Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8602

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
SBR 2007/931
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor oprichten van kantoorgebouw. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bouwplan zal leiden tot grotere verkeerstoename. Geen stagnerend verkeer. Aspect luchtkwaliteit ook bij wordt-case benadering geen belemmering voor bouwplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 2007/931

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2008

inzake

de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

e i s e r e s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

v e r w e e r d e r.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 maart 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 8 november 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. (verder: vergunninghouder) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw en het verbouwen van bestaande kantoorgebouwen inclusief parkeervoorzieningen op een perceel aan de Croeselaan te Utrecht, kadastraal bekend gemeente Catharijne, sectie D. nummers 7540, 8256, 8257 en 9288 (hierna: het perceel).

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2008, waar eiseres is verschenen bij gemachtigden drs. C. van Oosten, werkzaam bij Bureau Rechtsbescherming Utrecht, en G.A.M. van de Vecht, voorzitter van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.T.J. Oosterwegel, mr. E.J.B. Rooke en A.M.M. Baggen, allen werkzaam bij de gemeente Utrecht. Vergunninghouder is verschenen bij gemachtigde mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam, R.F.J.M. van Dijke en J. de Graaf, werkzaam bij vergunninghouder, J.I.J.H. van Rooij, werkzaam bij Cauberg-Huygen, en H.M.J. Groot, werkzaam bij Goudappel Coffeng.

Overwegingen

2.1 Op 16 juni 2006 is door vergunninghouder een aanvraag om een bouwvergunning ingediend.

Het bouwplan voorziet in nieuwbouw van een kantoortoren, een uitbreiding van het totale kantoorvolume van maximaal 40.000 m² en een nieuwbouw ter vervanging van het voormalige EDS gebouw. Verder voorziet het in renovatie van de overige bestaande bebouwing, het aanpassen van de lagen op de begane grond niveau en +1 niveau van de bestaande bebouwing en tevens in uitbreiding van de parkeerkelder op eigen terrein.

Aangezien het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het ter plaatse geldende Stadsvernieuwingsplan “Dichterswijk/Croeselaan”, heeft verweerder Gedeputeerde Staten (GS) verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar. GS hebben de verklaring van geen bezwaar verleend op 17 oktober 2006. Verder heeft de Commissie Welstand en Monumenten Oost op 13 december 2005 te kennen gegeven akkoord te gaan met het bouwplan.

2.2 Bij besluit van 8 november 2006 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van het kantoorgebouw met parkeergarage op het perceel.

Tegen dit besluit van verweerder is door eiseres bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 8 januari 2007 (SBR 06/4191) heeft de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit van verweerder is door eiseres beroep ingesteld, waarbij het volgende - kort samengevat - is aangevoerd.

2.3 Eiseres acht de door verweerder uitgevoerde berekening van de verkeersintensiteit door middel van het zogenoemde VRU-model ‘natte vingerwerk’. De door verweerder gegeven verklaring voor de vermindering van het aantal motorvoertuigen per etmaal op de Croeselaan van 21.000 in 2005 naar 20.000 in 2010, berust naar de mening van eiseres op veronderstellingen en is niet gebaseerd op realistische aannames. Eiseres heeft daarbij gewezen op het feit dat de door verweerder gegeven verklaring, te weten een verandering in de verkeerscirculatie, onzeker is, nu deze gewenste verandering nog in procedure moet worden gebracht en de uitkomst daarvan dus nog onzeker is. Eiseres heeft tevens gewezen op de explosieve toename van het autoverkeer op de M.L. Kinglaan, hetgeen ook gevolgen zal hebben voor de Croeselaan.

Verder dient naar de mening van eiseres serieus en verifieerbaar onderzoek naar de luchtkwaliteit te worden gedaan. Op verweerder rust dan ook primair de onderzoeksplicht.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat voor de beoordeling van de luchtkwaliteit niet alleen de verkeersintensiteit van belang is doch zeker ook de vraag of sprake is van ‘stagnerend’ dan wel ‘doorstromend’ verkeer. Eiseres heeft aangevoerd dat het aannemelijk is dat sprake is van stagnerend verkeer, vanwege de aanwezige verkeerslichten op de Croeselaan, het verkeer ten behoeve van het op- en afhalen van personen van het station, het toekomstige Holland Casino, een megabioscoop en het betreffende bouwplan.

