Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC9162

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
16/600298-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing inbewaringstelling wegens het ontbreken van vluchtgevaar bij ongewenst vreemdeling, die zich in vreemdelingenbewaring bevindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 153

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Parketnr.: 16/600298-08

Beschikking in hoger beroep inzake:

AFWIJZING VORDERING BEVEL BEWARING

Beschikking in raadkamer op het hoger beroep van de officier van justitie tegen een beschikking van de rechter-commissaris van 14 maart 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. De bestreden beslissing

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2008 de vordering tot inbewaringstelling van [verdachte] voornoemd, verder te noemen verdachte, afgewezen.

2. Het hoger beroep

De officier van justitie heeft op 19 maart 2008 tegen bovenvermelde beschikking van de rechter-commissaris hoger beroep ingesteld en een appelmemorie overgelegd.

De officier van justitie heeft de bewaring gevorderd ter zake van het feit zoals opgenomen in de vordering inbewaringstelling, welke is gehecht aan deze beschikking.

3. Het verweer

De raadsvrouwe van verdachte heeft ter zitting in raadkamer van 3 april 2008 verweer gevoerd.

4. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het hoger beroep gelet op de navolgende feiten en omstandigheden.

De rechter-commissaris heeft, blijkens de bestreden beslissing, de vordering tot inbewaringstelling afgewezen, wegens het ontbreken van een reëel gevaar voor vlucht.

Verdachte is tot ongewenst vreemdeling verklaard bij besluit van de staatsecretaris van justitie van 8 mei 1998. Uit een aanhangsel aan dit besluit blijkt dat genoemd besluit op 12 juni 1998 aan verdachte in persoon is uitgereikt.

Uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister blijkt dat verdachte in het verleden zeker twee maal eerder is aangehouden voor eenzelfde delict, te weten artikel 197 Wetboek van Strafrecht. De onderhavige strafzaak betreft derhalve een derde aanhouding voor dit delict. Door de verdediging is niet weersproken dat in beginsel terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is en dat verdachte hulp kan krijgen bij het verkrijgen van geldige reisdocumenten en bij de terugkeer naar het land van herkomst.

Centraal staat de vraag of in de omstandigheden van dit geval de voorlopige hechtenis kan worden bevolen enkel en alleen op de grond van "vluchtgevaar". Daarbij staat voorop dat het verzekeren van de aanwezigheid van een verdachte bij zijn berechting en/of van zijn onderwerping aan een eventueel op te leggen vrijheidsstraf algemeen aanvaard is als een deugdelijke grond voor voorlopige hechtenis. Vlucht moet worden verstaan als het zich onttrekken aan berechting en/of executie. Daarvoor is niet nodig dat een verdachte het land verlaat, voldoende is dat hij onbereikbaar is voor justitie doordat hij niet staat ingeschreven bij de Gemeentelijke Basis Administratie en ook anderszins geen woon- of verblijf adres van hem bekend is.

Wanneer de hierboven genoemde factoren worden gelegd op de onderhavige strafzaak tegen verdachte, kan de conclusie niet anders luiden dan dat de voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Verdachte staat niet ingeschreven bij de Gemeentelijke Basis Administratie en van hem is geen woon- of verblijf adres bekend. Ook zijn raadsvrouwe beschikt niet over een adres van verdachte.

Resteert de omstandigheid dat verdachte zich op dit moment sinds 14 maart 2008 in vreemdelingenbewaring bevindt. Verdachte is ten gevolge van de vreemdelingenbewaring op dit moment voldoende bereikbaar voor justitie. Gezien die vreemdelingenbewaring en de daarbij gevolgde praktijk van rechterlijke toetsing, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet voorzienbaar is dat verdachte binnen de termijn waarvoor de voorlopige hechtenis in dit geval zou kunnen worden bevolen (met het oog op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering) voor justitie onbereikbaar zal zijn. Onder dergelijke omstandigheden kan niet worden volgehouden dat er sprake is van vluchtgevaar.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond is, aangezien de rechtbank geen gronden aanwezig acht om de bewaring te bevelen.

4. De beslissing:

De rechtbank verklaart het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond.

Aldus gedaan te Utrecht op 9 april 2008 door mrs. R.H.M. Jansen, S.C. Hagedoorn en P.J.G. van Osta, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer als griffier.