Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8605

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
16-715040-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk de handel in drugs had. Naast deelname aan een criminele organisatie werd hij schuldig bevonden aan het leveren van 100-gram cocaïne. Hij kreeg in totaal een gevangenisstraf van één jaar opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/715040-05

Datum uitspraak: 3 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[VERDACHTE B],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. J.G. Kabalt.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

21 juni 2007, 26 september 2007, 22 oktober 2007 en 18, 19 en 20 maart 2008.

De behandeling van de strafzaak tegen de verdachte heeft tegelijkertijd plaatsgevonden met de behandeling van de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte A]. In het vonnis zullen verdachte en de medeverdachten worden aangeduid als ‘verdachte’ of ‘verdachten’ en ook als ‘[medeverdachte C]’, ‘[medeverdachte A]’ en ‘[verdachte B]’.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 mei 2006, te

Utrecht, in elk geval in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte

en/of een of meer andere perso(o)n(en) (waaronder onder andere(n) [medeverdachte C]

en/of [medeverdachte A]), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk misdrijven strafbaar gesteld in:

- (artikel 2 B en/of C en/of 3 B en/of C en/of 10A lid1 onder 1/2/3) de

Opiumwet;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met

22 mei 2006 te Utrecht en/of Maarssen en/of De Bilt, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van een grote hoeveelheid pillen bevattende MDMA en/of een hoeveelheid cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne,

zijnde MDMA en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

een ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn

en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden

dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende/zijnde verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

-aan (een) derde(n) te kennen gegeven over (grote) partij(en) verdovende

middelen (cocaïne en/of pillen bevattende MDMA) te (kunnen) beschikken en/of

-aan (een) derde(n) aangeboden een partij van 500.000 pillen bevattende MDMA af te nemen

van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of;

-met (een) derde(n) overeengekomen een partij van 500.000 pillen bevattende MDMA te

leveren tegen betaling van een groot geldbedrag ((ongeveer) 105.000 pond))

en/of

-(vervolgens) (in het kader van de voorbereiding/uitvoering van voorgenoemde

levering van 500.000 pillen bevattende MDMA) een monster bestaande uit een aantal

pillen bevattende MDMA geleverd en/of

- (vervolgens) aan (een) derde(n) aangeboden een hoeveelheid (5, althans 3

kilogram) cocaïne af te nemen van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s)

en/of;

- (vervolgens) overeengekomen aan (een) derde(n) een hoeveelheid (5, althans 3

kilogram) cocaïne te leveren tegen betaling van een groot geldbedrag

((ongeveer) 105.000 pond));

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 27 juni 2005 tot en met 30 mei 2006, althans op of omstreeks 4 maart 2006 althans op of omstreeks 4 maart 2006, althans in of omstreeks de periode van 27 juni 2005 tot en met 30 mei 2006 te Utrecht en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen,

althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt (onder meer),

- (een) hoeveelhe(i)d(en) (onder andere (tenminste) eenmaal een hoeveelheid

van (ongeveer) honderd gram) cocaïne aan [betrokkene H],

zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2. De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging (na wijziging) voor wat betreft feit 3 nietig behoort te worden verklaard, nu het onbegrijpelijk is op welke periode dit verwijt ziet.

De rechtbank overweegt als volgt.

Weliswaar kan worden gezegd dat de redactie van het onder 3 ten laste gelegde ongelukkig is, de rechtbank is echter van oordeel dat het voor verdachte duidelijk is geweest welke gedraging hem door de officier van justitie wordt verweten. De rechtbank verwerpt het verweer.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft een aantal verweren opgeworpen, op grond waarvan primair is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting.

Voorts is de verdediging van mening dat, voor zover één van deze verweren niet op zichzelf reeds tot de niet-ontvankelijkheid leidt, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen uit de opeenstapeling van diverse zware en minder zware schendingen van het procesrecht, waaronder de rechten van de verdediging.

3.1. Verdenking

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat op 6 april 2005 tegen de verdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte A] een bevel observatie ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv) is gegeven op basis van onvoldoende verdenking. De verdenking was, zoals blijkt uit het aanvraag proces-verbaal van 31 maart 2005, slechts gebaseerd op diverse CIE- en RID-informaties, terwijl de inhoud van een aantal van die informaties verifieerbaar onjuist was, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover het de gebruikmaking van CIE/RID-processen-verbaal betreft, is in eerdere jurisprudentie uitgemaakt dat deze gebruikt mogen worden als aanleiding voor het starten van een opsporingsonderzoek. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Hoge Raad van 11 juni 2002 (LJN: AE0045) en 18 november 2003 (LJN: AJ0517).

Deze grondslag als zodanig is derhalve deugdelijk.

Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat bedoelde CIE/RID-informatie tenminste ten dele feitelijk onjuist was en dat deze onjuistheid op eenvoudige wijze had kunnen worden vastgesteld. In die zin heeft de politie de informatie onvoldoende veredeld, aldus de verdediging.

Dit verweer wordt verworpen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat het om een groot aantal CIE/RID-meldingen gaat. Bovendien gaat voor een relatief groot deel van deze meldingen de veronderstelling inzake de eenvoud van het vaststellen van de onjuistheid niet op.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de CIE/RID-informatie voldoende aanknopingspunten voorhanden waren om het opsporingsmiddel van observatie op grond van artikel 126g Sv in te zetten, op de wijze als door de officier van justitie in de bevelen van 6 april 2005 is bepaald. Dat het door teamleider Hazelaar opgestelde start proces-verbaal pas van 14 april 2005 dateert maakt dit niet anders. De meldingen van de CIE en RID kunnen de verdenking zelfstandig dragen, los van dit start proces-verbaal.

Voor zover de verdediging bedoeld heeft te stellen dat bij de start van het onderzoek Acacia onvoldoende verdenking bestond om in het algemeen te komen tot de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden als bedoeld in titel IVA van Boek 1 Sv verwerpt de rechtbank dit verweer ook.

Uit het proces-verbaal Start operationeel onderzoek d.d. 14 april 2005, opgesteld door teamleider Hazelaar (ACA/AH/03), blijkt dat de verdenking tegen [medeverdachte C] en [medeverdachte A] niet alleen gestoeld was op de informaties van de CIE en RID maar dat in het voorbereidend onderzoek ook informatie is ingewonnen uit politiebronnen (HKS, BPS, BLOM, VROS, RDW), andere bronnen (Kamer van Koophandel, Gemeentelijke basisadministratie, Kadaster), en andere onderzoeken (Tekkel en overleg politie Schotland). Tevens zijn 4 Motmeldingen onderzocht.

