met een voorbeeldfunctie, verwacht mag worden dat hij onkreukbaar is, juist ook waar het gaat om het omgaan met informatie die hem uit hoofde van zijn functie bekend is.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster A]

De benadeelde partij [aangeefster A] (gemachtigde: mr. E.D.B. Groenweg) heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 27 en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster A] (gemachtigde: mr. E.D.B. Groeneweg) niet ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mrs I. Bruna, J.R. Krol en J.P.M. Schwillens, bijgestaan door mr. E.J. Willekers als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2008.

Mr Schwillens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.