Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9164

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
SBR 07/2450
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid.Schatting. Oud en aangepast Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). Heroverweging ingevolge artikel 7:11 van de Awb en omvang besluit op bezwaar in relatie tot beleid Uwv bij herziening van WAO-uitkering op grond van het aaangepast Sb. Wettelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/2450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2008.

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 augustus 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 23 januari 2007 gegrond heeft verklaard en laatstgenoemd besluit heeft herroepen, in die zin dat eiser op 23 maart 2007 ongewijzigd 45-55% arbeidsongeschikt wordt beschouwd in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2008, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.G. van der Leest, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg. Namens verweerder is verschenen de heer C. van Nood, werkzaam bij het Uwv.

Overwegingen

Feiten

2.1 Eiser, geboren op 1 april 1957, is op 18 oktober 1985 uitgevallen in zijn werk als vrachtwagenchauffeur vanwege nek- en hoofdpijnklachten als gevolg van een auto-ongeval. Aan eiser werd per einde wachttijd een WAO-uitkering (laatstelijk) berekend naar een mate van 45-55% toegekend.

2.2 In het kader van de herbeoordeling in verband met het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSb) is eiser op 6 november 2006 door verzekeringsarts T.K. Oei onderzocht. Blijkens zijn rapport van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts geoordeeld dat binnen drie maanden geen aanzienlijke verandering in de belastbaarheid is te verwachten en dat de resterende duurzaam te benutten mogelijkheden van eiser zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2006. Na arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 23 januari 2007 de WAO-uitkering van eiser met ingang van 23 maart 2007 herzien naar een mate van ongeschiktheid van 15-25%. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.3 Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat op eiser, gezien zijn leeftijd, vanaf 22 februari 2007 het oude Schattingsbesluit (oSb) in plaats van het aSb van toepassing is. Nu de bestreden beslissing betrekking heeft op 23 maart 2007 berust toepassing van het aSb op een onjuiste wettelijke grondslag. Tot 22 februari 2007 is ongewijzigd de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% van toepassing. Verweerder herroept het primaire besluit van 23 januari 2007 en beschouwt eiser op 23 maart 2007 ongewijzigd voor 45-55% voor arbeidsongeschikt.

2.4 Bij een aparte beslissing van 24 augustus 2007 is door verweerder bepaald dat, met toepassing van het oSb en met inachtneming van een nieuwe berekening waarbij de extra gewerkte uren boven de 38 uur zijn meegeteld, de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser per 22 februari 2007 niet wordt herzien en derhalve per 22 februari 2007 ongewijzigd wordt vastgesteld op 45-55%. Verweerder heeft deze beslissing aangemerkt als een primair besluit. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.5 Uit een verklaring van P. Momberg, bezwaarverzekeringsarts, van 2 augustus 2007 in het kader van de uitvoering van de hersteloperatie naar aanleiding van het kabinetsbesluit van februari 2007 blijkt dat de FML van 6 november 2006 opgesteld door Oei is gewijzigd van nieuw (aSb) naar oud (oSb) en dat de FML voor het overige ongewijzigd is gebleven. Op 6 augustus 2007 heeft bezwaararbeidsdeskundige R.H. Boel zijn rapport uitgebracht.

2.6 In het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen de beslissing van 24 augustus 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer op 30 januari 2008 haar rapport uitgebracht. Op 1 februari 2008 heeft bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde zijn rapport uitgebracht. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Boel is eiser (onder meer) geschikt geacht voor de functies brugwachter (Sbc-code 282170), wikkelaar (Sbc-code 267050) en bezorger kranten (chauffeur-besteller) (Sbc-code 111230). De arbeidsdeskundige acht eiser per 22 februari 2007 arbeidsongeschikt naar een mate van 45-55%. Met inachtneming van deze rapporten heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2007 bij het besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

2.7 Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde mensen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder eerstgenoemde arbeid wordt ingevolge het vijfde lid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Standpunten van partijen