Na de start van het onderzoek is er uit de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden, met name de telefoontaps, meer informatie verkregen. Daardoor kon bijvoorbeeld op 23 september 2005, bij de aanvraag van een bevel Stelselmatige informatie-inwinning, de verdenking dat [medeverdachte C] en [medeverdachte A] deelnamen aan een criminele organisatie en handel in drugs, nader worden onderbouwd en was tevens voldoende verdenking ontstaan om ook [verdachte B] in dit kader als verdachte aan te merken.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de start van het onderzoek niet onrechtmatig was en dat er ook telkens voldoende verdenking was voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden als bedoeld in Titel IVa van Boek 1 Sv.

3.2. De inzet van A-1702 (‘Gary Hutton’)

In het onderzoek tegen de verdachten is gebruik gemaakt van een zogenaamde undercover- agent. Deze undercover agent is onder codenummer A-1702 ingeschreven en geregistreerd bij het Team Nationale Coördinatie Politiële Infiltraties van het Korps Landelijke Politie Diensten. A-1702 heeft zich tijdens zijn inzet steeds bediend van het pseudoniem ‘Gary Hutton’.

Aan de inzet van A-1702 liggen bevelen ex artikel 126j (stelselmatige inwinning van informatie) respectievelijk artikel 126i (pseudo-koop en –dienstverlening) van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag.

De verdediging heeft met betrekking tot de (wijze van) inzet van deze opsporingsmiddelen meerdere verweren aangevoerd welke hierna zullen worden besproken.

Bij de toetsing van de feitelijke gedragingen van A-1702 jegens de verdachten aan de daarvoor geldende rechtsregels, dient het volgende te worden vooropgesteld. Die bedoelde rechtsregels betreffen met name de bepalingen van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (hierna ook: Wet BOB), de op 1 februari 2000 in werking getreden wet waarmee de bijzondere opsporingsbevoegdheden een specifieke basis in het Wetboek van Strafvordering is verschaft. De Wet BOB was in belangrijke mate gebaseerd op het omvangrijke onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden is verricht naar de praktijk van opsporing. De bevindingen van deze commissie gaven aanleiding tot grote zorg aangaande de normering van en het toezicht op de door de politie gebezigde opsporingsmethoden. Met de Wet BOB heeft de wetgever dan ook getracht de opsporing weer in het rechtsstatelijk en Europees Verdragsrechtelijk gareel te krijgen. Het vergroten van de controle op de hantering van opsporingsmethoden was daarom één van de belangrijke doelstellingen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat, in algemene zin, de Wet BOB zich veeleer voor een strikte dan voor een coulante toepassing lijkt te lenen.

Thans volgt bespreking van de gevoerde verweren. Daarbij merkt de rechtbank reeds nu op dat zij op enkele onderdelen tot het oordeel is gekomen dat sprake is van enig vormverzuim. Op de hieraan te verbinden consequenties zal aan het einde van dit onderdeel van het vonnis, in een afrondende overweging worden teruggekomen.

3.2.1. Tallon

In de opsporingsonderzoeken tegen medeverdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte A] zijn in de periode maart t/m mei 2006 diverse bevelen pseudokoop en –dienstverlening verleend. In het kader van de uitvoering van deze bevelen heeft A-1702 zich voorgedaan als potentiële koper van xtc-pillen en cocaïne.

Door de verdediging is een beroep gedaan op de schending van het Tallon-criterium waarbij verwezen is naar de in de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte A] in dit kader gevoerde verweren. In de strafzaken tegen [medeverdachte C] en [medeverdachte A] is het verweer gevoerd dat zij door middel van de pseudo-koopactie tot feiten zijn gebracht die zij anders niet zouden hebben gepleegd. Geen van hen zou eerder bereid zijn geweest om 500.000 XTC-pillen te leveren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Hoewel er tegen verdachte geen bevel pseudokoop en –dienstverlening is verleend en er strikt genomen dus ook geen sprake kan zijn geweest van uitlokking van verdachte, kan de uitkomst van de beoordeling van dit verweer in de strafzaken van de medeverdachten ook van belang zijn voor verdachte. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de verwevenheid van de strafzaak van verdachte met die van de medeverdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte A] en de gebleken samenwerking met de medeverdachten.

De rechtbank heeft het verweer getoetst aan het in de jurisprudentie van het EHRM ontwikkelde zogenaamde Tallon-criterium, dat in de wet is verankerd in, voor zover hier van belang, art. 126i lid 2 Sv. Toetsing aan het Tallon-criterium, dat ook wel wordt aangeduid als het instigatieverbod, behelst, kort samengevat, beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van onoorbare, grensoverschrijdende handelingen door een opsporingsinstantie of opsporingsambtenaren die verdachte hebben gebracht tot gedragingen waarop diens opzet niet reeds tevoren was gericht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake was van overtreding van het Tallon-criterium noch van het instigatieverbod omdat er bij de medeverdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte A] reeds voordat A-1702 als potentiële koper in beeld kwam, generiek opzet aanwezig was op het plegen van soort gelijke delicten als waar in de pseudokoop actie sprake was. De rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op de in het start proces-verbaal genoemde CIE- en RID-informatie en de informatie uit de Britse opsporingsonderzoeken naar drugstransporten vanuit Europa naar Schotland waarin de namen van [medeverdachte C] en [medeverdachte A] naar voren kwamen. Voorts heeft de rechtbank uit de verslagen van de gedurende het onderzoek afgetapte telefoongesprekken, waaraan door [medeverdachte C] en [medeverdachte A] werd deelgenomen, afgeleid dat er meermalen contacten met derden werden onderhouden waarin sprake was van levering van hard drugs. Deze gesprekken vonden plaats ruimschoots voordat A-1702 zich als potentiële koper bij verdachten profileerde. Daarbij komt dat, blijkens diverse tapverslagen, met name [medeverdachte A], gelijktijdig met de contacten met A-1702, contacten onderhield met andere potentiële afnemers van drugs, zoals [afnemer x], [afnemer y] en [afnemer z] (in het onderzoek ook aangeduid als [bijnaam afnemer z]).

In dit licht bezien beschikte A-1702 naar het oordeel van de rechtbank over een behoorlijke manoeuvreerruimte alvorens sprake zou zijn geweest van handelen in strijd met het instigatieverbod. Naar het oordeel van de rechtbank heeft A-1702 de grenzen van die manoeuvreerruimte niet overschreden, ook niet wanneer uitgegaan wordt van de verklaringen van de verdachten zelf over hun contacten met A-1702. Uit die verklaringen volgt dat het met name A-1702 zou zijn geweest die op enig moment het gesprek van XTC-pillen op cocaïne gebracht zou hebben.