Het voornemen van vergunninghouder om het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer te stimuleren, zijn naar de mening van eiseres ‘schone intenties’. Het moet naar de mening van eiseres evenwel om realistische aannames gaan.

Tenslotte is eiseres van mening dat de omlegging van het busverkeer ter compensatie van het extra autoverkeer op de Croeselaan, een onjuist uitgangspunt voor de berekeningen is, aangezien het er om gaat de gevolgen van het bouwplan te laten zien.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het vigerende Stadsvernieuwingsplan “Dichterswijk/Croeselaan” ter plaatse geldende bestemming “Kantoordoeleinden A (Ka)”, “Kantoordoeleinden E (Ke)”, “Water” en “Groenvoorzieningen”.

Om medewerking aan het bouwplan te verlenen heeft verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend.

Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van GS de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Van die bevoegdheid is in het onderhavige geval gebruik gemaakt.

2.5 De rechtbank stelt vast dat door eiseres geen gronden zijn aangevoerd die zien op de ruimtelijke onderbouwing als zodanig, doch voornamelijk op aspecten betreffende de luchtkwaliteit.

2.6 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van de wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht. Op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van dat besluit kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, wordt hier in ieder geval de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19 van de WRO onder begrepen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a en b, van het Blk 2005 geldt voor NO2 een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, en een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.7 Verweerder heeft zich bij de beoordeling van de gevolgen die de realisatie van het bouwplan op de luchtkwaliteit zal hebben, gebaseerd op het rapport van 28 juli 2006 van Cauberg-Huygen, hetgeen nog - in verband met de actualisatie van het VRU-model door de gemeente Utrecht - geactualiseerd is in het rapport van 26 februari 2007. In dat rapport wordt geconcludeerd dat zowel in de autonome situatie als bij de voorgenomen ontwikkeling de grenswaarden voor PM10 worden gerespecteerd. Voorts wordt geconcludeerd dat het autonome verkeer leidt tot een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) in 2010 op meer dan vier meter uit het midden van de buitenste rijbanen van de Croeselaan Noord, Zuid en de Van Zijstweg. Voorts wordt opgemerkt dat de realisatie van de nieuwbouw leidt tot veranderingen in het totale windklimaat waardoor in 2010 de luchtkwaliteit in het gebied langs de Croeselaan Noord, Zuid en de Van Zijstweg verbetert ten opzichte van de autonome situatie in hetzelfde jaar, zodat in 2010 in het onderzoeksgebied per saldo sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Blk 2005.

Eiseres heeft bezwaren geuit tegen de berekening van de verkeersintensiteit door verweerder. Die bezwaren richten zich niet zozeer tegen het zogenoemde VRU-model als zodanig, maar met name tegen hetgeen in het verkeersmodel wordt ingevoerd. Dat de uitkomsten niet juist kunnen zijn, blijkt volgens eiseres uit het feit dat de intensiteiten van VRU 2.0 substantieel lager uitkomen dan die van VRU 1.31. Gezien het feit dat er alleen maar bouwprojecten worden toegevoegd, is die uitkomst onwaarschijnlijk. Verweerder heeft deze uitkomst verklaard uit het feit dat de planning van enkele grote ontwikkelingen zoals Leidse Rijn en het stationsgebied in VRU 2.0 is bijgesteld, omdat realisatie op een later tijdstip wordt verwacht.

Dat het bouwplan zal leiden tot een grotere verkeerstoename, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft met de overgelegde stukken en de ter zitting gegeven toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat het aantal van 600 parkeerplaatsen een redelijke basis vormt voor de berekening van de extra verkeersbewegingen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat dit aantal is berekend met gebruik van een landelijk aanvaarde normatiek en dat er in de omgeving bovendien sprake is van betaald parkeren. Door vergunninghouder is tevens aangegeven dat de nieuwe parkeerplaatsen niet opengesteld zullen worden voor bezoekers van de jaarbeurs. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde gegevens zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich daarop niet mocht baseren. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de gehanteerde verkeersintensiteit zoals verweerder die heeft gebruikt bij de vaststelling van de luchtkwaliteit.