2.8 Eiser beschouwt, gelet op zijn gronden, de twee besluiten van 24 augustus 2007 als één beslissing op bezwaar. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 45-55%. Hij voert daartoe - kort samengevat - aan dat zijn klachten en beperkingen door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist zijn ingeschat en dat hij meer beperkt is dan in de FML is aangenomen. Zijn schouder, nek en armklachten zijn hierin onvoldoende tot uitdrukking gebracht. Bovendien slaapt hij slecht. Voorts zijn de geduide functies niet passend, gelet op zijn beperkingen. Zijn opleidingsniveau is verder ten onrechte gelijk gesteld met VMBO, nu hij in het verleden weliswaar een LBO-opleiding is gestart maar deze nooit heeft afgemaakt. Bovendien is voor een aantal functies vereist dat er gedurende twee jaren een schriftelijke cursus wordt gevolgd, waartoe eiser gelet op zijn vermoeidheidsklachten niet in staat is. Voorts wordt voor een aantal functies inventiviteit verwacht, waaraan hij niet kan voldoen. Evenmin is hij geschikt voor de functie van chauffeur-besteller (SBC 111230), nu autorijden een overschrijding oplevert ten aanzien van het aspect trillingsbelasting.

2.9 Verweerder ziet niet in wat eiser in de onderhavige procedure meer zou kunnen bereiken dan de vaststelling zoals opgenomen in het bestreden besluit, waarin het bezwaar van eiser gegrond is verklaard. In dit verband stelt verweerder dat de (andere) beslissing van 24 augustus 2007, waarin aan eiser de resultaten van de toets op grond van het oSb zijn meegedeeld, een primair besluit betreft en in onderhavige procedure niet aan de orde is. Laatstgenoemd besluit, waartegen bezwaar is aangetekend en waarop inmiddels door verweerder een beslissing op bezwaar is genomen, kan niet in de onderhavige procedure worden betrokken, nu aan die beoordeling een andere feitelijke grondslag ten grond ligt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het een nieuwe beleidslijn is dat als de herziening van de WAO-uitkering op grond van het aSb ligt na 22 februari 2007 een aparte beslissing op bezwaar wordt opgemaakt en de herziening op grond van het oSb in een primaire beslissing wordt vastgelegd.

Beoordeling geschil

2.10 De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het door verweerder aangemerkte primaire besluit van 24 augustus 2007 in het kader van de heroverweging van het primaire besluit van 23 januari 2007 als onderdeel van het bestreden besluit van 24 augustus 2007 moet worden beschouwd.

2.11 Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Artikel 7:11, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit herroept en het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.

2.12 Artikel 34, vijfde lid, van de WAO bepaalt dat ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn geboren en die voor 22 februari 2007 op grond van het vierde lid zijn herbeoordeeld, door het Uwv wordt bezien of er per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.

2.13 De rechtbank merkt op dat het bestreden besluit (de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2007) eiser enkel duidelijkheid verschaft over zijn arbeidsongeschiktheidssituatie tot 22 februari 2007, maar hem geen duidelijkheid verschaft over zijn situatie nadien, terwijl het primaire besluit van 23 januari 2007, 23 maart 2007 als ingangsdatum voor de herbeoordeling had. Nu, anders dan verweerder meent, de wettelijke grondslag van beide besluiten van 24 augustus 2007 hetzelfde is, namelijk artikel 18 van de WAO, en ook de medische grondslag gelijk is, had verweerder in het kader van de heroverweging in het bestreden besluit ook een beslissing over de arbeidsongeschiktheid van eiser na 22 februari 2007 moeten geven. Immers, uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie met betrekking tot artikel 7:11 van de Awb blijkt dat de belanghebbende niet in het ongewisse mag worden gelaten over de uitkomst van deze heroverweging en de juridische implicaties daarvan. In de onderhavige situatie bestond daar naar het oordeel van de rechtbank ook alle aanleiding toe, nu het (door verweerder aangemerkte) primaire besluit van 24 augustus 2007 tot stand gekomen is door raadpleging van een bezwaarverzekeringsarts, die de FML ongewijzigd heeft gelaten, zodat de medische situatie van eiser in het kader van de herbeoordeling geen aanleiding gaf dit buiten het bestreden besluit te houden. Het door verweerder aangemerkte primaire besluit van 24 augustus 2007 moet derhalve samen met het bestreden besluit (de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2007) worden beschouwd als één beslissing op bezwaar van 24 augustus 2007. Gelet op het voorgaande verenigt de rechtbank zich niet met het door verweerder ter zitting toegelichte beleid om in situaties als die van eiser bij herzieningen, die op basis van het aSb na 22 februari 2007 effectief worden, in een beslissing op bezwaar te herroepen en vervolgens een apart primair besluit op basis van het oSb per 22 februari 2007 af te geven.