3.2.2 Geldigheid inzet A-1702

Naar aanleiding van een aanvraag proces-verbaal d.d. 23 september 2005 van A.G. van Oostrum is door de officier van justitie op 25 september 2005 ten aanzien van alle drie de verdachten een bevel stelselmatige inwinning van informatie gegeven als bedoeld in artikel 126j, lid 1 Sv voor de duur van drie maanden. Deze bevelen liepen af op 25 december 2005 zonder dat deze zijn verlengd. Deze omissie is eerst op 9 februari 2006 opgemerkt. De officier van justitie heeft toen voor alle drie de verdachten mondeling een nieuw bevel gegeven ex artikel 126j Sv. Op dezelfde datum is door het onderzoeksteam (de teamleider) een aanvraag proces-verbaal opgesteld. In dit proces-verbaal werd voor de verdenking verwezen naar de eerdere aanvraag d.d. 23 september 2005. Wel is deze aanvraag, in tegenstelling tot de aanvraag van september, de mogelijkheid aangegeven van de inzet van een buitenlandse opsporingsambtenaar. Dit is ook in de verlengingsaanvraag van 2 mei 2006 gebeurd. Alleen het bevel ten aanzien van [medeverdachte C] is schriftelijk bevestigd. Ten aanzien van [medeverdachte A] en [verdachte B] heeft geen schriftelijke bevestiging plaatsgevonden. De officier van justitie heeft het traject van stelselmatige inwinning van informatie op 19 mei 2006 beëindigd.

3.2.2.1. Bevel ex art. 126j Sv en inzet buitenlandse opsporingsambtenaar

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevelen ex artikel 126j Sv niet het optreden van een persoon in openbare dienst van een vreemde staat – wat A-1702 is – ‘dekken’ nu daarin de stelselmatige inwinning van informatie wordt opgedragen aan een opsporingsambtenaar ex artikel 141 onder b Sv.

De rechtbank overweegt het volgende.

A-1702 heeft de Britse nationaliteit en is als opsporingsambtenaar werkzaam in Groot-Brittannië. Hij moet dus worden aangemerkt als persoon in openbare dienst van een vreemde staat en betreft niet een opsporingsambtenaar ex artikel 141 Sv. Feitelijk is de vaststelling juist – het bevel richt zich telkens tot een 141 Sv-opsporingsambtenaar. Dit is temeer opmerkelijk omdat 1) in de aanvraag van het tweede bevel d.d. 9 februari 2006 en in de aanvraag tot verlenging daarvan wel het alternatief van de buitenlandse onderdaan wordt genoemd, en 2) aangenomen zou moeten worden dat de bevelverlenende officier van justitie in ieder geval ten tijde van het tweede bevel weet moet hebben gehad van de nationaliteit van A-1702. Voor de juridische en praktische relevantie van het onderscheid tussen de beide categorieën informatie-inwinners volstaat de rechtbank hier met verwijzing naar hetgeen dienaangaande is overwogen in het vonnis van de Rechtbank Zwolle van 3 mei 2007, LJN BA4345. Anders gezegd: nu in lid 4 van artikel 126j Sv aan de officier van justitie een specifieke bevoegdheid is gegeven tot het geven van een bevel aan personen in dienst van een vreemde staat, had de officier van justitie van die bevoegdheid gebruik moeten maken bij de inzet van A-1702.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een normschending.

3.2.2.2. Stelselmatig inwinning van informatie zonder bevel

De verdediging heeft aangevoerd dat nu A-1702 niet steeds onder een geldig bevel opereerde en de informatie in deze periode onrechtmatig is verkregen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Nadat op 25 december 2005 de geldigheid van de eerste tegen de drie verdachten verleende bevelen was verstreken, is de inzet van A-1702 voortgezet zonder dat deze bevelen waren verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank moet die inzet zonder meer onrechtmatig worden geoordeeld.

Voor wat betreft [medeverdachte C] stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat aan die onrechtmatigheid een einde komt op het moment dat op 9 februari 2006 een nieuw bevel ex artikel 126j Sv wordt verleend. Tegen deze stelling pleit evenwel de vaststelling dat dit bevel, in strijd met het bepaalde in artikel 126j juncto 126g, niet binnen drie dagen maar eerst op 14 februari 2006 schriftelijk is bevestigd. In elk geval kan worden vastgesteld dat (ook) hier sprake is van een formele normschending. Over de hieraan al dan niet te verbinden consequenties wordt hierna teruggekomen. Daarbij dringt zich dan tevens de vraag op of die consequenties zich tevens moeten uitstrekken tot het op 9 mei 2006 verleende bevel nu dit immers niet een zelfstandig nieuw bevel, maar een verlenging van het op 9 februari 2006 verleende bevel betreft.

Voor wat betreft de verdachten [medeverdachte A] en [verdachte B] is weliswaar mondeling een nieuw (tweede) bevel verleend, echter dit is bij geen van beiden schriftelijk bevestigd. De rechtbank moet derhalve het er voor houden dat de bevelen niet zijn gegeven. Nu is verdedigbaar dat de rechtmatige inzet van een opsporingsmiddel tegen [medeverdachte C] mede rechtmatig verkregen bewijs oplevert tegen de verdachten [medeverdachte A] en [verdachte B]. [medeverdachte A] en [verdachte B], althans het jegens hen verkregen bewijs, gelden/geldt dan als ‘bijvangst’. In dit dossier ontbreekt evenwel enig aanknopingspunt voor de veronderstelling dat [medeverdachte A] en [verdachte B] in de loop van het onderzoek zijn afgeschat tot ‘bijvangst’. Sterker nog, ook in de latere Aanvraag processen-verbaal worden zij met [medeverdachte C] aangemerkt als degenen om wie het onderzoek draaide. Voorts kan feitelijk worden vastgesteld dat A-1702 juist investeerde in (zijn relatie met) [medeverdachte A].

In aansluiting op dit laatste blijkt uit het dossier dat A-1702 op 22 mei 2006 telefonisch contact heeft opgenomen met [medeverdachte A] waarna hij, A-1702, suggereert dat ‘we’ nog een poging zouden kunnen doen. Dit gesprek vindt plaats nadat de officier van justitie op 19 mei 2006 had besloten om het traject van het stelselmatig inwinnen van informatie en van pseudo-koop en –dienstverlening te beëindigen. Het optreden van A-1702 op 22 mei 2006 is dan ook zonder meer onrechtmatig. Daarnaast moet worden geconcludeerd dat deze actie van A-1702 twijfels doet rijzen aangaande de mate waarin de begeleiders - en in hun voetspoor: de officier van justitie - de regie over A-1702 hebben weten te voeren.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een normschending.

3.2.3. Infiltratie in plaats van stelselmatige inwinning van informatie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de inzet van A-1702 infiltratie betrof in plaats van stelselmatige inwinning van informatie.

De rechtbank overweegt het volgende.

Kenmerkend voor infiltratie, zie artikel 126h Sv, is dat de opsporingsambtenaar (of de persoon in openbare dienst van een vreemde staat) deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.