Voor wat betreft de snelheidstypering heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van stagnerend verkeer. Eiser gaat op dit punt ten onrechte uit van een piekbelastingsituatie, terwijl het een 24-uursgemiddelde betreft.

Bovendien blijkt uit het nader overgelegde rapport van 31 januari 2008 van Cauberg-Huygen dat zelfs indien van stagnerend verkeer wordt uitgegaan, de conclusies uit het eerdere onderzoek van 26 februari 2007 kunnen worden gehandhaafd.

Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat verweerder ten onrechte ontwikkelingen meeneemt die losstaan van het bouwplan overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder dient naar het oordeel van de rechtbank een inschatting te maken van de ten tijde van de realisatie van het bouwplan bestaande verkeerssituatie. Bij de inschatting van een toekomstige situatie zal niet altijd vaststaan dat alle geplande verkeersmaatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. Dat betekent niet dat die geplande maatregelen niet mogen worden meegenomen. Dit is slechts anders indien het voorgenomen ontwikkelingen betreft waarvan de realisatie onzeker is omdat hiervoor nog een bouwvergunning moet worden verleend of een verklaring van geen bezwaar door GS moet worden afgegeven. Aan de vraag of de aanleg van de HOV-baan om die reden buiten beschouwing moet worden gelaten, komt de rechtbank niet toe. Uit het nader overgelegde rapport van 31 januari 2008 van Cauberg-Huygen blijkt immers dat zelfs indien deze vervoersbaan niet wordt gerealiseerd, dit niet zal leiden tot overschrijding van de gestelde grenswaarden.

Eiseres heeft voorts nog gesteld dat op verweerder een onderzoeksplicht rust teneinde het door hem genomen besluit van een daadkrachtige motivering te kunnen voorzien. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat deze onderzoeksplicht inderdaad op verweerder rust. Met de rapportages van Peutz van 6 februari 2006 en Cauberg-Huygen van 28 juli 2006, 26 februari 2007 en 31 januari 2008, heeft verweerder ruimschoots aan deze plicht voldaan. De omstandigheid dat het rapport van Cauberg-Huygen van 31 januari 2008 op verzoek van vergunninghouder is uitgebracht, maakt vorenstaande niet anders, temeer niet nu verweerder te kennen heeft gegeven zich met de inhoud van dit rapport te kunnen verenigen. De rechtbank heeft bovendien geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit rapport niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen dan wel dat er twijfels bestaan over de juistheid van het door Cauberg-Huygen uitgebrachte advies. De rechtbank miskent daarbij niet dat het voor eiseres, zijnde een stichting met (wellicht) beperkte financiële mogelijkheden, bezwaarlijk is om terzake een deskundig tegenrapport uit te laten brengen. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat eiseres geen argumenten heeft aangedragen die twijfels omtrent de juistheid van de uitgebrachte rapporten heeft kunnen doen ontstaan.

De rechtbank overweegt voorts nog dat uit het rapport van 31 januari 2008 van Cauberg-Huygen eveneens blijkt dat uit de resultaten van de zogenoemde WinMISKAM-berekeningen volgt dat de realisatie van de nieuwbouw zal leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit als gevolg van veranderingen in het lokale windklimaat. In het rapport wordt voorts gemotiveerd aangegeven dat het aspect luchtkwaliteit ook bij een zogenoemde ‘worstcase’ invulling van de parameters ‘autonome verkeersintensiteiten’, ‘routing busverkeer’ en ‘doorstroming’ geen belemmering vormt voor de realisatie van het bouwplan.

2.9 Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet als voorzitter en mr. drs. R. in 't Veld en mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert als leden en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2008.

De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:

W.B. Lakeman mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let op:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.