2.14 Verweerder heeft dan ook ten onrechte eiser in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen het door verweerder aangemerkte primaire besluit van 24 augustus 2007, nu dit deel uitmaakt van het bestreden besluit. De rechtbank zal het door eiser gemaakte bezwaar tegen dit besluit van 24 augustus 2007 beschouwen als een aanvulling van zijn beroepsgronden. Overigens zijn deze gronden ook gelijk aan de gronden die in de procedure tegen het bestreden besluit door eiser zijn aangevoerd. De beslissing op bezwaar van 8 februari 2008 en de in het kader daarvan opgestelde medische en arbeidskundige rapportages worden beschouwd als een nadere toelichting op het bestreden besluit dat thans ter toetsing aan de rechtbank voorligt.

2.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient de rechtbank te beoordelen of verweerder op goede gronden heeft bepaald dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 22 februari 2007 is vastgesteld op 45 tot 55%.

2.16 Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen dient eerst te worden vastgesteld welke medische beperkingen eiser heeft en vervolgens wat de invloed van deze beperkingen is op zijn verdienvermogen.

2.17 Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder met name het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 30 januari 2008 en in mindere mate het rapport van Momberg van 2 augustus 2007, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van deze artsen - tot wiens specifieke deskundigheid het behoort om op grond van de beschikbare medische gegevens beperkingen ter zake van het verrichten van arbeid vast te stellen - in twijfel te trekken. Lustenhouwer heeft eiser in het kader van de beoordeling zelf onderzocht en voorts kennis genomen van het rapport van verzekeringsarts Oei, die eiser ook zelf heeft onderzocht en informatie heeft opgevraagd bij de huisarts, welke hij kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Uit de rapporten blijkt dat rekening is gehouden met de door eiser ervaren klachten. Aangezien eiser voorts geen medische stukken heeft overgelegd die tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling leiden, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder de belastbaarheid van eiser onzorgvuldig heeft beoordeeld en heeft overschat. De rechtbank stelt vast dat in de FML rekening is gehouden met de door eiser ervaren klachten.

2.18 Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.

2.19 De in het kader van het arbeidskundig onderzoek aan eiser voorgehouden functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor eiser vastgestelde beperkingen. In dit verband overweegt de rechtbank dat, anders dan eiser stelt, hij voldoet aan het gestelde opleidingsniveau. De rechtbank verwijst hiervoor naar de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundigen van 6 augustus 2007 en van 1 februari 2008. Hierin is afdoende gemotiveerd dat eiser voldoet aan het VMBO-niveau en zijn opleidingsniveau daarmee terecht is gesteld op twee. Dit niveau is volgens het CBBS geïndiceerd indien er sprake is van een getuigschrift basisschool en eventueel meerdere klassen vervolgonderwijs zonder diploma. Nu vaststaat dat eiser een LBO-opleiding heeft gevolgd, welke hij niet heeft afgemaakt, is hij terecht onder dit niveau geschaard. De rechtbank merkt daarbij op dat in de rapportage uit wordt gegaan van VMBO-niveau en niet van een VMBO-diploma. In geval van een VMBO-diploma zou eiser in klasse 3 terecht zijn gekomen. Voorts wordt ten aanzien van de stelling van eiser dat de functie van chauffeur-besteller (SBC 111230) niet passend is, omdat met het autorijden trillen gepaard gaat, overwogen dat in het kader van het CBBS trillingen en schokken die voorkomen bij het gebruik van een auto buiten beschouwing worden gelaten vanwege de relatief geringe intensiteit en geringe totale blootstellingsduur. Derhalve levert de functie van chauffeur-besteller geen overschrijding op ten aanzien van de voor eiser vastgestelde trillingsbelasting. Ook ten aanzien van de overige door eiser aangevoerde gronden in beroep (met betrekking tot het probleemoplossen en het werken met agressieve mensen) is in het rapport van 1 februari 2008 naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de voor eiser geduide functies passend zijn.

2.22 Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts dat eiser met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen (zijn verdienvermogen) dat hij voor 45-55% arbeidsongeschikt in zin van de WAO moet worden beschouwd.

2.23 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zijnde de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2007 en het door verweerder aangemerkte primaire besluit van 24 augustus 2007. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.

De griffier: De rechter:

A. Heijboer mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.