Dit verweer wordt verworpen. Wat de positie van A-1702 ten opzichte van de verdachten kenmerkt is immers dat hij, in weerwil van het feit dat hij het vertrouwen van met name [medeverdachte A] lijkt te hebben gewonnen, een buitenstaander blijft. Hij brengt het slechts tot potentiële afnemer en wordt niet of nauwelijks ingewijd in de informatie aangaande lucrativiteit en/of (on)mogelijkheden van voorgenomen transacties die de verdachten blijkens de tapgesprekken (wel) met elkaar delen.

3.2.4. Handgeschreven aantekeningen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, omdat de handgeschreven aantekeningen van de begeleiders van A-1702, die aangeduid zijn met de codenamen B-1121 en B-1153, niet door de officier van justitie aan het dossier zijn toegevoegd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Voor wat betreft de wijze van verslaglegging van de bevindingen van A-1702 gaat de rechtbank uit van de volgende gang van zaken. Telkens nadat A-1702 in contact was geweest met één van zijn ‘targets’ ([medeverdachte C], [medeverdachte A] of [verdachte B]), deed hij in de Engelse taal mondeling verslag aan zijn begeleiders B-1121- en/of B-1153. Deze begeleiders legden de bevindingen van A-1702 zoveel als mogelijk woordelijk vast in handgeschreven aantekeningen in de Nederlandse taal die zij vervolgens in de Engelse taal aan A-1702 voorlazen, waarna de laatste van zijn goedkeuring blijk gaf door de handgeschreven aantekeningen te ondertekenen. Aan de hand van de aantekeningen hebben de begeleiders getypte processen-verbaal opgemaakt die ook door hen, overigens eerst in augustus 2006, zijn ondertekend. Deze processen-verbaal maken deel uit van het dossier. De handgeschreven aantekeningen niet; bij navraag bleken deze te zijn vernietigd.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de handgeschreven aantekeningen overeenkomstig het bepaalde in artikel 126aa, eerste lid Sv te worden beschouwd als ‘andere voorwerpen’, waaraan gegevens kunnen worden ontleend die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn en die de officier van justitie op grond van het vijfde lid van dit artikel op verzoek van de verdediging bij de processtukken had behoren te voegen.

Zoals blijkt uit de meergenoemde Memorie van Toelichting betrof één van de doelstellingen van de Wet BOB de vergroting van de mogelijkheden van de rechter om de bijzondere opsporingsbevoegdheden ter terechtzitting te toetsen . Aan de verplichting tot verantwoording van de wijze van toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden is zelfs een afzonderlijke titel (Vd) gewijd. Daarin is niet alleen artikel 126aa Sv onder gebracht maar ook bijvoorbeeld een bewaarplicht voor de officier van justitie opgenomen ten aanzien van – kortweg - de resultaten van technische hulpmiddelen (vgl. artikel 126cc Sv). Naar de letter van de wet vallen de handgeschreven aantekeningen daar niet onder. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de bewaarplicht van de officier van justitie zich ook tot de onderhavige handgeschreven aantekeningen uitstrekte, zeker ook gelet op de in het vijfde lid van artikel 126aa Sv aan de verdediging verleende bevoegdheid stukken aan het dossier toe te laten voegen. Daarbij is van belang dat de officier van justitie had moeten en kunnen voorzien dat die aantekeningen voor de rechtbank en voor de verdediging van groot belang hadden kunnen zijn bij de weging en waardering van hetgeen de inzet van A-1702 heeft opgeleverd. Het is immers in het strafproces een feit van algemene bekendheid dat de inzet van een undercoveragent steevast aanleiding geeft tot discussie over de vraag of de verdachte al dan niet is uitgelokt. Nu de officier van justitie ervoor heeft gekozen om de aantekeningen niet eigener beweging aan het dossier toe te voegen, had hij er dan ook ernstig rekening mee moeten houden dat hetzij de rechtbank hetzij de verdediging (op grond van artikel 126aa lid 5 Sv) hem zou verzoeken dit alsnog te doen. Dit klemt temeer nu, zoals de begeleider bekend als B-1153 ten overstaan van de rechter-commissaris (pag. 3 en 4) heeft verklaard, de zogenaamde begeleiderprocessen-verbaal, welke wel aan het procesdossier zijn toegevoegd, slechts een samenvatting en geen letterlijke weergave van het concept zijn. Daarbij gaat de rechtbank er van uit dat met ‘concept’ wordt gedoeld op de hiervoor besproken handgeschreven aantekeningen. Het feit dat vernietiging van die aantekeningen een ‘standaardprocedure’ zou zijn doet daaraan niet af. De reden die voor deze standaardprocedure wordt opgevoerd, het risico van uitlekken van de identiteit van de undercoveragent, overtuigt niet. Dit alleen al omdat aan dit bezwaar door tussenkomst van de rechter-commissaris tegemoet gekomen had kunnen worden.

Tot slot overweegt de rechtbank dat het horen van A-1702 en zijn begeleiders zoals dit heeft plaatsgevonden bij de rechter-commissaris, in dit geval onvoldoende compensatie kan bieden voor de vernietiging van de aantekeningen. Uit deze verhoren blijkt immers dat voor de details en nuances op het geheugen van deze betrokkenen meer dan eens tevergeefs een beroep werd gedaan, hetgeen uiteraard gegeven het tijdsverloop niet onverwacht en niet onbegrijpelijk is. Daarbij komt dat door A-1702 veelvuldig is verwezen naar zijn verslaglegging, die kennelijk slechts in door de begeleiders samengevatte vorm ter beschikking is.

Alles afwegend is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat hier sprake is van een normschending.

3.2.5. Veiligheidslijn

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat er sprake is geweest van schending van artikel 8 EVRM doordat gebleken is dat A-1702 tijdens contacten met de verdachte voorzien was van technisch hulpmiddel waardoor het begeleidingsteam van A-1702 live kon meeluisteren, zonder dat een bevel opnemen vertrouwelijke communicatie ex art. 126l, eerste lid Sv was gegeven.

De toenmalige zaaksofficier van justitie heeft bij aanvullend proces-verbaal d.d. 8 oktober 2007 gerelateerd dat dit hulpmiddel slechts is ingezet met het oog op de veiligheid van

A-1702. Nooit is aan de officier van justitie op enigerlei wijze gebleken dat er directe of indirecte informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden tussen het begeleidingsteam en de leden van het onderzoeksteam.

De verdediging heeft gewezen op pag. 288 van het dossier, zijnde het proces-verbaal van een verhoor van verdachte [medeverdachte C] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de leden van het tactische team (de rechtbank begrijpt dat hiermee ook wordt bedoeld het onderzoeksteam) die de ondervraging deden, de gesprekken die A-1702 met verdachten had, mee hadden afgeluisterd. De verdediging doelt op het gebruik van het woord “hoorden” in een aan verdachte gestelde vraag.

Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank ter zitting van 18 maart 2008 een aantal vragen geformuleerd die de huidige zaaks-officier van justitie telefonisch heeft gesteld aan getuige

B-1121, één van de begeleiders van A-1702.

De officier van justitie heeft zijn bevindingen gerelateerd in een proces-verbaal dat hij op 19 maart 2008 aan de rechtbank ter voeging in het dossier heeft over gelegd.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat B-1121 heeft bevestigd dat de zogenaamde veiligheidslijn nooit uitgeluisterd is door leden van het tactische team en dat de informatie via het uitluisteren van de veiligheidslijn ook niet op een andere wijze bij het tactische team bekend is geworden.

Deze processen-verbaal geven naar het oordeel van de rechtbank voldoende garantie dat de veiligheidslijn geen enkele rol heeft gespeeld in het opsporingsonderzoek.

Het gebruik maken van een technisch hulpmiddel in de vorm van een veiligheidslijn in het kader van het waarborgen van de veiligheid van de ingezette opsporingsambtenaar kan onder omstandigheden een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren. Ingevolge de jurisprudentie van het EHRM (zoals het door mr. Bouwman bij pleidooi overgelegde arrest d.d. 25 oktober 2007 van het EHRM in de zaak Van Vondel tegen Nederland) mag een dergelijke inbreuk, gepleegd door een overheidsorgaan, alleen plaatsvinden op basis van een voldoende concreet wettelijk voorschrift.

Door de verdediging is aangevoerd dat voor de toepassing van een veiligheidslijn geen wettelijk voorschrift bestaat dat voldoet aan de in de Europese jurisprudentie geformuleerde eisen, in ieder geval zou dit niet kunnen zijn artikel 2 van de Politiewet.

De rechtbank heeft tijdens de zitting van 22 oktober 2007 het standpunt ingenomen dat de inbreuk die door het toepassen van de veiligheidslijn wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte wel zijn rechtvaardiging kan vinden in artikel 2 van de Politiewet. De rechtbank blijft bij dit standpunt.

Maar ook als in het licht van de geldende jurisprudentie ten aanzien van artikel 8 van het EVRM geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door een overheidsorgaan, dat wil zeggen: zonder voldoende wettelijke basis, dan nog zal dit naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen behoren te hebben voor het strafrechtelijke onderzoek.

Daar waar de veiligheidslijn louter is toegepast voor veiligheidsdoeleinden en vast staat dat er op geen enkele wijze informatie uit dit gebruik bekend is geworden bij het onderzoeksteam, valt de toepassing van dit hulpmiddel niet onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie maar onder de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder. De korpsbeheerder is immers eindverantwoordelijk voor het functioneren van de politie, waaronder begrepen de veiligheid van het politiepersoneel.

De rechtbank ziet derhalve de mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door het gebruik van de veiligheidslijn niet als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv.

3.2.6. Overige verweren

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in strijd met artikel 5, eerste lid van de Regeling infiltratieteams niet is voldaan aan het vereiste aantal van vier begeleiders van A-1702.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 5 van de Regeling infiltratieteams beschrijft in het eerste lid de samenstelling van een infiltratieteam, waarbij, voor zover voor de onderhavige zaak van toepassing, is bepaald dat het team is samengesteld uit tenminste vier begeleiders. De rechtbank overweegt dat deze samenstelling ingevolge artikel 1 sub a van de Regeling infiltratieteams ziet op het team als eenheid van een regionaal politiekorps en niet op de specifieke groep van opsporingsambtenaren die vanuit dit team wordt ingezet in een concreet onderzoek. Evenmin schrijft deze regeling voor dat een undercoveragent binnen een onderzoek door meer dan één persoon begeleid zou moeten worden.

Dit levert derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen normschending op.

3.3. Gevolgen normschendingen

Uit het hiervoor onder 2.2.2.1., 2.2.2.2. en 2.2.4 overwogene volgt dat de inzet van A-1702 gepaard is gegaan met en gekenmerkt wordt door meerdere schendingen van strafvorderlijke normen. Deze normschendingen kunnen worden aangemerkt als vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld, als bedoeld in artikel 359a Sv. Van de zijde van de verdediging is wegens de diverse vormverzuimen op de voet van artikel 359a Sv de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Daarin volgt de rechtbank de verdediging niet. Van niet-ontvankelijkheid kan immers slechts sprake zijn indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Rekening houdend met de belangen die de geschonden voorschriften dienen, met de ernst van de verzuimen en met het daardoor veroorzaakte nadeel, is de rechtbank van oordeel dat die situatie zich hier niet heeft voorgedaan. Daarvoor is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat bij de totstandkoming van de hiervoor besproken vormverzuimen bij de betrokken ambtenaren op enigerlei wijze de bedoeling heeft voorgezeten om de verdachte in zijn verdedigingsrechten te beknotten. Evenmin is aannemelijk geworden dat de betrokkenen ‘blind’ zijn geweest voor de belangen van de verdachte. Veeleer lijken de normschendingen te zijn veroorzaakt door enerzijds slordigheid, anderzijds onvoldoende bewust besef van het delicate karakter van het opsporingsmiddel.

Ofschoon de ultieme sanctie van niet-ontvankelijkheid niet aan orde is, is evident dat de vormverzuimen niet zonder gevolgen kunnen blijven. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van onrechtmatige bewijsgaring waarbij belangrijke strafvorderlijke voorschriften en/of rechtsbeginselen in aanzienlijke mate zijn geschonden. Om die reden acht de rechtbank uitsluiting van alle bewijsmiddelen die rechtstreeks te herleiden zijn op de inzet van A-1702 passend en geboden. Dit betreft zowel de inzet onder de vlag van ‘stelselmatig inwinnen van informatie’, als die in het kader van ‘pseudo-koop en –dienstverlening’. Ofschoon formeel gesproken kan worden van de toepassing van twee afzonderlijke opsporingsbevoegdheden is evident dat deze feitelijk nauw met elkaar verweven zijn geweest, waarbij de pseudo-koop en –dienstverlening praktisch gold als sequeel van de stelselmatige inwinning van informatie.

4. Vrijspraak

De rechtbank stelt vast dat, met de uitsluiting van het hiervoor onder 3.3. bedoelde bewijsmiddelen, niet kan worden bewezen verklaard hetgeen aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

5. Het bewijs en de beoordeling daarvan

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, BPS-dossiernummer 06-176256.

5.1. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

5.1.1. Uitgangspunten beoordeling

Vast staat dat er een gestructureerd samenwerkingsverband was tussen [medeverdachte C], [medeverdachte A] en [verdachte B] in verband met hun activiteiten in de horeca. [verdachte B] was vanaf eind 2004 werkzaam in het partycentrum [Partycentrum O] waarvan zijn vrouw bedrijfsleider was. [medeverdachte A] werkte vanaf augustus 2005 in de keuken van [Partycentrum O] en was vanaf januari 2006 bedrijfsleider van het [café S]. [medeverdachte C] was betrokken bij de aankoop van [Partycentrum O] en werkte als veiligheidsadviseur voor beide horecavestigingen. [medeverdachte C] en [medeverdachte A] waren al vanaf hun vroege jeugd bevriend met elkaar. Voor [medeverdachte C] en [verdachte B] gold dit vanaf het jaar 2000. De verdachten onderhielden blijkens de tap- en de observatieverslagen intensieve contacten met elkaar.

De vraag is of op basis van het strafrechtelijk onderzoek naar de activiteiten van de verdachten kan worden vastgesteld dat er ook duurzaam en gestructureerd samen werd gewerkt met het oogmerk om misdrijven te plegen als genoemd in het onder 1 ten laste gelegde feit.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank het volgende voorop.

In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal verslagen van afgetapte telefoongesprekken. Deze verslagen bestrijken een periode van ongeveer één jaar.

Uit deze verslagen komt naar voren dat er door verdachten, wanneer het gaat om mogelijke transacties, onderling of met derden versluierend wordt gesproken, terwijl dit bij reguliere gesprekken niet het geval is. Daarbij valt op dat de gesprekspartners kennelijk precies weten waar de gesprekken over gaan, ook al is er sprake van vage aanduidingen van goederen, hoeveelheden, locaties en betrokkenen. Er wordt onder meer gesproken over “dat ding”, over “the little ones”, over “cars” waar duidelijk geen auto’s worden bedoeld, over “tickets” terwijl op basis van de context onwaarschijnlijk is dat het over voetbaltickets gaat, zoals [medeverdachte A] heeft verklaard. Ook gaat het over “die kale”, “zijn mannetje” of “de wederhelft”.

Dit alles, in combinatie met de ervaring van de rechtbank dat telefoongesprekken waarin op deze wijze sprake is van versluierend taalgebruik doorgaans betrekking hebben op (handel in) verdovende middelen, rechtvaardigt het vermoeden dat de verdachten zich bezig hielden met de handel in verdovende middelen.

Daar waar in de afgetapte telefoongesprekken van de verdachten met elkaar of met anderen sprake is van versluierend taalgebruik kan de betekenis van een aantal vaker terugkerende termen worden afgeleid uit hetgeen de verdachten of getuigen over deze gesprekken hebben verklaard. Op basis hiervan gaat de rechtbank bij de beoordeling van de relevantie van deze bewijsmiddelen uit van de volgende betekenissen:

Tickets: cocaïne; 1 ticket is 1 kilo ;

Flakes: cocaïne ;

Cars: cocaïne ;

De Kale en de wederhelft van [medeverdachte A]: [medeverdachte C] ;

Little ones, Mitsubisies, hearts: xtc tabletten

Papierwerk: geld ;

De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen van belang voor de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van een criminele organisatie als bedoeld in feit 1 en of verdachte daaraan heeft deelgenomen.

5.1.2. Bezoek [medeverdachte A] aan Engeland in juni, juli 2005

[medeverdachte A] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij in juli 2005 in Engeland is geweest.

[medeverdachte A] refereert aan dit bezoek in een tapgesprek van hem met [betrokkene T] en [betrokkene J S] op 23 november 2005 . [medeverdachte A] spreekt over een “halve vrachtwagen tickets” waarvan maar één “ticket” betaald werd. De rest moest kennelijk weer teruggehaald worden. De teruggehaalde tickets waren van mindere kwaliteit dan de “tickets” die achter waren gelaten.

In dit telefoongesprek wordt versluierende taal gebruikt. Ook blijkt van betrokkenheid van de wederhelft van [medeverdachte A] (zijnde [medeverdachte C]).

Door [medeverdachte A] is verklaard dat dit gesprek over voetbalkaartjes ging.

De rechtbank acht dit gelet op de context echter niet geloofwaardig. In het bijzonder past hierbij niet de opmerking dat het om een halve vrachtwagen “tickets” ging, dat er slechts één “ticket” is betaald en dat de teruggehaalde “tickets” van mindere kwaliteit waren.

5.1.3. Contacten met [betrokkene T] en [gebroeders s]

Op basis van observaties kan worden vastgesteld dat de [gebroeders s] (hierna ook de gebroeders [gebroeders s]) op 11 en 12 september 2005 een bezoek hebben gebracht aan Nederland. Op 11 september 2005 vond een ontmoeting plaats van de gebroeders [gebroeders s] met [medeverdachte C] en [medeverdachte A]. Kort hierna, op 23 september 2005, is er een telefoongesprek tussen [betrokkene J S] en [medeverdachte C] waarin wordt afgesproken dat [medeverdachte C] [medeverdachte A] binnenkort zal sturen om “het papierwerk” (bedoeld is geld) bij [betrokkene J S] op te halen. Dit “papierwerk” lijkt te maken te hebben met de levering van “tickets”. [medeverdachte C] heeft desgevraagd geen verklaring kunnen geven voor de achtergrond van deze betaling zodat de rechtbank het ervoor houdt, gelet op de term “tickets”, dat deze betaling verband hield met een drugstransactie.

In de periode van 3 tot 5 oktober 2005 is [medeverdachte A] in Londen geweest om dit “papierwerk” op te halen en tevens om een bedrag van 11.000 pond te innen van [betrokkene A] via [betrokkene jn].

Uit diverse getapte gesprekken tussen [medeverdachte A] en [medeverdachte C] kan worden afgeleid dat [betrokkene J S] hierbij “1300” te weinig heeft betaald.

Het lijkt erop dat [medeverdachte C] en [medeverdachte A] nog andere zaken met de gebroeders [gebroeders s] en [betrokkene T] wilden doen. Over de aard van de zaken wordt versluierend gesproken. In ieder geval lijkt het feit dat [betrokkene J S] “1300” te weinig heeft betaald aan die andere handel (“het andere ding”) in de weg te staan. Dit leidt de rechtbank af uit de volgende gesprekken.

Een gesprek op 13 oktober 2005 tussen [betrokkene J S] en [medeverdachte A] waarin [betrokkene J S] vraagt of alles goed gaat met “het andere ding” en [medeverdachte A] zegt dat hij eerst de rest van het geld wil hebben.

Een gesprek op 18 oktober 2005 tussen [betrokkene T] en [medeverdachte A] waarin door Steve wordt voorgesteld dat het probleem een keer wordt besproken met de wederhelft van [medeverdachte A] (zijnde [medeverdachte C]) erbij. Ook zal dan de wederhelft van [betrokkene J S] aanwezig zijn (de rechtbank begrijpt [betrokkeneA S]). “Het andere ding” is geen probleem zegt [medeverdachte A] tijdens dit gesprek.

Ook in deze gesprekken wordt weer op versluierende wijze gesproken. Dat met “het andere ding” handel in drugs bedoeld is leidt de rechtbank af uit het gesprek dat [medeverdachte C] met [betrokkene J S] voerde op 23 september 2005. Er wordt in dit gesprek door [medeverdachte C] gezegd dat ze nu aan het besluiten zijn “wat de beste tickets zijn”. Hij heeft verschillende tickets voor verschillende prijzen. Er kan geen informatie over uitgewisseld worden.

Het “papierwerk” dat [medeverdachte A] begin oktober bij [betrokkene J S] in Londen heeft opgehaald heeft blijkens dit gesprek betrekking op “de andere tickets”. Uit het dossier blijkt overigens niet dat “het andere ding” heeft plaatsgevonden.

5.1.4. Levering cocaïne aan [betrokkene H]

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij bij de beoordeling van het onder 3 ten laste gelegde heeft overwogen.

5.1.5. Contacten met [bijnaam afnemer z] (‘[afnemer z]’)

Vanaf januari 2006 zoekt [bijnaam afnemer z] contact met [medeverdachte A] met de vraag of [medeverdachte A] 1 kilo cocaïne (“a full one”) voor hem kan regelen. Naar aanleiding van de vraag van [bijnaam afnemer z] naar cocaïne neemt [medeverdachte C] meermalen het gesprek van [medeverdachte A] over. [medeverdachte C] geeft in deze gesprekken aan dat hij “tickets” heeft voor [bijnaam afnemer z] voor dezelfde prijs als de vorige keer. Het gaat om dezelfde man en dezelfde soort als de vorige keer. Tijdens deze gesprekken houdt [medeverdachte C] ruggespraak met [verdachte B]. Uit de context kan worden afgeleid dat met ‘dezelfde man” [verdachte B] wordt bedoeld. [bijnaam afnemer z] wil graag een monster.

Op 5 mei 2006 is er een ontmoeting van [medeverdachte A], [medeverdachte C], [verdachte B] met [bijnaam afnemer z], en nog iemand. [medeverdachte A] verklaart dat hij contact heeft opgenomen met getuige [getuige MS], die aan flakes (cocaïne) kon komen van iemand in Waardenburg. [verdachte B] is op verzoek van [medeverdachte C] met Schaap mee gegaan naar Waardenburg om een monster op te halen. Dit moet omstreeks 8 mei 2006 zijn geweest.

Op 9 mei 2006 informeert [medeverdachte C] bij [medeverdachte A] naar de Ierse jongen waarmee klaarblijkelijk [bijnaam afnemer z] wordt bedoeld. [medeverdachte A] probeert hem te pakken te krijgen. Hij is het weekend niet geweest.

Nadat de deal met Gary Hutton stuk is gelopen neemt [bijnaam afnemer z] weer contact op met [medeverdachte A] op 26 mei 2005 . Dan worden door hem, na overleg met [medeverdachte C], alsnog pogingen ondernomen om het monster, bestaande uit de “twee dingensen” te leveren.

5.1.6. Verweer verdachten

De verdachten hebben erkend dat de afgeluisterde telefoongesprekken c.a. inderdaad de indruk zouden kunnen wekken dat zij actief waren in de drugshandel. [medeverdachte C] en [verdachte B] hebben in dat verband naar voren gebracht dat deze telefoongesprekken deel uitmaakten van een strategie om [medeverdachte A] juist uit de drugshandel te halen dan wel te brengen. [medeverdachte A] immers, zo heeft hij erkend, heeft, daartoe onder meer uitgelokt en aangespoord door A-1702, ook feitelijk gepoogd drugstransacties te realiseren, maar is hierin nimmer geslaagd. Dit laatste zou te danken zijn geweest aan, zo verklaren alle drie de verdachten, voornoemde strategie van [medeverdachte C] en [verdachte B].

Naar de rechtbank begrijpt, zou die strategie neerkomen op het volgende:

- [medeverdachte C] en [verdachte B] kregen door dat [medeverdachte A] dreigde af te glijden richting de drugshandel;

- beiden waren zeer gesteld op [medeverdachte A] en wilden hem niet kwetsen;

- zij hadden door dat er een undercoveragent in het spel was en wilden deze in de val laten lopen;

- zij wilden de Drank- en horecawet vergunning van [Partycentrum O] niet riskeren;

- zij hielden daarom ten overstaan van [medeverdachte A] de schijn op dat zij hem wilden helpen met de door hem ([medeverdachte A]) voorgenomen transacties;

- zij hebben telkens feitelijk de contacten waarmee [medeverdachte A] de transacties tot stand wilde brengen zodanig weten te ontmoedigen dat deze geen doorgang konden vinden.

Dit verweer gaat het voorstellingsvermogen van de rechtbank te boven en moet alleen om die reden al als ongeloofwaardig worden gepasseerd. Voorts kan erop worden gewezen dat uit het hiervoor overwogene blijkt dat er al verdachte transacties plaatsvonden voordat A-1702 ten tonele was verschenen en tevens dat die transacties althans ten dele ook daadwerkelijk en dus succesvol hebben plaatsgehad. Daarnaast bieden de tapverslagen nergens overtuigend steun aan dit verweer.

5.1.7. Conclusie

Organisatie

Op basis van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat in de periode van juni 2005 tot en met 30 mei 2006 door [medeverdachte C] en [medeverdachte A] meermalen activiteiten zijn ontplooid die gericht waren op de handel in verdovende middelen. Voor [verdachte B] geldt dit alleen voor de periode 1 januari tot en met 30 mei 2006. Voor de periode van 1 juni 2005 tot 1 januari 2006 acht de rechtbank de bewijzen van betrokkenheid van laatstgenoemde onvoldoende concreet zodat [verdachte B] voor deze periode in ieder geval zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van alle drie de verdachten geldt voorts dat de rechtbank voor de ten laste gelegde periode 1 januari 2004 tot 1 juni 2005 in het onderliggende dossier onvoldoende concrete bewijzen heeft aangetroffen voor het bestaan van een organisatie - al dan niet gevormd door verdachten - met het oogmerk het plegen van één of meer van de in feit 1 bedoelde misdrijven. Voor deze periode dient derhalve eveneens vrijspraak te volgen.

Uit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid dat er bij de criminele activiteiten sprake was van een zekere taakverdeling tussen de verdachten.

[medeverdachte A] was degene die feitelijk de contacten met Engelse (potentiële) afnemers onderhield, [verdachte B] hield zich bezig met de Nederlandse markt terwijl [medeverdachte C] op de achtergrond de regie lijkt te hebben.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er in verband met drugshandel een samenwerkingsverband bestond tussen aanvankelijk alleen [medeverdachte C] en [medeverdachte A] en later ook [verdachte B], en dat deze samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had.

Derhalve was er sprake van een organisatie.

Oogmerk

Voorop moet worden gesteld dat zich in het dossier nauwelijks bewijzen bevinden van daadwerkelijke afleveringen van drugs en dat er in dit verband ook geen drugs onderschept zijn. De rechtbank ziet echter niet dat dit in de weg zou moeten staan aan het oordeel dat het oogmerk van de organisatie bestond uit het plegen van – kort gezegd – drugsdelicten.

Het gaat immers om het beoogde doel van de organisatie, niet zozeer om het gerealiseerde doel.

Al met al acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte C] en [medeverdachte A] in ieder geval vanaf juni 2005 tot het moment van aanhouding op 30 mei 2006 een organisatie vormden waarvan [verdachte B] vanaf 1 januari 2006 ook deel uitmaakte, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 sub B van de Opiumwet.

Hoewel uit de bewijsmiddelen afgeleid zou kunnen worden dat de organisatie eveneens gericht was op de uitvoer van verdovende middelen naar Groot Brittannië, is het plegen van misdrijven bedoeld in artikel 2 sub A van de Opiumwet, niet mede als beoogd ten laste gelegd.

De rechtbank acht voorts niet aannemelijk dat het oogmerk “slechts” gericht was op het voorbereiden van drugsdelicten zoals bedoeld in artikel 10a Opiumwet of dat het doel van de organisatie louter het aanwezig hebben van verdovende middelen was (artikel 2 sub C van de Opiumwet). Evenmin konden in het onderliggende dossier voldoende aanwijzingen gevonden worden voor de vaststelling dat het oogmerk van de organisatie zich tevens uitstrekte tot de verkoop van softdrugs, als bedoeld in art. 3 sub B van de Opiumwet (zoals opgenomen in de tenlastelegging).

De activiteiten die verdachten ontplooiden kunnen zonder meer tot de conclusie leiden dat ieder van hen deelnam aan deze organisatie. Ieder van hen droeg bij aan het verwezenlijken van het gezamenlijke doel om door de handel in verdovende middelen (van lijst I Opiumwet) inkomsten te verwerven.

5.2. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en [verdachte B] hebben besloten om [betrokkene H], nadat deze herhaaldelijk mensen had benaderd met de vraag of hij cocaïne kon kopen, manitol in plaats van cocaïne te leveren, omdat verdachte dacht dat [betrokkene H] door de politie was ingezet om aan te tonen dat er verdovende middelen werden verhandeld in [Partycentrum O]. De verdediging heeft voorts gesteld dat verdachte 100 gram manitol in plaats van cocaïne aan [betrokkene H] heeft overhandigd.

Door de verdediging is voorts gesteld dat door de getuige [betrokkene H] dermate wisselend is verklaard dat hij ongeloofwaardig en onbetrouwbaar is, zodat zijn verklaringen niet mee kunnen werken aan het bewijs.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet geconcludeerd kan worden dat verdachte meermalen cocaïne heeft geleverd. De tapgesprekken waarop de officier van justitie zijn conclusie heeft gebaseerd zijn daarvoor onvoldoende concreet en vinden onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging dient verdachte te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte 100 gram cocaïne aan [betrokkene H] heeft verkocht. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Op 4 maart 2006 heeft verdachte in zijn auto een gesprek met [betrokkene H]. (Dit is ter terechtzitting bevestigd door zowel verdachte als [betrokkene H].) Uit dit gesprek blijkt dat [betrokkene H] van verdachte iets verpakt in aluminiumpapier ontvangt, waarover [betrokkene H] ten overstaan van de politie heeft verklaard dat dit 100 gram cocaïne betrof. In de auto vraagt verdachte aan [betrokkene H] “Normaal geeft hij jou toch altijd 100?”, waarop deze antwoord “Altijd”. Uit dit gesprek blijkt voorts dat verdachte met [betrokkene H] afspreekt dat deze twee keer ‘negen meier’ dient te betalen en dat verdachte [betrokkene H] vraagt wat hij normaliter bij [verdachte B]) moet afrekenen. Uit een telefoontap van 6 april 2006 blijkt dat verdachte de levering met [verdachte B] bespreekt. In dit gesprek heeft verdachte het over de “de zoon van Ruud” die “twee keer negen meier” zou betalen.

De getuige [betrokkene H] is zesmaal door de politie gehoord. Weliswaar zijn deze verklaringen wisselend van aard, maar de essentie daarvan is telkens dat [betrokkene H] verklaart dat hij van [medeverdachte C] en [verdachte B] 100 gram cocaïne heeft afgenomen. Eerst bij de rechter-commissaris neemt hij dit terug, waarna hij – nadat hij wegens het afleggen van een meinedige verklaring is aangehouden – tenslotte ten overstaan van de politie verklaart dat hetgeen hij in eerste instantie had verklaard juist is.

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door de omstandigheid dat het contact tussen verdachte en [betrokkene H] op 4 maart 2006 naar de uiterlijke verschijningsvorm als een reguliere drugstransactie moet worden aangemerkt.

Dat manitol is geleverd in plaats van cocaïne is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Dat drie maanden later in de woning van [betrokkene H] manitol is aangetroffen doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af, nu [betrokkene H] heeft verklaard dat hij – als drugsdealer – manitol gebruikte om te versnijden met cocaïne, dat hij vervolgens aan zijn afnemers leverde.

6. De bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2006 in Nederland, heeft deelgenomen

aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en [medeverdachte C] en [medeverdachte A], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk misdrijven strafbaar gesteld in artikel 2 B van de Opiumwet.

3.

op 4 maart 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht, een hoeveelheid van honderd gram cocaïne aan [betrokkene H], zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 3 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

7. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

8. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vijf maanden schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot doel had de handel van harddrugs - in het bijzonder cocaïne en XTC. Er zijn aanwijzingen dat de organisatie ook op het buitenland was georiënteerd, gelet op de frequente buitenlandse contacten. Aangenomen mag worden dat de organisatie uit is geweest op geldelijk gewin, zonder daarbij oog te hebben voor de schade die het gebruik van harddrugs aan de volksgezondheid toebrengt. Harddrugs leveren immers, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. Omdat het gebruik van harddrugs kostbaar is en de verslaving leidt tot toenemend gebruik, nemen verslaafden vaak hun toevlucht tot criminele activiteiten om hun gebruik te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 januari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 19 december 2006, opgemaakt door F. van der Kruk, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. Hiervoor vindt de rechtbank aanleiding in de omstandigheid dat verdachte van het onder 2 en van een deel van het onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

10. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds vermelde wetsartikel is de op te leggen straf gegrond op artikelen 140 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 10 van de Opiumwet.

11. DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 3 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 1 (EEN) JAAR.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.W. Bianchi, W. Foppen en A.M.M.E. Doekes, bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2008.